Herziene Statenvertaling (HSV)
9

91Het gebeurde nu,

9:1
2 Kron. 7:11
toen Salomo de bouw van het huis van de HEERE en het huis van de koning voltooid had,
9:1
2 Kron. 7:11
en toen Salomo al zijn wensen, die hij uit wilde voeren, ten uitvoer had gebracht,

2dat de HEERE voor de tweede maal aan Salomo verscheen,

9:2
1 Kon. 3:5
zoals Hij aan hem in Gibeon verschenen was.

3De HEERE zei tegen hem: Ik heb uw gebed en uw smeekbede gehoord, die u voor Mijn aangezicht gesmeekt hebt. Ik heb dit huis dat u gebouwd hebt, geheiligd

9:3
Deut. 12:11
1 Kon. 8:29
om Mijn Naam daar tot in eeuwigheid te vestigen. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn.

4En u, wanneer u voor Mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, en u Mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt,

5dan zal Ik de troon van uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen,

9:5
2 Sam. 7:12,16
1 Kon. 6:12
1 Kron. 22:10
Ps. 132:12
zoals Ik met betrekking tot uw vader David gesproken heb:
9:5
1 Kon. 2:4
Het zal u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël.9:5 Het zal … Israël - Letterlijk: Er zal u geen man worden afgesneden van op de troon van Israël.

6Maar

9:6
2 Sam. 7:14
Ps. 89:30,31
als u en uw kinderen zich ooit van achter Mij afkeren en Mijn geboden en Mijn verordeningen, die Ik u voorgehouden heb, niet in acht nemen, maar andere goden gaan dienen en zich voor hen neerbuigen,

7dan zal Ik Israël uitroeien uit het land dat Ik hun gegeven heb, en zal Ik het huis, dat

9:7
Jer. 7:15
Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, van voor Mijn aangezicht wegwerpen,
9:7
Deut. 28:37
en zal Israël onder alle volken tot een spreekwoord en een voorwerp van spot worden.

8

9:8
2 Kron. 7:21
En dit huis zal een ruïne worden. Ieder die er voorbijgaat, zal zich ontzetten, sissen van afschuw en zeggen:
9:8
Deut. 29:24
Jer. 22:8
Waarom heeft de HEERE zo gedaan met dit land en met dit huis?

9Dan zal men zeggen: Omdat zij de HEERE, hun God, hebben verlaten, Die hun vaderen uit het land Egypte had geleid. Zij klampten zich vast aan andere goden en gingen zich voor hen neerbuigen en hen dienen. Daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.

Voorspoed onder Salomo

10

9:10
2 Kron. 8:1
En het gebeurde na verloop van twintig jaar, waarin Salomo de twee huizen gebouwd had, het huis van de HEERE en het huis van de koning,

11dat koning Salomo aan Hiram twintig steden in het land van Galilea gaf. Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo gesteund met cederhout, met cipressenhout en met goud, overeenkomstig al zijn wensen.

12En Hiram vertrok uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem had gegeven, maar ze waren niet goed in zijn ogen.

13Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder? En hij noemde ze het land Kabul, zoals het tot op deze dag heet.

14En Hiram stuurde de koning honderdtwintig talent9:14 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 28. goud.

15Dit nu is de kwestie van de lichting voor de herendienst, die koning Salomo liet opkomen om het huis van de HEERE, zijn eigen huis, de Millo, de muur van Jeruzalem, Hazor, Megiddo en Gezer te bouwen.

16Farao, de koning van Egypte, was namelijk opgetrokken en had Gezer ingenomen en het met vuur verbrand, de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood, en het aan zijn dochter, de vrouw van Salomo, als geschenk gegeven.

17Salomo heeft toen Gezer herbouwd, en ook Laag-Beth-Horon,

18

9:18
2 Kron. 8:6
Baälath en Tamor in de woestijn, in dat land,

19al de voorraadsteden die Salomo had, de wagensteden, de ruitersteden, al wat hij maar verlangde te bouwen,9:19 al wat … te bouwen - Letterlijk: en de wens van Salomo, wat hij verlangde te bouwen. in Jeruzalem, op de Libanon en in heel het land van zijn heerschappij.

20Al het volk dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet bij de Israëlieten behoorden,

21hun nakomelingen, die na hen in het land waren overgebleven en die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen liet Salomo opkomen om in herendienst te werken, tot op deze dag.

22Uit de Israëlieten echter

9:22
Lev. 25:39
stelde Salomo geen slaaf aan. Zij waren immers strijdbare mannen, zijn dienaren, zijn bevelhebbers en zijn officieren: de bevelhebbers over zijn wagens en zijn ruiters.

23Dit waren de opzichters over hen die aangesteld waren en die over het werk van Salomo gingen, vijfhonderdvijftig man, die de leiding hadden over het volk dat het werk verrichtte.

