Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Rechtszaken tussen broeders

61Durft iemand van u, die een geschil heeft met een ander, zijn recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?

2

6:2
Matt. 19:28
Luk. 22:30
Weet u niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, zou u dan ongeschikt zijn voor de meest onbeduidende rechtszaken?

3Weet u niet dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer dan alledaagse dingen?

4Als u dus rechtszaken hebt over alledaagse dingen, stel dan hen aan die in de gemeente niet in aanzien zijn.

5Tot beschaming zeg ik u dit. Is er dan onder u niemand die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?

6Integendeel, de ene broeder spant tegen de andere broeder een rechtszaak aan, en dat voor ongelovigen.

7Dan is er al volledig sprake van verlies onder u, dat u onder elkaar rechtszaken hebt.

6:7
Spr. 20:22
Matt. 5:39
Rom. 12:17
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever benadelen?

8U echter doet onrecht en benadeelt, en dat nog wel aan broeders!

9Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven?

10Dwaal niet!

6:10
Gal. 5:19
Efez. 5:5
Openb. 22:15
Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven.

11

6:11
Efez. 2:2
Kol. 3:7
Tit. 3:3
Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent
6:11
Hebr. 10:22
schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.

Het lichaam een tempel

12

6:12
1 Kor. 10:23
Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen.

13Het voedsel is voor de buik en de buik voor het voedsel, maar God zal zowel het één als het ander tenietdoen. Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam.

14

6:14
Rom. 8:11
2 Kor. 4:14
En God heeft niet alleen de Heere opgewekt, maar zal ook ons opwekken door Zijn kracht.

15Weet u niet dat uw lichamen leden zijn van Christus? Zal ik dan de leden van Christus nemen en die maken tot leden van een hoer? Volstrekt niet!

16Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt, één lichaam met haar is?

6:16
Gen. 2:24
Matt. 19:5
Mark. 10:8
Efez. 5:31
Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees zijn.

17Wie zich echter met de Heere verenigt, is één geest met Hem.

18Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.

19Of weet u niet,

6:19
1 Kor. 3:16
2 Kor. 6:16
Efez. 2:21
Hebr. 3:6
1 Petr. 2:5
dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?

20

6:20
1 Kor. 7:23
Gal. 3:13
Hebr. 9:12
1 Petr. 1:18
U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.

7

Het huwelijksleven

71Wat nu de dingen betreft waarover u mij geschreven hebt: het is goed voor een mens om geen vrouw aan te raken.

2Maar laat vanwege allerlei vormen van hoererij iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

3

7:3
1 Petr. 3:7
Laat de man aan zijn vrouw de verschuldigde bereidwilligheid betonen en evenzo ook de vrouw aan haar man.

4De vrouw heeft niet de beschikking over haar eigen lichaam, maar de man. En evenzo heeft ook de man niet de beschikking over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.

5

7:5
Joël 2:16
Onttrek u niet aan elkaar, behalve dan met onderling goedvinden voor een bepaalde tijd, om u te wijden aan vasten en bidden. Kom daarna weer bij elkaar, opdat de satan u niet zal verzoeken omdat u zich niet kunt onthouden.

6Dit zeg ik echter als tegemoetkoming, niet als bevel.

7

7:7
Hand. 26:29
Want ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ikzelf,
7:7
Matt. 19:12
1 Kor. 12:11
maar ieder heeft zijn eigen genadegave van God, de één op deze wijze, de ander op die wijze.

8Maar ik zeg tegen de ongehuwden en de weduwen: Het is goed voor hen, als zij blijven zoals ik.

9

7:9
1 Tim. 5:14
Maar als zij zich niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen, want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.

Over echtscheiding

10Maar de gehuwden beveel ik – niet ik, maar de Heere –

7:10
Mal. 2:14
Matt. 5:32
19:9
Mark. 10:11
Luk. 16:18
dat een vrouw niet zal scheiden van haar man

11– en als zij toch gaat scheiden, moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen – en dat een man zijn vrouw niet zal verlaten.

12Maar tegen de anderen zeg ík, niet de Heere: Als een broeder een ongelovige vrouw heeft en zij er van harte mee instemt bij hem te wonen, moet hij haar niet verlaten.

13En als een vrouw een ongelovige man heeft en deze stemt er van harte mee in bij haar te wonen, moet zij hem niet verlaten.

14Want de ongelovige man is geheiligd door zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door haar man. Anders waren immers uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

15Maar als de ongelovige scheiden wil, laat hij scheiden. De broeder of de zuster is in zulke gevallen niet gebonden. God heeft ons echter tot vrede geroepen.

16

7:16
1 Petr. 3:1
Want hoe weet u, vrouw, of u uw man zult behouden? Of hoe weet u, man, of u uw vrouw zult behouden?

Verschillende roeping

17Maar zoals God aan ieder heeft toebedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, zó moet hij wandelen. En zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.

18Is iemand als besnedene geroepen, dan moet hij die besnijdenis niet ongedaan laten maken. Is iemand geroepen die onbesneden is,7:18 die onbesneden is - Letterlijk: die de voorhuid heeft; zie ook vers 19. dan moet hij zich niet laten besnijden.

19Besneden zijn is niets en onbesneden zijn is niets, maar het in acht nemen van de geboden van God.

20

7:20
Efez. 4:1
Filipp. 1:27
Kol. 1:10
1 Thess. 2:12
Laat ieder blijven in de roeping waarin hij geroepen is.

21Bent u als slaaf geroepen, dan moet u zich daarover niet bekommeren. Kunt u echter ook vrij worden, maak dan liever van die gelegenheid gebruik.

