Herziene Statenvertaling (HSV)
10

De koningin van Sjeba komt in Jeruzalem Salomo bezoeken

101Toen de koningin van Sjeba het gerucht over Salomo in verband met de Naam van de HEERE hoorde, kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen.

2

10:2
2 Kron. 9:1
Matt. 12:42
Luk. 11:31
Zij kwam naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg,10:2 een zeer groot gevolg - Letterlijk: een zeer groot vermogen. met kamelen, beladen met specerijen, met zeer veel goud, en met edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak tot hem over alles wat zij op haar hart had.

3En Salomo verklaarde haar al haar vragen. Geen ding was voor de koning verborgen dat hij haar niet kon verklaren.

4Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd,

5het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzaten, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf.10:5 was zij buiten zichzelf - Letterlijk: was er geen adem (SV: geest) meer in haar.

6Zij zei tegen de koning: Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb.

7Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen.

8Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan10:8 in uw dienst staan - Letterlijk: voor uw aangezicht staan. en uw wijsheid horen!

9Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

10Zij gaf de koning honderdtwintig talent10:10 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 14. goud en zeer veel specerijen en edelstenen. Zo'n grote hoeveelheid specerijen als die de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer gekomen.

11Ook bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir vervoerde, zeer veel sandelhout en edelstenen uit Ofir.

12

10:12
2 Kron. 9:11
De koning maakte van dit sandelhout steunbalken voor het huis van de HEERE en voor het huis van de koning, en luiten en harpen voor de zangers. Zulk sandelhout is er niet meer gekomen of gezien tot op deze dag.

13Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba overeenkomstig al haar wensen, alles waar zij om vroeg, meer dan wat Salomo haar al gegeven had, overeenkomstig het vermogen van de koning. Daarna keerde zij terug en ging naar haar land, zij en haar dienaren.

Rijkdom van Salomo

14Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, was zeshonderdzesenzestig talent goud,

15afgezien van de inkomsten van de rondtrekkende kooplui en de winst van de handelaars, van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land.

16Ook

10:16
1 Kon. 14:26
maakte koning Salomo tweehonderd grote schilden van gedreven goud. Zeshonderd sikkel goud ging op aan één schild.

17Verder driehonderd kleine schilden van gedreven goud; drie pond goud liet hij opgaan aan één schild.

10:17
1 Kon. 7:2
De koning legde ze in het huis van het Woud van de Libanon.

18Ook

10:18
2 Kron. 9:17
maakte de koning een grote ivoren troon en overtrok die met zuiver goud.

19Deze troon had zes treden en de bovenzijde van de troon was vanachteren rond, aan beide zijden10:19 aan beide zijden - Letterlijk: vanhier en vandaar; zie ook vers 20. van de zitplaats zaten leuningen,10:19 leuningen - Letterlijk: handen. en bij die leuningen stonden twee leeuwen.

20Er stonden daar dus twaalf leeuwen op de zes treden, aan beide zijden. Zoiets werd er voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt.

21Verder was al het drinkgerei van koning Salomo van goud, en alle voorwerpen in het huis van het Woud van de Libanon waren van bladgoud. Er was niets van zilver. Dat werd in de dagen van Salomo als niets geacht.

22De koning had namelijk een Tarsisvloot op zee, samen met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.

23Zo werd koning Salomo, wat

10:23
1 Kon. 3:12,13
rijkdom en wijsheid betrof, aanzienlijker dan alle koningen van de aarde.

24En de hele wereld zocht Salomo op,10:24 zocht Salomo op - Letterlijk: zocht het aangezicht van Salomo. om zijn wijsheid te horen, die God hem in zijn hart had gegeven.

25Ieder van hen bracht zijn geschenk mee: zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen, kleding, wapens, specerijen, paarden en muildieren, jaar op jaar het toegezegde geschenk.10:25 jaar … geschenk - Letterlijk: de zaak van een jaar in een jaar.

