Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Dienaren van Christus

41Laat ieder mens ons zó beschouwen, namelijk

4:1
Matt. 24:45
2 Kor. 6:4
Kol. 1:25
Tit. 1:7
als dienaren van Christus en beheerders van de geheimenissen van God.

2En verder wordt van de beheerders verlangd

4:2
Luk. 12:42
dat zij betrouwbaar blijken te zijn.

3Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel.4:3 menselijk oordeel - Letterlijk: menselijke dag. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.

4Want ik ben mij van niets bewust,

4:4
Ex. 34:7
Job 9:2
Ps. 143:2
maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heere.

5

4:5
Matt. 7:1
Rom. 2:1
Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt.
4:5
Dan. 7:10
Openb. 20:12
Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen.

6Deze dingen nu, broeders, heb ik ter wille van u op mijzelf en Apollos toegepast, met de bedoeling dat u van ons leert

4:6
Spr. 3:7
Rom. 12:3
niets te bedenken boven wat er geschreven staat, opdat niemand zich ten gunste van de een boven de ander verheft.

7Want wie maakt onderscheid tussen u?

4:7
Joh. 3:27
Jak. 1:17
En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?

8U bent al verzadigd, u bent al rijk geworden, u bent al gaan regeren zonder ons. Regeerde u ook maar, opdat ook wij met u zouden mogen regeren!

9Want ik denk dat God ons, de laatste apostelen, heeft tentoongesteld

4:9
Ps. 44:23
Rom. 8:36
2 Kor. 4:11
als mensen die ter dood veroordeeld zijn. Wij zijn immers
4:9
Hebr. 10:33
een schouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen.

10

4:10
1 Kor. 2:3
Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar u bent wijs in Christus, wij zwak, maar u sterk, u geëerd, maar wij veracht.

11Tot op dit moment lijden wij én honger én dorst, én zijn wij naakt, én worden wij met vuisten

4:11
Hand. 23:2
geslagen, én hebben wij geen vaste woonplaats,

12

4:12
Hand. 18:3
20:34
1 Thess. 2:9
2 Thess. 3:8
én spannen wij ons in door met onze eigen handen te werken. Worden wij uitgescholden,
4:12
Matt. 5:44
Luk. 6:28
23:34
Hand. 7:60
Rom. 12:14
dan zegenen wij. Worden wij vervolgd, dan verdragen wij.

13Worden wij belasterd, dan bidden wij. Wij zijn geworden als het uitvaagsel van de wereld en het afschraapsel van allen tot nu toe.

14Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar

4:14
1 Thess. 2:11
als mijn geliefde kinderen wijs ik u terecht.

15Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, daarmee hebt u nog niet vele vaders:

4:15
Hand. 18:11
Gal. 4:19Jak. 1:18
in Christus Jezus heb ík u immers door het Evangelie verwekt.

16Ik roep u er dus toe op:

4:16
1 Kor. 11:1
Filipp. 3:17
1 Thess. 1:6
2 Thess. 3:9
word mijn navolgers.

17Daarom heb ik Timotheüs naar u toe gestuurd, die mijn geliefde en trouwe zoon is in de Heere. Hij zal u in herinnering brengen mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik overal in elke gemeente onderwijs.

18Maar sommigen hebben zich heel gewichtig voorgedaan, alsof ik niet naar u toe zou komen.

19Maar ik zal spoedig naar u toe komen,

4:19
Hand. 18:21
Hebr. 6:3
Jak. 4:15
zo de Heere wil. En ik zal dan van hen die zich zo gewichtig hebben voorgedaan, niet de woorden leren kennen, maar de kracht.

20

4:20
1 Kor. 2:4
1 Thess. 1:5
2 Petr. 1:16
Want het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht.

21Wat wilt u? Moet ik met de roede naar u toe komen, of in liefde en in een geest van zachtmoedigheid?

5

Zedeloosheid in de gemeente

51Men hoort algemeen dat er hoererij onder u voorkomt, en wel zo'n vorm van hoererij waarvan zelfs onder de heidenen geen sprake is, namelijk dat iemand

5:1
Lev. 18:8
Deut. 27:20
de vrouw van zijn vader heeft.

