Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De nakomelingen van Issaschar

71De zonen van

7:1
Gen. 46:13
Num. 26:23
Issaschar waren Tola, Pua, Jasib en Simron: vier zonen.

2De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. Zij waren familiehoofden van Tola en strijdbare helden onder hun afstammelingen. Hun aantal was in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd.

3De zoon van Uzzi was Jizrahja; en de zonen van Jizrahja waren Michaël, Obadja, Joël en Jissia. Zij waren alle vijf familiehoofden.

4Onder hen waren, ingedeeld naar hun afstammelingen en hun families, zesendertigduizend man aan gevechtstroepen, want zij hadden veel vrouwen en zonen.

5Hun broeders, uit alle geslachten van Issaschar, strijdbare helden, telden zevenentachtigduizend man, allen in de geslachtsregisters ingeschreven.

De nakomelingen van Benjamin

6

7:6
Gen. 46:21
Num. 26:38
1 Kron. 8:1
De zonen van Benjamin waren Bela, Becher en Jediaël: drie zonen.

7De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig man.

8De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abia, Anathoth en Alemeth. Deze allen waren zonen van Becher.

9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming en hun familiehoofden, telden dezen twintigduizend tweehonderd man, strijdbare helden.

10De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zethan, Tarsis en Ahisahar.

11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. Hun families telden zeventienduizend tweehonderd man, die met het leger uittrokken tot de strijd.

De nakomelingen van Dan en Naftali

12Suppim en Huppim waren zonen van Ir, en Husim was zoon van Aher.

13De zonen van Naftali waren Jahziël, Guni, Jezer en Sallum, kleinzonen van Bilha.

De nakomelingen van Manasse

14De zoon van Manasse was Asriël, die zijn vrouw hem baarde. Maar zijn bijvrouw, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead.

15Machir nam de zuster van Huppim en van Suppim tot vrouw. Haar naam was Maächa, en de naam van de tweede zoon was Zelafead. Zelafead had dochters.

16Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Peres. De naam van zijn broer was Seres; zijn zonen waren Ulam en Rekem.

17De zoon van Ulam was Bedan. Dit zijn de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse.

18Wat zijn zuster Molecheth betreft, zij baarde Ishod, Abiëzer en Mahela.

19De zonen van Semida waren Ahjan, Sechem, Likhi en Aniam.

De nakomelingen van Efraïm

20De

7:20
Num. 26:35
zoon van Efraïm was Sutelah; diens zoon was Bered, diens zoon Tahath, diens zoon Elada, diens zoon Tahath,

21diens zoon Zabad, diens zonen Sutelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, want zij waren gekomen om hun vee weg te nemen.

22Daarop rouwde Efraïm, hun vader, vele dagen en zijn broers kwamen om hem te troosten.

23Daarna kwam hij bij zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde een zoon; hij gaf hem de naam Beria,7:23 Beria - De naam Beria wordt in verband gebracht met een Hebreeuwse uitdrukking die ‘in het kwaad’ betekent. omdat zij in een tijd van onheil in zijn huis was.

24Zijn dochter was Seëra, die bouwde Laag-Beth-Horon, Hoog-Beth-Horon en Uzzen-Seëra.

25Refah was zijn zoon, evenals Resef; diens zoon was Telah, diens zoon Tahan,

26diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama,

27diens zoon Non en diens zoon Jozua.

28

7:28
Joz. 16:1
Hun bezit en hun woongebied was Bethel met de bijbehorende plaatsen, in het oosten Naäran, in het westen Gezer met de bijbehorende plaatsen, en ook Sichem met de bijbehorende plaatsen, tot aan Ajja met de bijbehorende plaatsen.

29In handen van de zonen van Manasse waren Beth-Sean met de bijbehorende plaatsen, Taänach met de bijbehorende plaatsen, Megiddo met de bijbehorende plaatsen, en Dor met de bijbehorende plaatsen. Daarin hebben de nakomelingen van Jozef, de zoon van Israël, gewoond.

De nakomelingen van Aser

30

7:30
Gen. 46:17
Num. 26:44
De zonen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi en Beria; Sera was hun zuster.

31De zonen van Beria waren Heber en Malchiël, dat is de vader van Birzavith.

32Heber verwekte Jaflet, Somer, Hotham, en Sua, hun zuster.

33De zonen van Jaflet waren Pasach, Bimhal en Asvath. Dit waren de zonen van Jaflet.

34De zonen van Semer waren Ahi, Rohega, Jehubba en Aram.

35De zonen van zijn broer Helem waren Zofah, Jimna, Seles en Amal.

36De zonen van Zofah waren Suah, Harnefer, Sual, Beri, Jimra,

37Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jithran en Beëra.

38De zonen van Jether waren Jefunne, Pispa en Ara.

39De zonen van Ulla waren Arah, Hanniël en Rizja.

40Deze allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten. Zij werden in de geslachtsregisters ingeschreven voor het leger in geval van oorlog; hun aantal was zesentwintigduizend man.

8

De nakomelingen van Benjamin

81Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, Ahrah, de derde,

2Naho, de vierde, Rafa, de vijfde.

3Bela had deze zonen: Addar, Gera, Abihud,

4Abisua, Naäman, Ahoah,

5Gera, Sefufan en Huram.

6Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath,

7met Naäman, Ahia en Gera. Deze heeft hen weggevoerd; ook verwekte hij Uzza en Ahihud.

8En Saharaïm verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggestuurd had) bij Husim en Baära, zijn vrouwen.

9Bij zijn vrouw Hodes verwekte hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcam,

10Jeüz, Sochja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, familiehoofden.

11En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl.