24Zodra

9:24
2 Kron. 8:11
de dochter van de farao vertrokken was uit de stad van David naar haar huis, dat Salomo voor haar had gebouwd, toen heeft hij de Millo gebouwd.

25Salomo bracht driemaal per jaar brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor de HEERE had gebouwd en ook bracht hij er reukoffers, namelijk op het altaar dat voor het aangezicht van de HEERE stond, toen hij het huis voltooid had.

26Koning Salomo bouwde ook een vloot in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt, aan de oever van de Schelfzee, in het land Edom.

27En Hiram stuurde zijn dienaren mee met de vloot: scheepslieden, kenners van de zee, samen met de dienaren van Salomo.

28En zij kwamen in Ofir en haalden daar goud vandaan, vierhonderdtwintig talent, en brachten het naar koning Salomo.

10

De koningin van Sjeba komt in Jeruzalem Salomo bezoeken

101Toen de koningin van Sjeba het gerucht over Salomo in verband met de Naam van de HEERE hoorde, kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen.

2

10:2
2 Kron. 9:1
Matt. 12:42
Luk. 11:31
Zij kwam naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg,10:2 een zeer groot gevolg - Letterlijk: een zeer groot vermogen. met kamelen, beladen met specerijen, met zeer veel goud, en met edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak tot hem over alles wat zij op haar hart had.

3En Salomo verklaarde haar al haar vragen. Geen ding was voor de koning verborgen dat hij haar niet kon verklaren.

4Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd,

5het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzaten, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf.10:5 was zij buiten zichzelf - Letterlijk: was er geen adem (SV: geest) meer in haar.

6Zij zei tegen de koning: Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb.

7Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen.

8Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan10:8 in uw dienst staan - Letterlijk: voor uw aangezicht staan. en uw wijsheid horen!

9Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

10Zij gaf de koning honderdtwintig talent10:10 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook vers 14. goud en zeer veel specerijen en edelstenen. Zo'n grote hoeveelheid specerijen als die de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer gekomen.

11Ook bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir vervoerde, zeer veel sandelhout en edelstenen uit Ofir.

12

10:12
2 Kron. 9:11
De koning maakte van dit sandelhout steunbalken voor het huis van de HEERE en voor het huis van de koning, en luiten en harpen voor de zangers. Zulk sandelhout is er niet meer gekomen of gezien tot op deze dag.

13Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba overeenkomstig al haar wensen, alles waar zij om vroeg, meer dan wat Salomo haar al gegeven had, overeenkomstig het vermogen van de koning. Daarna keerde zij terug en ging naar haar land, zij en haar dienaren.

Rijkdom van Salomo

14Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, was zeshonderdzesenzestig talent goud,

15afgezien van de inkomsten van de rondtrekkende kooplui en de winst van de handelaars, van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land.

16Ook

10:16
1 Kon. 14:26
maakte koning Salomo tweehonderd grote schilden van gedreven goud. Zeshonderd sikkel goud ging op aan één schild.

17Verder driehonderd kleine schilden van gedreven goud; drie pond goud liet hij opgaan aan één schild.

10:17
1 Kon. 7:2
De koning legde ze in het huis van het Woud van de Libanon.

18Ook

10:18
2 Kron. 9:17
maakte de koning een grote ivoren troon en overtrok die met zuiver goud.

19Deze troon had zes treden en de bovenzijde van de troon was vanachteren rond, aan beide zijden10:19 aan beide zijden - Letterlijk: vanhier en vandaar; zie ook vers 20. van de zitplaats zaten leuningen,10:19 leuningen - Letterlijk: handen. en bij die leuningen stonden twee leeuwen.

20Er stonden daar dus twaalf leeuwen op de zes treden, aan beide zijden. Zoiets werd er voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt.

21Verder was al het drinkgerei van koning Salomo van goud, en alle voorwerpen in het huis van het Woud van de Libanon waren van bladgoud. Er was niets van zilver. Dat werd in de dagen van Salomo als niets geacht.

22De koning had namelijk een Tarsisvloot op zee, samen met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.

23Zo werd koning Salomo, wat

10:23
1 Kon. 3:12,13
rijkdom en wijsheid betrof, aanzienlijker dan alle koningen van de aarde.

24En de hele wereld zocht Salomo op,10:24 zocht Salomo op - Letterlijk: zocht het aangezicht van Salomo. om zijn wijsheid te horen, die God hem in zijn hart had gegeven.

25Ieder van hen bracht zijn geschenk mee: zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen, kleding, wapens, specerijen, paarden en muildieren, jaar op jaar het toegezegde geschenk.10:25 jaar … geschenk - Letterlijk: de zaak van een jaar in een jaar.

26

10:26
1 Kon. 4:26
2 Kron. 1:14
9:25
Verder verzamelde Salomo strijdwagens en ruiters. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters. Hij bracht ze onder in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.

