Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De nakomelingen van Ruben

51De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet zo, dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven,

2want Juda werd machtig onder zijn broers, en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht was van Jozef –

3de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn

5:3
Gen. 46:9
Ex. 6:13
Num. 26:5
Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi.

4De zonen van Joël: zijn zoon Semaja, diens zoon Gog, diens zoon Simeï,

5diens zoon Micha, diens zoon Reaja, diens zoon Baäl,

6diens zoon Beëra, die Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië, in ballingschap gevoerd had. Hij was vorst van de Rubenieten.

7Zijn broers, ingedeeld naar hun geslachten, toen zij volgens hun afstamming in de geslachtsregisters werden ingeschreven, waren Jeïel, het hoofd, Zecharja,

8Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël, die in Aroër woonde en tot aan Nebo en Baäl-Meon.

9Hij woonde in het oosten tot aan het begin van de woestijn, vanaf de rivier de Eufraat, want hun vee was talrijk geworden in het land Gilead.

10In de dagen van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagrieten, en dezen vielen door hun hand. Zij woonden in hun tenten aan de hele oostzijde van Gilead.

De nakomelingen van Gad

11De nakomelingen van Gad woonden tegenover hen in

5:11
Joz. 13:24
het land Basan, tot Salcha toe.

12Joël was het hoofd en Safam de tweede, maar Jaënai en Safat bleven in Basan.

13Hun broeders, ingedeeld naar hun families, waren Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jachan, Zia en Heber: zeven broeders.

14Dit waren de nakomelingen van Abichaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroah, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jahdo, de zoon van Buz.

15Ahi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was het hoofd van hun familie.

16Zij woonden in Gilead, in Basan en in de bijbehorende plaatsen, en op alle weidegronden van Saron, tot aan hun uitlopers toe.

17Deze allen werden in de geslachtsregisters ingeschreven in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël.

18Van de nakomelingen van Ruben, van de Gadieten en van de halve stam van Manasse, van de dapperen, mannen die schild en zwaard droegen, de boog spanden en geoefend waren voor de strijd, waren er vierenveertigduizend zevenhonderdzestig die met het leger uittrokken.

19Zij voerden oorlog tegen de Hagrieten en tegen Jetur, Nafis en Nodab.

20Maar zij werden in de strijd tegen hen geholpen: de Hagrieten, en allen die met hen waren, werden in hun hand gegeven. Want in de strijd riepen zij tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, want zij vertrouwden op Hem.

21Daarop voerden zij hun vee als buit weg, van hun kamelen vijftigduizend, tweehonderdvijftigduizend schapen, tweeduizend ezels en ook nog honderdduizend mensen.5:21 mensen - Letterlijk: zielen van mensen.

22Want er waren veel slachtoffers gevallen, omdat de strijd van God was; en zij gingen daar in hun plaats wonen, tot aan de ballingschap.

De nakomelingen van de halve stam van Manasse

23De leden van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden talrijk, vanaf Basan tot aan Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon.

24Dit waren de hoofden van hun families: Efer, Jiseï, Eliël, Azriël, Jeremia, Hodavja en Jahdiël, strijdbare helden, mannen van naam, hoofden van hun families.

25Zij waren de God van hun vaderen echter ontrouw en pleegden overspel met de goden van de volken van het land, die God voor hun ogen had weggevaagd.

26Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.

6

Het hogepriesterlijk geslacht

61De

6:1
Gen. 46:11
Ex. 6:15
Num. 26:57
1 Kron. 23:6
zonen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

2De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël.

3De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.

4Eleazar verwekte Pinehas en Pinehas verwekte Abisua.

5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi.

6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth.

7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.

8Ahitub verwekte

6:8
2 Sam. 8:17
15:27
Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.

9Ahimaäz verwekte Azarja en Azarja verwekte Johanan.

10Johanan verwekte Azarja. Hij is het die als priester diende in het huis dat Salomo in Jeruzalem gebouwd had.

11Azarja verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.

12Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Sallum.

13Sallum verwekte Hilkia en Hilkia verwekte Azarja.

14Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Jozadak.

15Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem door de hand van Nebukadnezar in ballingschap liet voeren.

De nakomelingen van Levi

16De zonen van Levi waren

6:16
Ex. 6:16,17
Gersom, Kahath en Merari.

17En dit zijn de namen van de zonen van Gersom: Libni en Simeï.

18De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël.

19De zonen van Merari waren Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, ingedeeld naar hun stamvaders.

20Van Gersom: zijn zoon was Libni, diens zoon Jahath, diens zoon Zimma,

21diens zoon Joah, diens zoon Iddo, diens zoon Zerah, diens zoon Jeathrai.

22De zonen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach,

6:22
Ex. 6:23
diens zoon Assir,

23diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir,

24diens zoon Tahath, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia en diens zoon Saul.

25De zonen van Elkana waren Amasai en Ahimoth.

26Elkana, diens zoon Elkana, diens zoon Zofai en diens zoon Nahath,

27diens zoon Eliab, diens zoon Jeroham, diens zoon Elkana.

28De zonen van Samuel waren zijn eerstgeborene Vasni, daarna Abia.

