Herziene Statenvertaling (HSV)
2

De nakomelingen van Juda

21Dit

2:1
Gen. 29:32
30:5
35:18,22
46:8
zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

3De

2:3
Gen. 38:3
46:12
Num. 26:19
zonen van Juda zijn: Er, Onan en Sela. Drie zijn er hem geboren uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde Hij hem.

4

2:4
Gen. 38:28,29
Matt. 1:3
Maar Tamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. De zonen van Juda waren vijf in totaal.

5De

2:5
Gen. 46:12
zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

6En de zonen van Zerah waren Zimri, Ethan, Heman, Chalcol en Dara. Deze zijn vijf in totaal.

7De zoon van Charmi was Achar,

2:7
Joz. 7:25
die Israël in het ongeluk stortte, omdat hij ontrouw was met dat wat door de ban gewijd was.

8De zoon van Ethan was Azaria.

9De zonen van Hezron, die hem geboren werden, waren Jerahmeël, Ram en Chelubai.

10Ram

2:10
Ruth 4:19
Matt. 1:3,4
verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de
2:10
Num. 1:7
2:3
leider van de nakomelingen van Juda.

11Nahesson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz.

12Boaz verwekte Obed, Obed verwekte Isaï,

13Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,

14Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,

15Ozem, de zesde, en David, de zevende.

16Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie zonen.

17Abigaïl baarde Amasa; de vader van Amasa was Jether de Ismaëliet.

18Kaleb, de zoon van Hezron, verwekte zonen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jerioth. En dit waren haar zonen: Jeser, Sobab en Ardon.

19Toen Azuba gestorven was, nam Kaleb zich Efrath tot vrouw. Deze baarde hem Hur.

20

2:20
Ex. 31:2
Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.

21Daarna kwam Hezron bij de dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij nam haar tot vrouw toen hij zestig jaar was, en zij baarde hem Segub.

22Segub verwekte Jaïr, en hij had drieëntwintig steden in het land Gilead.

23Maar Gesur nam, met Aram, Havvoth-Jaïr van hen af, met Kenath en de bijbehorende plaatsen, zestig steden. Dit zijn allen zonen van Machir, de vader van Gilead.

24Na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, baarde Abia, de vrouw van Hezron, hem ook nog Assjur, de vader van Tekoa.

25De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.

26Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.

27De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël, waren Maäz, Jamin en Eker.

28De zonen van Onam waren Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.

29De naam van de vrouw van Abisur was Abihaïl; zij baarde hem Achban en Molid.

30De zonen van Nadab waren Seled en Appaïm; Seled stierf zonder kinderen.

31De zoon van Appaïm was Jiseï; de zoon van Jiseï was Sesan, en de zoon van Sesan was Achlai.

32De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan; Jether stierf zonder kinderen.

33De zonen van Jonathan waren Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerahmeël.

34Sesan had geen zonen, maar dochters. Sesan had echter een Egyptische slaaf, en zijn naam was Jarha.

35Sesan gaf zijn dochter aan zijn slaaf Jarha tot vrouw, en zij baarde hem Attai.

36Attai verwekte Nathan, en Nathan verwekte Zabad,

37Zabad verwekte Eflal, en Eflal verwekte Obed,

38Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria,

39Azaria verwekte Helez, en Helez verwekte Elasa,

40Elasa verwekte Sismai, en Sismai verwekte Sallum,

41Sallum verwekte Jekamja, en Jekamja verwekte Elisama.

42De zoon van Kaleb, de broer van Jerahmeël, is Mesa, zijn eerstgeborene (dat is de vader van Zif), en de zonen van Maresa, de vader van Hebron.

43De zonen van Hebron waren Korach, Tappuah, Rekem en Sema.

44Sema verwekte Raham, de vader van Jorkeam; Rekem verwekte Sammai.

45De zoon van Sammai was Maon, en Maon was de vader van Beth-Zur.

46Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, Moza en Gazez; Haran verwekte Gazez.

47De zonen van Jochdai waren Regem, Jotham, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48Bij zijn bijvrouw Maächa verwekte Kaleb Seber en Tirhana.

49En de vrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena en de vader van Gibea. De dochter van Kaleb was Achsa.

50Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim,

51Salma, de vader van Bethlehem en Haref, de vader van Beth-Gader.

52De zonen van Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, waren Haroë en half Menuchoth.

53De geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, de Futieten, de Sumathieten en de Misraïeten. Uit hen zijn de Zorathieten en de Esthaolieten voortgekomen.

54De zonen van Salma waren Bethlehem, de Netofatieten, Atroth, Beth-Joab, de helft van de Manachathieten en de Zorieten.

55En de geslachten van de schrijvers, die in Jabez woonden: de Tirathieten, de Simathieten en de Suchathieten. Dit zijn de Kenieten die van Hammath, de vader van het huis van Rechab, afstammen.

3

De nakomelingen van David

31Dit waren de zonen van David, die

3:1
2 Sam. 3:2
bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;

2de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;

3de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.

4Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.

5

3:5
2 Sam. 5:14
Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;

6en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,

7Nogah, Nefeg, Jafia,

8Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.

9Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.

10De zoon van Salomo was

3:10
1 Kon. 11:43
14:31
15:8,24
Rehabeam, diens zoon was Abia, diens zoon was Asa, diens zoon was Josafat,

11diens zoon was

3:11
2 Kon. 8:16,25
11:2
Joram, diens zoon was Ahazia, diens zoon was Joas,

12diens zoon was

3:12
2 Kon. 12:21
14:21
15:7
Amazia, diens zoon was Azaria, diens zoon was Jotham,

13

3:13
2 Kon. 15:38
16:20
20:21
diens zoon was Achaz, diens zoon was Hizkia, diens zoon was Manasse,

14

3:14
2 Kon. 22:1
diens zoon was Amon, diens zoon was Josia.

15De

3:15
2 Kon. 23:30,34
zonen van Josia waren Johanan, de eerstgeborene, Jojakim, de tweede, Zedekia, de derde, en Sallum, de vierde.

16De zonen van Jojakim waren zijn zoon

3:16
2 Kon. 24:6,17
Jechonia, en zijn zoon Zedekia.

17De

3:17
Matt. 1:11,12
zoon van Jechonia was Assir, diens zoon was Sealthiël,

18en vervolgens Malchiram, Pedaja, Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

19De zonen van Pedaja waren Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja, en Selomith was hun zuster.

20En vervolgens Hasuba, Ohel, Berechja, Hasadja, Jusabhesed, vijf zonen.

21De zonen van Hananja waren Pelatja en Jesaja. De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja.

22De zoon van Sechanja was Semaja, en de zonen van Semaja waren Hattus, Jigeal, Bariah, Nearja en Safat, zes zonen.

23De zonen van Nearja waren Eljoënai, Hizkia en Azrikam, drie zonen.

24De zonen van Eljoënai waren Hodajeva, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani, zeven zonen.

4

Nog meer nakomelingen van Juda

41De

4:1
Gen. 38:29
46:12
1 Kron. 2:4
zonen van Juda waren Perez, Hezron, Charmi, Hur en Sobal.

2Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jahath, en Jahath verwekte Ahumai en Lahad. Dit zijn de geslachten van de Zorathieten.

3Dit waren de zonen van Hur, de vader van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas. De naam van hun zuster was Hazelelponi.

4Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de zonen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem.

5Assjur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Hela en Naära.

6Naära baarde hem Ahuzzam, Hefer, Temeni en Haähastari. Dit zijn de zonen van Naära.

7De zonen van Hela waren Zereth, Jezohar en Ethnan.

8Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de geslachten van Aharhel, de zoon van Harum.