22Wie namelijk als slaaf geroepen is in de Heere, is een vrijgelatene van de Heere. Evenzo is hij die als vrije geroepen is, een slaaf van Christus.

23

7:23
1 Kor. 6:20
Hebr. 9:12
1 Petr. 1:18
U bent duur gekocht; word dus geen slaven van mensen.

24Laat ieder voor het aangezicht van God blijven, broeders, in de staat waarin hij geroepen is.

Ongehuwd zijn

25Wat betreft hen die nog maagd zijn, heb ik geen bevel van de Heere. Ik geef echter mijn mening als iemand die barmhartigheid van de Heere heeft gekregen om trouw te zijn.

26Ik denk dat dit goed is met het oog op de aanstaande nood,7:26 de aanstaande nood - Of: de tegenwoordige nood. namelijk dat het voor een mens goed is om zo te zijn.

27Bent u aan een vrouw verbonden, zoek geen losmaking. Bent u vrij van een vrouw, zoek dan geen vrouw.

28Maar ook als u trouwt, zondigt u niet. Ook als een meisje dat nog maagd is, trouwt, zondigt zij niet. Zulke mensen echter zullen wel verdrukking hebben in het vlees en dat wil ik u besparen.

29Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd beperkt is. Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben,

30en zij die huilen, alsof zij niet huilen, en zij die blij zijn, alsof zij niet blij zijn, en zij die kopen, alsof zij niet bezitten,

31en zij die van deze wereld gebruikmaken, alsof zij die niet gebruiken.

7:31
Jes. 40:6
Jak. 1:10
4:14
1 Petr. 1:24
1 Joh. 2:17
Immers, de gedaante van deze wereld gaat voorbij.

32En ik wil dat u zonder zorgen bent.

7:32
1 Tim. 5:5
De ongehuwde draagt zorg voor de dingen van de Heere, hoe hij de Heere zal behagen.

33Wie echter gehuwd is, draagt zorg voor de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw zal behagen.

34Er is onderscheid tussen de gehuwde vrouw en het meisje dat nog maagd is. De ongehuwde draagt zorg voor de dingen van de Heere om zowel naar lichaam als naar geest heilig te zijn. Zij echter die gehuwd is, draagt zorg voor de dingen van de wereld, hoe zij haar man zal behagen.

35En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet om een strik over u heen te werpen, maar om u te leiden tot eerbaar gedrag en blijvende toewijding aan de Heere, zonder afgeleid te worden.

36Maar als iemand denkt dat hij ongepast handelt ten opzichte van zijn aanstaande vrouw7:36 Een andere keuze van vertalen is dat het hier gaat om een vader met het oog op het uithuwelijken van zijn dochter; zie ook vers 37. die nog maagd is, als de jaren van haar jeugd voorbij zijn en het op deze wijze behoort te gebeuren, laat hij doen wat hij wil, hij zondigt niet: laten zij trouwen.

37Maar wie in zijn hart vastbesloten is en er niet toe genoodzaakt wordt, maar macht heeft over zijn eigen wil en in zijn hart besloten heeft dat hij zijn eigen aanstaande vrouw die nog maagd is, zo zal houden, die handelt ook goed.

38Dus: ook wie ten huwelijk geeft, handelt goed, maar wie niet ten huwelijk geeft, handelt beter.

39

7:39
Rom. 7:2
Een vrouw is door de wet gebonden, zolang haar man leeft. Als haar man echter ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, maar alleen in de Heere.

40Maar zij is gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn mening. En ik denk ook dat ik

7:40
1 Thess. 4:8
de Geest van God heb.

8

Het eten van offervlees

81En wat de afgodenoffers betreft: wij weten dat wij allen kennis bezitten. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde bouwt op.

2En als iemand denkt iets te weten, dan heeft hij nog niets leren kennen zoals men behoort te kennen.

3Maar als iemand God liefheeft, is hij door Hem gekend.

4

8:4
Rom. 14:14
Wat dus het eten van afgodenoffers betreft: wij weten
8:4
1 Kor. 10:19
dat een afgod niets is in de wereld
8:4
Deut. 4:39
Efez. 4:6
en dat er geen andere God is dan Eén.

5Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),

6

8:6
Mal. 2:10
Efez. 4:6
toch is er voor ons maar één God: de Vader,
8:6
Rom. 11:36
uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en
8:6
Joh. 13:13
1 Kor. 12:3
Filipp. 2:11
één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.

7Maar niet in allen is deze kennis, want

8:7
1 Kor. 10:28
sommigen, die in hun geweten tot nu toe niet los zijn van de afgod, eten het vlees als afgodenoffer, en hun geweten, dat zwak is, wordt bevlekt.

8

8:8
Rom. 14:17
Voedsel nu brengt ons niet dichter bij God, want hetzij dat wij eten, wij zijn er bij God niet meer om; en hetzij dat wij niet eten, wij zijn er bij God niet minder om.

9

8:9
Gal. 5:13
Maar let erop dat deze vrijheid8:9 vrijheid - Letterlijk: (vol)macht. van u niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn.

10Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden8:10 er … toe aangezet worden - Letterlijk: gebouwd worden. om afgodenoffers te eten?

11

8:11
Rom. 14:15
En zal zo de broeder die zwak is door uw kennis verloren gaan, een broeder voor wie Christus gestorven is?

12Door zó te zondigen tegen de broeders en hen in hun geweten, dat zwak is, te treffen, zondigt u tegen Christus.

13

8:13
Rom. 14:21
2 Kor. 11:29
Daarom, als het voedsel mijn broeder doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, opdat ik mijn broeder geen oorzaak geef tot struikelen.