12De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam, Semed (hij heeft Ono gebouwd en Lod met de bijbehorende plaatsen),

13Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven).

14Ahio, Sasak, Jeremoth,

15Zebadja, Arad, Eder,

16Michaël, Jispa en Joha waren zonen van Beria.

17Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber,

18Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl.

19Jakim, Zichri, Zabdi,

20Eljoënai, Zillethai, Eliël,

21Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï.

22Jispan, Eber, Eliël,

23Abdon, Zichri, Hanan,

24Hananja, Elam, Antothia,

25Jifdeja en Pnuel waren zonen van Sasak.

26Samserai, Seharja, Athalja,

27Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham.

28Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.

Het geslacht van Saul

29Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, en de naam van zijn vrouw was Maächa.

30Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Nadab,

31Gedor, Ahio en Zecher.

32En Mikloth verwekte Simea. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun overige broeders.

33Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchisua, Abinadab en Esbaäl.

34De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en

8:34
2 Sam. 9:12
Merib-Baäl verwekte Micha.

35De zonen van Micha waren Pithon, Melech, Taärea en Achaz.

36En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza,

37Moza verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel.

38Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Deze allen waren zonen van Azel.

39De zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde.

40De zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, die de boog spanden. Zij hadden veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig. Deze allen hoorden bij de nakomelingen van Benjamin.

9

Jeruzalem na de ballingschap

91Heel Israël werd in geslachtsregisters ingeschreven, en zie, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. De Judeeërs werden vanwege hun trouwbreuk in ballingschap gevoerd naar Babel.

2De eerste inwoners die zich in hun bezit, in hun steden, vestigden, waren Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempeldienaren.

3In Jeruzalem woonden van de nakomelingen van Juda, van de nakomelingen van Benjamin en van de nakomelingen van Efraïm en Manasse:

4Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de nakomelingen van Perez, de zoon van Juda.

5Van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene en zijn zonen.

6Van de zonen van Zerah: Jeüel, en van zijn broeders: zeshonderdnegentig man.

7Van de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavja, de zoon van Hassenua;

8Jibnea, de zoon van Jeroham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Rehuel, de zoon van Jibnia.

9Verder hun broeders, ingedeeld naar hun afstamming, negenhonderdzesenvijftig. Al deze mannen waren familiehoofden van hun families.

10Van de priesters: Jedaja, Jojarib, Jachin;

11Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de verantwoordelijke voor het huis van God;

12Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia; Masai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer,

13met hun broeders, hoofden van hun families, duizend zevenhonderdzestig strijdbare helden voor het dienstwerk in het huis van God.

14Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de nakomelingen van Merari;

15Bakbakkar, Heres, Galal en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf;

16Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die in de dorpen van de Netofathieten woonde.

17De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun broeders. Sallum was het hoofd,

18en tot nu toe staan zij op wacht bij de koningspoort aan de oostkant. Zij waren poortwachters bij de legerkampen van de Levieten.

19Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk als deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren.

20Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke leider van hen; de HEERE was met hem.

21Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de ingang van de tent van ontmoeting.

22Het totaal van hen die tot poortwachters bij de deuren waren gekozen, was tweehonderdtwaalf. Zij waren in hun dorpen in het geslachtsregister ingeschreven. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.

23Zij en hun zonen hielden de wacht bij de poorten van het huis van de HEERE, bij de tentwoning, overeenkomstig hun taken.

24Naar de vier windstreken waren die poortwachters opgesteld: naar het oosten, naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden.

25En hun broeders verbleven in hun dorpen om van tijd tot tijd zeven dagen dienst met hen te komen doen.

26Want in dat ambt waren zij de vier voornaamste poortwachters. Zij waren Levieten. Zij gingen over de voorraadkamers en over de schatkamers van het huis van God.

27Zij overnachtten rondom het huis van God, want deze taak rustte op hen; ook gingen zij over het openen van de poorten, en dat iedere morgen.

28Enkelen van hen gingen over de voorwerpen voor de dienst, want per aantal brachten zij die naar binnen en per aantal brachten zij die naar buiten;

29en anderen van hen waren aangesteld over de voorwerpen, namelijk over al de heilige voorwerpen, over de meelbloem, over de wijn, de olie, de wierook en de specerijen.

30Enkelen van de zonen van de priesters waren bereiders van het mengsel van specerijen.

31Mattithja, uit de Levieten, die de eerstgeborene was van Sallum, de Korachiet, had het ambt van toezichthouder over het bakwerk.

32Enkelen van de nakomelingen van de Kahathieten, van hun broeders, gingen over het uitgestalde brood, om dat sabbat na sabbat klaar te maken.

33Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de voorraadkamers; de verantwoordelijkheid voor hun eigen werk rustte immers dag en nacht op hen.

34Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, ingedeeld naar hun afstamming. Dezen woonden in Jeruzalem.

Het geslacht van Saul

35Te Gibeon woonden de vader van Gibeon, Jeïel, en de naam van zijn vrouw was Maächa.

36Zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, Kis, Baäl, Ner, Nadab,

37Gedor, Ahio, Zacharja en Mikloth.

38En Mikloth verwekte Simeam. Ook zij woonden bij hun broeders in Jeruzalem, met hun overige broeders.

39Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonathan, Malchisua, Abinadab en Esbaäl.

40De zoon van Jonathan was Merib-Baäl en Merib-Baäl verwekte Micha.

41De zonen van Micha waren Pithon, Melech en Taërea.

42En Achaz verwekte Jaëra, en Jaëra verwekte Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri verwekte Moza,

43Moza verwekte Bina; diens zoon was Refaja, diens zoon was Elasa, diens zoon was Azel.

44Azel had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Dit waren de zonen van Azel.