2En u doet zich zo gewichtig voor. Kunt u niet beter treuren, om dan hem die deze daad begaan heeft, uit uw midden weg te doen?

3

5:3
Kol. 2:5
Ik heb, hoewel afwezig met het lichaam, maar aanwezig met de geest, namelijk reeds besloten – alsof ik aanwezig was – om hem die dat zo gedaan heeft,

4in de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest bijeengekomen zijn, in de kracht van onze Heere Jezus Christus,

5

5:5
1 Tim. 1:20
over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus.

6Uw roem is niet goed.

5:6
Gal. 5:9
Weet u niet dat een klein beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?

7Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons

5:7
Jes. 53:7
Joh. 1:29
1 Kor. 15:3
Paaslam5:7 Paaslam - Letterlijk: Pascha. is voor ons geslacht: Christus.

8Laten wij dus

5:8
Ex. 12:3,15
feestvieren, niet met
5:8
Deut. 16:3
oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

9Ik heb u geschreven in de brief

5:9
Deut. 7:2
Matt. 18:17
2 Kor. 6:14
Efez. 5:11
2 Thess. 3:14
dat u zich niet moet inlaten met ontuchtplegers.

10Echter, niet in het algemeen met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de hebzuchtigen, of rovers, of afgodendienaars, want dan zou u uit de wereld moeten gaan.

11Maar nu heb ik u geschreven dat u zich niet moet inlaten met iemand die, terwijl hij een broeder wordt genoemd, een ontuchtpleger is, of een hebzuchtige, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover.

5:11
Num. 12:14
Matt. 18:17
2 Thess. 3:14
Met zo iemand moet u zelfs niet eten.

12Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn?

13Maar hen die buiten zijn, oordeelt God.

5:13
Deut. 13:5
En doe de kwaaddoener uit uw midden weg.

6

Rechtszaken tussen broeders

61Durft iemand van u, die een geschil heeft met een ander, zijn recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?

2

6:2
Matt. 19:28
Luk. 22:30
Weet u niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, zou u dan ongeschikt zijn voor de meest onbeduidende rechtszaken?

3Weet u niet dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer dan alledaagse dingen?

4Als u dus rechtszaken hebt over alledaagse dingen, stel dan hen aan die in de gemeente niet in aanzien zijn.

5Tot beschaming zeg ik u dit. Is er dan onder u niemand die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?

6Integendeel, de ene broeder spant tegen de andere broeder een rechtszaak aan, en dat voor ongelovigen.

7Dan is er al volledig sprake van verlies onder u, dat u onder elkaar rechtszaken hebt.

6:7
Spr. 20:22
Matt. 5:39
Rom. 12:17
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever benadelen?

8U echter doet onrecht en benadeelt, en dat nog wel aan broeders!

9Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven?

10Dwaal niet!

6:10
Gal. 5:19
Efez. 5:5
Openb. 22:15
Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven.

11

6:11
Efez. 2:2
Kol. 3:7
Tit. 3:3
Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent
6:11
Hebr. 10:22
schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.

Het lichaam een tempel

12

6:12
1 Kor. 10:23
Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen.

13Het voedsel is voor de buik en de buik voor het voedsel, maar God zal zowel het één als het ander tenietdoen. Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam.

14

6:14
Rom. 8:11
2 Kor. 4:14
En God heeft niet alleen de Heere opgewekt, maar zal ook ons opwekken door Zijn kracht.

15Weet u niet dat uw lichamen leden zijn van Christus? Zal ik dan de leden van Christus nemen en die maken tot leden van een hoer? Volstrekt niet!

16Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt, één lichaam met haar is?

6:16
Gen. 2:24
Matt. 19:5
Mark. 10:8
Efez. 5:31
Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees zijn.

17Wie zich echter met de Heere verenigt, is één geest met Hem.

18Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.

19Of weet u niet,

6:19
1 Kor. 3:16
2 Kor. 6:16
Efez. 2:21
Hebr. 3:6
1 Petr. 2:5
dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?

20

6:20
1 Kor. 7:23
Gal. 3:13
Hebr. 9:12
1 Petr. 1:18
U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]