27

10:27
2 Kron. 1:15
9:27
De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo overvloedig als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland voorkomen.

28En

10:28
2 Kron. 9:28
de aanvoer van de paarden die Salomo had, kwam uit Egypte en uit Kewe.
10:28
2 Kron. 1:16
Kooplieden van de koning namen ze tegen een bepaalde prijs uit Kewe mee.

29Een wagen werd uit Egypte uitgevoerd10:29 werd … uitgevoerd - Letterlijk: kwam op en ging uit. voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderdvijftig. Ook voerden ze die door hun tussenkomst10:29 tussenkomst - Letterlijk: hand. uit naar alle koningen van de Hethieten en naar de koningen van Syrië.

11

Vrouwen en afgoderij van Salomo

111Koning Salomo had

11:1
Deut. 17:17
veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische vrouwen,

2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd:

11:2
Ex. 34:16
Deut. 7:3
U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.

3Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.

4Het was in de tijd van Salomo's ouderdom dat zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,

5want Salomo ging achter

11:5
Richt. 2:13
2 Kon. 23:13
Astarte aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.

6Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.

7

11:7
2 Kon. 23:13
Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.

8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.

Strafaankondiging

9Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart van de HEERE, de God van Israël,

11:9
1 Kon. 3:5
9:2
Die hem tweemaal was verschenen, was afgeweken.

10

11:10
1 Kon. 6:12
Hij had hem aangaande deze zaak geboden dat hij niet achter andere goden aan zou gaan, maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.

11Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen,

11:11
1 Kon. 12:15
zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar geven.

12In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren.

13Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk van u losscheuren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat Ik verkozen heb.

Verzet van Hadad en Rezon

14Zo liet de HEERE een tegenstander van Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was uit het nageslacht van de koning van Edom.

15

11:15
2 Sam. 8:14
1 Kron. 18:12,13
Het gebeurde namelijk eens, toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de gesneuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde,

16want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid.

17Maar Hadad vluchtte, hij en enige Edomitische mannen uit de dienaren van zijn vader met hem, om in Egypte te komen. Hadad was toen nog een kleine jongen.

18Zij vertrokken11:18 vertrokken - Letterlijk: Zij stonden op. uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen zij mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij de farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zegde hem voedsel toe en gaf hem land.

19Verder vond Hadad zoveel genade in de ogen van de farao, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster van koningin Tachpenes, tot vrouw gaf.

20En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon, Genubath, en Tachpenes bracht hem groot11:20 bracht hem groot - Letterlijk: nam hem van de borst. in het huis van de farao. Genubath was in het huis van de farao te midden van de zonen van de farao.

21Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land.

22De farao zei echter tegen hem: Waaraan ontbreekt het u bij mij dat, zie, u naar uw land wilt trekken? En hij zei: Aan niets, maar laat mij evenwel gaan.

23

11:23
2 Sam. 8:3
10:18
God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadadezer, de koning van Zoba,

24tegen wie hij,

11:24
2 Sam. 8:3
toen David hen doodde, mannen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus.

25En al de dagen van Salomo was hij tegenstander van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad deed, want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.

Profetie van Ahia voor Jerobeam

26Ook

11:26
2 Kron. 13:6
Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een dienaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand tegen de koning.11:26 kwam in opstand - Letterlijk: hief de hand op; zie ook vers 27.

27Dit is de reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam: Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.

28Nu was de man Jerobeam een harde werker.11:28 een harde werker - Letterlijk: een strijdbare held. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk verrichtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden11:28 de hele lichting werklieden - Letterlijk: de hele last. van het huis van Jozef.

29Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld.

30Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken.

31Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël:

11:31
1 Sam. 15:28
Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven.

32Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen,

33omdat zij Mij hebben verlaten en zich neergebogen hebben voor Astarte, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van de Moabieten, en voor Milkom, de god van de Ammonieten, en niet in Mijn wegen gegaan zijn door te doen wat juist is in Mijn ogen en Mijn verordeningen en bepalingen te houden, zoals zijn vader David.

34Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verordeningen in acht heeft genomen.

35Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven.

36En aan zijn zoon zal Ik één stam geven,

11:36
1 Kon. 15:4
Ps. 132:17
zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.

37Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël.

38En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend koningshuis zal bouwen, zoals Ik dat voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israël geven.

39Ik zal hiertoe het nageslacht van David vernederen, maar niet voor alle dagen.

40Salomo wilde Jerobeam doden, maar Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf.

41Het

11:41
2 Kron. 9:29
overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo?

42De tijd11:42 de tijd - Letterlijk: de dagen. nu dat Salomo in Jeruzalem over heel Israël regeerde,

11:42
2 Kron. 9:30
was veertig jaar.

43Daarna ging Salomo te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David, en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.