29De zonen van Merari waren Maheli, diens zoon Libni, diens zoon Simeï, diens zoon Uzza,

30diens zoon Simea, diens zoon Haggia, en diens zoon Asaja.

De zangers

31Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden,6:31 om … te leiden - Letterlijk: aan de handen van de zang in het huis van de HEERE. nadat de ark op zijn rustplaats gekomen was.

32Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen vastgesteld.

33Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,

34de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,

35de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai,

36de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,

37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,

38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.

39Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,

40de zoon van Michaël, de zoon van Baëseja, de zoon van Malchia,

41de zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,

42de zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,

43de zoon van Jahath, de zoon van Gersom, de zoon van Levi.

44Hun broeders, de zonen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,

45de zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia,

46de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer,

47de zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.

48Hun broeders, de Levieten, waren aangesteld voor allerlei dienst in de tabernakel, het huis van God.

49

6:49
Ex. 30:7,8,10
Num. 4:16
7:10
18:1
Aäron en zijn zonen lieten offers in rook opgaan op het brandofferaltaar en op het reukaltaar. Zij waren aangesteld voor al het werk in het heilige der heiligen, en om over Israël verzoening te doen, overeenkomstig alles wat Mozes, de dienaar van God, geboden had.

De nakomelingen van Aäron

50Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinehas diens zoon, Abisua diens zoon,

51Bukki diens zoon, Uzzi diens zoon, Zerahja diens zoon,

52Merajoth diens zoon, Amarja diens zoon, Ahitub diens zoon,

53Zadok diens zoon, Ahimaäz diens zoon.

De priestersteden

54Dit waren hun woongebieden, ingedeeld naar hun tentenkampen, op hun grondgebied, namelijk dat van de nakomelingen van Aäron, van het geslacht van de Kahathieten, want dat lot was voor hen.

55Zij gaven hun Hebron, in het land Juda, met zijn weidegronden eromheen.

56Maar het akkerland van de stad en zijn dorpen

6:56
Joz. 21:12
gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne.

57Aan de nakomelingen van Aäron gaven zij de vrijsteden Hebron en Libna met hun weidegronden, Jatthir en Estemoa met hun weidegronden,

58Hilen met zijn weidegronden, Debir met zijn weidegronden,

59Asan met zijn weidegronden en Beth-Semes met zijn weidegronden.

60En van de stam Benjamin: Geba met zijn weidegronden, Alemeth met zijn weidegronden en Anathoth met zijn weidegronden. Al hun steden, aan hun geslachten toegewezen, waren dertien steden.

De Levietensteden

61Maar aan de nakomelingen van Kahath die overgebleven waren van het geslacht van de stam, gaf men door het lot tien steden van de halve stam: half Manasse.

62En aan de nakomelingen van Gersom gaf men, ingedeeld naar hun geslachten, van de stam Issaschar, van de stam Aser, van de stam Naftali en van de stam van Manasse in Basan dertien steden.

63Aan de nakomelingen van Merari gaf men, ingedeeld naar hun geslachten, van de stam Ruben, van de stam Gad en van de stam Zebulon door het lot twaalf steden.

64Zo gaven de Israëlieten de Levieten deze steden met hun weidegronden.

65Zij gaven ze door het lot, van de stam van de nakomelingen van Juda, van de stam van de nakomelingen van Simeon en van de stam van de nakomelingen van Benjamin; deze steden, die zij met name noemden.

66De overigen uit de geslachten van de nakomelingen van Kahath ontvingen steden als hun grondgebied van de stam Efraïm,

67want zij gaven hun de vrijsteden Sichem met zijn weidegronden in het bergland van Efraïm, Gezer met zijn weidegronden,

68Jokmeam met zijn weidegronden, Beth-Horon met zijn weidegronden,

69Ajalon met zijn weidegronden en Gath-Rimmon met zijn weidegronden.

70En uit de halve stam van Manasse: Aner met zijn weidegronden en Bileam met zijn weidegronden. Deze steden waren voor de overige geslachten van de nakomelingen van Kahath.

71De nakomelingen van Gersom ontvingen van de geslachten van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegronden en Astharoth met zijn weidegronden.

72Van de stam Issaschar: Kedes met zijn weidegronden, Dobrath met zijn weidegronden,

73Ramoth met zijn weidegronden en Anem met zijn weidegronden.

74Van de stam Aser: Masal met zijn weidegronden, Abdon met zijn weidegronden,

75Hukok met zijn weidegronden en Rehob met zijn weidegronden.

76Van de stam Naftali: Kedes in Galilea met zijn weidegronden, Hammon met zijn weidegronden en Kirjathaïm met zijn weidegronden.

77De overige nakomelingen van Merari ontvingen, van de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegronden en Tabor met zijn weidegronden;

78en aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, ten oosten van de Jordaan, van de stam Ruben: Bezer in de woestijn met zijn weidegronden, Jahza met zijn weidegronden,

79Kedemoth met zijn weidegronden en Mefaäth met zijn weidegronden.