26

10:26
1 Kon. 4:26
2 Kron. 1:14
9:25
Verder verzamelde Salomo strijdwagens en ruiters. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters. Hij bracht ze onder in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.

27

10:27
2 Kron. 1:15
9:27
De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo overvloedig als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland voorkomen.

28En

10:28
2 Kron. 9:28
de aanvoer van de paarden die Salomo had, kwam uit Egypte en uit Kewe.
10:28
2 Kron. 1:16
Kooplieden van de koning namen ze tegen een bepaalde prijs uit Kewe mee.

29Een wagen werd uit Egypte uitgevoerd10:29 werd … uitgevoerd - Letterlijk: kwam op en ging uit. voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderdvijftig. Ook voerden ze die door hun tussenkomst10:29 tussenkomst - Letterlijk: hand. uit naar alle koningen van de Hethieten en naar de koningen van Syrië.

11

Vrouwen en afgoderij van Salomo

111Koning Salomo had

11:1
Deut. 17:17
veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische vrouwen,

2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd:

11:2
Ex. 34:16
Deut. 7:3
U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.

3Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.

4Het was in de tijd van Salomo's ouderdom dat zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,

5want Salomo ging achter

11:5
Richt. 2:13
2 Kon. 23:13
Astarte aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.

6Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.

7

11:7
2 Kon. 23:13
Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.

8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.

Strafaankondiging

9Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart van de HEERE, de God van Israël,

11:9
1 Kon. 3:5
9:2
Die hem tweemaal was verschenen, was afgeweken.

10

11:10
1 Kon. 6:12
Hij had hem aangaande deze zaak geboden dat hij niet achter andere goden aan zou gaan, maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.

11Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen,

11:11
1 Kon. 12:15
zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar geven.

12In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren.

13Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk van u losscheuren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat Ik verkozen heb.

Verzet van Hadad en Rezon

14Zo liet de HEERE een tegenstander van Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was uit het nageslacht van de koning van Edom.

15

11:15
2 Sam. 8:14
1 Kron. 18:12,13
Het gebeurde namelijk eens, toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de gesneuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde,

16want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid.

17Maar Hadad vluchtte, hij en enige Edomitische mannen uit de dienaren van zijn vader met hem, om in Egypte te komen. Hadad was toen nog een kleine jongen.

18Zij vertrokken11:18 vertrokken - Letterlijk: Zij stonden op. uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen zij mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij de farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zegde hem voedsel toe en gaf hem land.

19Verder vond Hadad zoveel genade in de ogen van de farao, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster van koningin Tachpenes, tot vrouw gaf.

20En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon, Genubath, en Tachpenes bracht hem groot11:20 bracht hem groot - Letterlijk: nam hem van de borst. in het huis van de farao. Genubath was in het huis van de farao te midden van de zonen van de farao.

21Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land.

22De farao zei echter tegen hem: Waaraan ontbreekt het u bij mij dat, zie, u naar uw land wilt trekken? En hij zei: Aan niets, maar laat mij evenwel gaan.

23

11:23
2 Sam. 8:3
10:18
God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadadezer, de koning van Zoba,

24tegen wie hij,

11:24
2 Sam. 8:3
toen David hen doodde, mannen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus.

25En al de dagen van Salomo was hij tegenstander van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad deed, want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.

Profetie van Ahia voor Jerobeam

26Ook

11:26
2 Kron. 13:6
Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een dienaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand tegen de koning.11:26 kwam in opstand - Letterlijk: hief de hand op; zie ook vers 27.

27Dit is de reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam: Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.

28Nu was de man Jerobeam een harde werker.11:28 een harde werker - Letterlijk: een strijdbare held. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk verrichtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden11:28 de hele lichting werklieden - Letterlijk: de hele last. van het huis van Jozef.

29Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld.

30Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken.

31Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël:

11:31
1 Sam. 15:28
Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven.

32Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen,

33omdat zij Mij hebben verlaten en zich neergebogen hebben voor Astarte, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van de Moabieten, en voor Milkom, de god van de Ammonieten, en niet in Mijn wegen gegaan zijn door te doen wat juist is in Mijn ogen en Mijn verordeningen en bepalingen te houden, zoals zijn vader David.

34Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verordeningen in acht heeft genomen.

35Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven.

36En aan zijn zoon zal Ik één stam geven,

11:36
1 Kon. 15:4
Ps. 132:17
zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.

37Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël.

38En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend koningshuis zal bouwen, zoals Ik dat voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israël geven.

39Ik zal hiertoe het nageslacht van David vernederen, maar niet voor alle dagen.

40Salomo wilde Jerobeam doden, maar Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf.

41Het

11:41
2 Kron. 9:29
overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo?

42De tijd11:42 de tijd - Letterlijk: de dagen. nu dat Salomo in Jeruzalem over heel Israël regeerde,

11:42
2 Kron. 9:30
was veertig jaar.

43Daarna ging Salomo te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David, en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

12

Verzoek van Israël om verlichting van lasten

121Rehabeam

12:1
2 Kron. 10:1
ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.

2Het gebeurde nu, toen Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde,

12:2
1 Kon. 11:40
terwijl hij nog in Egypte was – want hij was gevlucht voor koning Salomo en Jerobeam woonde in Egypte –

3dat zij een bode stuurden en hem lieten roepen. Toen kwam Jerobeam, met heel de gemeente van Israël, en zij spraken tot Rehabeam:

4

12:4
2 Kron. 10:4
Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware juk, dat hij ons heeft opgelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.

5Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg.

6Koning Rehabeam pleegde overleg met de oudsten die bij zijn vader Salomo in dienst waren geweest,12:6 die bij … geweest - Letterlijk: die voor het aangezicht van zijn vader Salomo hadden gestaan; zie ook vers 8. toen die nog leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?

7Zij spraken tot hem: Als u heden een dienaar voor dit volk wilt zijn, en als u hen dient, hun antwoord geeft en goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij alle dagen uw dienaren zijn.

8Maar hij verwierp de raad van de oudsten die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.

9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?

10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.

11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.

12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.

13En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.

14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.

15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had

12:15
1 Kon. 11:11,31
gesproken.

16Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:

12:16
2 Sam. 20:1
Wat voor deel hebben wij aan David?

Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.

Naar uw tenten, Israël!

Zorg nu voor uw eigen huis, David!

En Israël ging naar zijn tenten.

17Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.

18Toen stuurde koning Rehabeam

12:18
1 Kon. 4:6
5:14
Adoram, die over de herendienst ging. Maar heel Israël stenigde hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.

19

12:19
2 Kon. 17:21
Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.

20En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.

21

12:21
2 Kron. 11:1
Toen Rehabeam in Jeruzalem aangekomen was, riep hij heel het huis van Juda en de stam van Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend van de beste manschappen, geoefend in de strijd, om tegen het huis van Israël oorlog te voeren en het koningschap aan Rehabeam, de zoon van Salomo, terug te brengen.

22

12:22
2 Kron. 11:2
Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man Gods:

23Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel het huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk:

24Zo zegt de HEERE: U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en keerden terug om weg te gaan, overeenkomstig het woord van de HEERE.

De kalverdienst van Jerobeam

25Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde

12:25
Gen. 32:30
Penuel.

26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.

27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.

28Daarom pleegde de koning overleg en

12:28
2 Kon. 17:16
maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem.
12:28
Ex. 32:8
Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.

29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.

30Dit werd aanleiding tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.

31Hij maakte ook een godshuis op de offerhoogten

12:31
Num. 3:10
1 Kon. 13:33
2 Kon. 17:32
2 Kron. 11:15
en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk,12:31 hij stelde … volk - Letterlijk: hij maakte priesters van de einden van het volk. die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.

32Verder stelde Jerobeam een feest in voor in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda gevierd werd, en hij besteeg dan het altaar. Zo deed hij ook in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de offerhoogten die hij gemaakt had.

33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn eigen hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]