9Jabez was van groter aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabez4:9 De naam Jabez wordt hier in verband gebracht met een werkwoord dat ‘leed veroorzaken’ betekent. genoemd, want, zei ze, ik heb hem met smart gebaard.

10Jabez riep de God van Israël aan: Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet,4:10 en U … wegdoet - Letterlijk: en U doet van kwaad. zodat het mij geen smart brengt … En God liet komen wat hij gevraagd had.

11Chelub, de broer van Suha, verwekte Mechir. Hij is de vader van Eston.

12Eston verwekte Bethrafa, Paseah en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dit zijn de mannen van Recha.

13De

4:13
Joz. 15:17
zonen van Kenaz waren Othniël en Seraja; de zoon van Othniël was Hathath.

14Meonothai verwekte Ofra, Seraja verwekte Joab, de vader van de Vallei van de handwerkers; want zij waren handwerkslieden.

15De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de zoon van Ela: Kenaz.

16De zonen van Jehallelel waren Zif, Zifa, Tirea en Asareël.

17De zonen van Ezra waren Jether, Mered, Efer en Jalon. Zij baarde Mirjam, Sammai en Jisbah, de vader van Estemoa.

18Zijn Joodse vrouw baarde Jered, de vader van Gedor en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah. Dat zijn zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered genomen had.

19De zonen van de vrouw van Hodia, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Estemoa, de Maächatiet.

20De zonen van Simon waren Amnon en Rinna, Ben-Hanan en Tilon. De zonen van Jiseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.

21

4:21
Gen. 38:5
De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa, en de geslachten van het huis van de linnenwevers in het huis van Asbea.

22Verder Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasubi-Lehem. Dit alles is echter lang geleden.

23Zij waren pottenbakkers en woonden in Netaïm en Gedera. Zij verbleven daar bij de koning, in zijn dienst.

De nakomelingen van Simeon

24De zonen van Simeon waren Nemuel, Jamin, Jarib, Zerah en Saul.

25Sallum was diens zoon; Mibsam was diens zoon; Misma was diens zoon.

26De zonen van Misma waren: diens zoon Hammuel, diens zoon Zakkur, en diens zoon Simeï.

27Simeï had zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen en hun hele geslacht werd niet zo talrijk als dat van de nakomelingen van Juda.

28Zij woonden in Berseba, Molada, Hazar-Sual,

29in Bilha, in Ezem, in Tolad,

30in Bethuel, in Horma, in Ziklag,

31in Beth-Markaboth, in Hazar-Susim, in Bethbiri en in Saäraïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

32Hun dorpen waren Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan, vijf steden;

33en al hun dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baäl toe. Dit zijn hun woongebieden en de bij hen behorende geslachtsregisters.

34Mesobab, Jamlech, Josa, de zoon van Amazia,

35Joël, Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël,

36Eljoënai, Jaäkoba, Jesohaja, Asaja, Adiël, Jesimeël, Benaja,

37Ziza, de zoon van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja –

38dezen werden mannen van naam, leiders in hun geslachten, en hun families breidden zich uit in menigte.

39Daarop gingen zij naar de ingang van Gedor tot aan het oosten van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee.

40Toen vonden zij een vruchtbare en goede weidegrond; het land was ruim,4:40 ruim - Letterlijk: wijd van handen. rustig en vreedzaam, want nakomelingen van Cham woonden daar vroeger.

41Deze bij name beschrevenen kwamen daar in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vernielden de tenten en woningen van hen die daar aangetroffen werden, en sloegen hen met de ban, tot op deze dag. Zij gingen daar in hun plaats wonen, want daar was weidegrond voor hun kleinvee.

42Ook gingen er van hen, dus van de nakomelingen van Simeon, vijfhonderd mannen naar het gebergte van Seïr. En Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun hoofden.

43Zij versloegen het overblijfsel van hen die van de Amalekieten ontkomen waren, en zij wonen daar tot op deze dag.