80Van de stam Gad: Ramoth in Gilead met zijn weidegronden, Mahanaïm met zijn weidegronden,

81Hesbon met zijn weidegronden en Jaëzer met zijn weidegronden.

7

De nakomelingen van Issaschar

71De zonen van

7:1
Gen. 46:13
Num. 26:23
Issaschar waren Tola, Pua, Jasib en Simron: vier zonen.

2De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. Zij waren familiehoofden van Tola en strijdbare helden onder hun afstammelingen. Hun aantal was in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd.

3De zoon van Uzzi was Jizrahja; en de zonen van Jizrahja waren Michaël, Obadja, Joël en Jissia. Zij waren alle vijf familiehoofden.

4Onder hen waren, ingedeeld naar hun afstammelingen en hun families, zesendertigduizend man aan gevechtstroepen, want zij hadden veel vrouwen en zonen.

5Hun broeders, uit alle geslachten van Issaschar, strijdbare helden, telden zevenentachtigduizend man, allen in de geslachtsregisters ingeschreven.

De nakomelingen van Benjamin

6

7:6
Gen. 46:21
Num. 26:38
1 Kron. 8:1
De zonen van Benjamin waren Bela, Becher en Jediaël: drie zonen.

7De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig man.

8De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abia, Anathoth en Alemeth. Deze allen waren zonen van Becher.

9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming en hun familiehoofden, telden dezen twintigduizend tweehonderd man, strijdbare helden.

10De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zethan, Tarsis en Ahisahar.

11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. Hun families telden zeventienduizend tweehonderd man, die met het leger uittrokken tot de strijd.

De nakomelingen van Dan en Naftali

12Suppim en Huppim waren zonen van Ir, en Husim was zoon van Aher.

13De zonen van Naftali waren Jahziël, Guni, Jezer en Sallum, kleinzonen van Bilha.

De nakomelingen van Manasse

14De zoon van Manasse was Asriël, die zijn vrouw hem baarde. Maar zijn bijvrouw, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead.

15Machir nam de zuster van Huppim en van Suppim tot vrouw. Haar naam was Maächa, en de naam van de tweede zoon was Zelafead. Zelafead had dochters.

16Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Peres. De naam van zijn broer was Seres; zijn zonen waren Ulam en Rekem.

17De zoon van Ulam was Bedan. Dit zijn de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse.

18Wat zijn zuster Molecheth betreft, zij baarde Ishod, Abiëzer en Mahela.

19De zonen van Semida waren Ahjan, Sechem, Likhi en Aniam.

De nakomelingen van Efraïm

20De

7:20
Num. 26:35
zoon van Efraïm was Sutelah; diens zoon was Bered, diens zoon Tahath, diens zoon Elada, diens zoon Tahath,

21diens zoon Zabad, diens zonen Sutelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, want zij waren gekomen om hun vee weg te nemen.

22Daarop rouwde Efraïm, hun vader, vele dagen en zijn broers kwamen om hem te troosten.

23Daarna kwam hij bij zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde een zoon; hij gaf hem de naam Beria,7:23 Beria - De naam Beria wordt in verband gebracht met een Hebreeuwse uitdrukking die ‘in het kwaad’ betekent. omdat zij in een tijd van onheil in zijn huis was.

24Zijn dochter was Seëra, die bouwde Laag-Beth-Horon, Hoog-Beth-Horon en Uzzen-Seëra.

25Refah was zijn zoon, evenals Resef; diens zoon was Telah, diens zoon Tahan,

26diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama,

27diens zoon Non en diens zoon Jozua.

28

7:28
Joz. 16:1
Hun bezit en hun woongebied was Bethel met de bijbehorende plaatsen, in het oosten Naäran, in het westen Gezer met de bijbehorende plaatsen, en ook Sichem met de bijbehorende plaatsen, tot aan Ajja met de bijbehorende plaatsen.

29In handen van de zonen van Manasse waren Beth-Sean met de bijbehorende plaatsen, Taänach met de bijbehorende plaatsen, Megiddo met de bijbehorende plaatsen, en Dor met de bijbehorende plaatsen. Daarin hebben de nakomelingen van Jozef, de zoon van Israël, gewoond.

De nakomelingen van Aser

30

7:30
Gen. 46:17
Num. 26:44
De zonen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi en Beria; Sera was hun zuster.

31De zonen van Beria waren Heber en Malchiël, dat is de vader van Birzavith.

32Heber verwekte Jaflet, Somer, Hotham, en Sua, hun zuster.

33De zonen van Jaflet waren Pasach, Bimhal en Asvath. Dit waren de zonen van Jaflet.

34De zonen van Semer waren Ahi, Rohega, Jehubba en Aram.

35De zonen van zijn broer Helem waren Zofah, Jimna, Seles en Amal.

36De zonen van Zofah waren Suah, Harnefer, Sual, Beri, Jimra,

37Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jithran en Beëra.

38De zonen van Jether waren Jefunne, Pispa en Ara.

39De zonen van Ulla waren Arah, Hanniël en Rizja.

40Deze allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten. Zij werden in de geslachtsregisters ingeschreven voor het leger in geval van oorlog; hun aantal was zesentwintigduizend man.