Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Het eten van offervlees

81En wat de afgodenoffers betreft: wij weten dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde bouwt op.

2En als iemand denkt iets te weten, dan heeft hij nog niets leren kennen zoals men behoort te kennen.

3Maar als iemand God liefheeft, is hij door Hem gekend.

4

8:4
Rom. 14:14
Wat dus het eten van afgodenoffers betreft: wij weten
8:4
1 Kor. 10:19
dat een afgod niets is in de wereld
8:4
Deut. 4:39
Efez. 4:6
en dat er geen andere God is dan Eén.

5Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),

6

8:6
Mal. 2:10
Efez. 4:6
toch is er voor ons maar één God: de Vader,
8:6
Rom. 11:36
uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en
8:6
Joh. 13:13
1 Kor. 12:3
Filipp. 2:11
één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.

7Maar niet in allen is deze kennis, want

8:7
1 Kor. 10:28
sommigen, die in hun geweten tot nu toe niet los zijn van de afgod, eten het vlees als afgodenoffer, en hun geweten, dat zwak is, wordt bevlekt.

8

8:8
Rom. 14:17
Voedsel nu brengt ons niet dichter bij God, want hetzij dat wij eten, wij zijn er bij God niet meer om; en hetzij dat wij niet eten, wij zijn er bij God niet minder om.

9

8:9
Gal. 5:13
Maar let erop dat deze vrijheid8:9 vrijheid - Letterlijk: (vol)macht. van u niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn.

10Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden8:10 er … toe aangezet worden - Letterlijk: gebouwd worden. om afgodenoffers te eten?

11

8:11
Rom. 14:15
En zal zo de broeder die zwak is door uw kennis verloren gaan, een broeder voor wie Christus gestorven is?

12Door zó te zondigen tegen de broeders en hen in hun geweten, dat zwak is, te treffen, zondigt u tegen Christus.

13

8:13
Rom. 14:21
2 Kor. 11:29
Daarom, als het voedsel mijn broeder doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, opdat ik mijn broeder geen oorzaak geef tot struikelen.

9

Vrijheid en rechten van Paulus

91Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij?

9:1
Hand. 9:3,17
22:14,18
23:11
1 Kor. 15:8
2 Kor. 12:2
Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere, gezien?
9:1
1 Kor. 4:15
Bent u niet mijn werk in de Heere?

2Als ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik het toch wel voor u, want u bent het zegel van mijn apostelschap in de Heere.

3Dit is mijn verdediging tegenover hen die mij beoordelen.

4

9:4
Vers
Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken?

5Hebben wij niet het recht om een zuster als vrouw mee te nemen, zoals ook de andere apostelen, en de broers van de Heere, en

9:5
Matt. 8:14
Kefas?

6Of hebben alleen ik en Barnabas geen recht om niet te werken?

7Wie

9:7
2 Kor. 10:4
dient ooit in het leger en betaalt zijn eigen soldij? Wie
9:7
1 Kor. 3:6,7,8
plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht? Of wie
9:7
Joh. 21:15
1 Petr. 5:2
weidt een kudde en voedt zich niet met de melk van de kudde?

8Spreek ik dit naar de mens? Of zegt ook de wet niet hetzelfde?

9Want in de wet van Mozes staat geschreven:

9:9
Deut. 25:4
1 Tim. 5:18
U mag een dorsende os niet muilbanden. Bekommert God Zich alleen maar om de ossen?

10Of zegt Hij dit vooral om ons? Jawel, om ons is geschreven dat wie ploegt, in hoop hoort te ploegen, en dat wie in hoop dorst, het deel waarop hij hoopt, hoort te krijgen.

11

9:11
Rom. 15:27
Gal. 6:6
Als wij bij u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel als wij van u het stoffelijke oogsten?

12Als anderen aan dit recht over u deelhebben, waarom wij niet des te meer?

9:12
Hand. 20:33
2 Kor. 11:9
12:13
Wij hebben echter van dit recht geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles, opdat wij geen enkele hindernis opwerpen voor het Evangelie van Christus.

13Weet u niet

9:13
Deut. 18:1
dat zij die de tempeldienst9:13 tempeldienst - Letterlijk: de heilige dingen. verrichten, van het heilige eten? En dat zij die steeds bij het altaar verkeren, hun deel ontvangen van de offers van het altaar?

14

9:14
Lev. 19:13
Deut. 24:14
25:4
Matt. 10:10
Luk. 10:7
1 Tim. 5:18
Zo heeft de Heere ook met het oog op hen die het Evangelie verkondigen, opgedragen dat zij van het Evangelie leven.

15Ik heb hiervan echter geen gebruik gemaakt. En ik schrijf dit niet opdat dit mij alsnog ten deel zal vallen, want ik zou liever sterven dan dat iemand mijn roem van zijn inhoud zou ontdoen.

16Als ik het Evangelie verkondig, is er voor mij namelijk geen reden tot roem.

9:16
Rom. 1:14
De noodzaak daarvan is mij immers opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!

17Want als ik dat vrijwillig doe, heb ik recht op loon, maar als ik het onwillig doe, is het beheer van het Evangelie mij toch toevertrouwd.

18Wat voor loon heb ik dan? Dat ik, bij de evangelieverkondiging, het Evangelie van Christus kosteloos maak, om geen gebruik te maken van mijn recht als verkondiger van het Evangelie.

19Want terwijl ik vrij ben van allen, heb ik mijzelf toch voor allen tot slaaf gemaakt om meer mensen te winnen.

20

9:20
Hand. 16:3
18:18
21:23
En ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen.

21

9:21
Gal. 2:3
Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn.

22

9:22
Rom. 15:1
1 Kor. 10:33
Gal. 6:1
Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden.

23En dit doe ik ter wille van het Evangelie, opdat ik daarvan ook zelf deelgenoot zou worden.

24Weet u niet dat zij die in

9:24
Gal. 2:2
5:7
Filipp. 2:16
2 Tim. 4:7
Hebr. 6:18
de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die verkrijgt.

25

9:25
2 Tim. 2:4
En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om
9:25
2 Tim. 4:8
1 Petr. 1:4
5:4
een onvergankelijke te ontvangen.

26Ik loop daarom niet zonder duidelijk doel en ik vecht zó met de vuist dat ik niet maar wat in de lucht sla.

27Maar ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar, opdat ik niet misschien, na anderen gepredikt te hebben, zelf verwerpelijk word.

10

Israël een waarschuwend voorbeeld

101En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt

10:1
Ex. 13:21
Num. 9:18
Deut. 1:33
Neh. 9:12,19
Ps. 78:14
105:39
dat onze vaderen allen onder de wolk waren en
10:1
Ex. 14:22
Joz. 4:23
Ps. 78:13
allen door de zee zijn gegaan,

2en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,

3

10:3
Ex. 16:15
en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben,

4

10:4
Ex. 17:6
Num. 20:11
Ps. 78:15
en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben. Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots, die hen volgde; en die rots was Christus.

5Maar in de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad,

10:5
Num. 26:65
want zij zijn neergeveld in de woestijn.

6En deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons, opdat wij niet zouden verlangen naar kwade dingen,

10:6
Num. 11:4,33
Ps. 106:14
zoals ook zij verlangd hebben.

7En word geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat:

10:7
Ex. 32:6
Het volk ging zitten om te eten en te drinken en zij stonden op om te feesten.10:7 feesten - Letterlijk: spelen.

8En laten wij geen hoererij bedrijven,

10:8
Num. 25:1,9
Ps. 106:29
zoals sommigen van hen hoererij bedreven hebben, en op één dag vielen er drieëntwintigduizend.

9En laten wij Christus niet verzoeken,

10:9
Num. 21:5
Ps. 106:14
zoals ook sommigen van hen Hem verzocht hebben en door de slangen omgekomen zijn.

10En mor niet,

10:10
Ex. 16:2
17:2
Num. 14:36
Ps. 106:25
zoals ook sommigen van hen gemord hebben en omgekomen zijn door de verderver.

11Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons,

10:11
Rom. 15:4
1 Kor. 9:10
en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons,
10:11
Filipp. 4:5
Hebr. 10:25
over wie het einde van de eeuwen gekomen is.

12Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt.

13Meer dan een menselijke verzoeking is u niet overkomen.

10:13
1 Kor. 1:8
1 Thess. 5:24
2 Petr. 2:9
En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.

Avondmaal en afgoderij

14Daarom, mijn geliefden, vlucht weg van de afgodendienst.

15Ik spreek toch tot u als tot verstandige mensen, beoordeelt u dan zelf wat ik zeg.

16De drinkbeker der dankzegging, die wij met dankzegging zegenen, is die niet de gemeenschap met het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus?

17Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn,

10:17
Rom. 12:5
1 Kor. 12:27
één lichaam, want wij allen hebben deel aan het ene brood.

18Let op het Israël naar het vlees: hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?

19Wat zeg ik hiermee dan?

10:19
1 Kor. 8:4
Dat een afgod iets is, of dat een afgodenoffer iets is?

20Nee, ik zeg dit omdat wat de heidenen offeren,

10:20
Lev. 17:7
Deut. 32:17
zij dat aan demonen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u met de demonen gemeenschap hebt.

21U kunt niet de drinkbeker van de Heere drinken én de drinkbeker van de demonen. U kunt niet deelhebben aan de tafel van de Heere én aan de tafel van de demonen.

22Of willen wij de Heere tot jaloersheid verwekken? Wij zijn toch niet sterker dan Hij?

De christelijke vrijheid

23

10:23
1 Kor. 6:12
Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen bouwen op.

24

10:24
1 Kor. 13:5
Filipp. 2:4
Laat niemand zijn eigen voordeel zoeken, maar ieder dat van de ander.

25Eet alles wat in de vleeshal verkocht wordt, zonder naar iets navraag te doen omwille van het geweten.

26

10:26
Ex. 19:5
Ps. 24:1
50:12
Van de Heere immers is de aarde en haar volheid.

27En als iemand van de ongelovigen u uitnodigt, en u wilt naar hem toe gaan,

10:27
Luk. 10:7
eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder naar iets navraag te doen
10:27
1 Kor. 8:7
omwille van het geweten.

28Indien echter iemand tegen u zegt: Dat is een afgodenoffer, eet het dan niet, omwille van hem die u dat te kennen gaf en omwille van het geweten. Van de Heere immers is de aarde en haar volheid.

29Ik heb het echter niet over uw eigen geweten, maar over dat van de ander. Immers, waarom zou mijn vrijheid onder het oordeel vallen van het geweten van een ander?

30En als ik door genade aan de maaltijd deelneem, waarom word ik dan gelasterd om iets

10:30
Rom. 14:6
1 Tim. 4:3
waarvoor ik dank?

31

10:31
Kol. 3:17
Of u dus eet of drinkt of iets anders doet, doe alles tot eer van God.

32

10:32
Rom. 14:13
Geef geen aanstoot, niet aan de Joden en de Grieken, en ook niet aan de gemeente van God,

33zoals ik ook in alles allen behaag, door niet mijn eigen voordeel te zoeken, maar dat van velen, opdat zij

10:33
1 Kor. 9:22
behouden worden.