Herziene Statenvertaling (HSV)
25

Ordening van de zangers

251Verder zonderde David met de legerbevelhebbers mensen af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder het spel van harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam25:1 werkzaam - Letterlijk: van het werk. voor hun dienstwerk.

2Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van25:2 onder leiding van - Letterlijk: op de hand van. Asaf, die profeteerde onder leiding van25:2 onder leiding van - Letterlijk: op de handen van; zie ook vers 3 en 6. de koning.

3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. Zij stonden onder leiding van hun vader Jeduthun die bij het spel van de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.

4Wat betreft Heman: de zonen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuel, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir en Mahazioth.

5Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.

6Deze allen stonden onder leiding van hun vader opgesteld voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.

7Hun aantal was samen met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd.

8Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde samen met de leerling.

9Het eerste lot kwam uit op Asaf, namelijk op Jozef. Het tweede kwam uit op Gedalja, hij en zijn broeders en zijn zonen, twaalf.

10Het derde op Zakkur; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

11Het vierde op Jizri; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

12Het vijfde op Nethanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

13Het zesde op Bukkia; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

14Het zevende op Jesarela; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

15Het achtste op Jesaja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

16Het negende op Mattanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

17Het tiende op Simeï; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

18Het elfde op Azareël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

19Het twaalfde op Hasabja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

20Het dertiende op Subaël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

21Het veertiende op Mattithja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

22Het vijftiende op Jeremoth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

23Het zestiende op Hananja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

24Het zeventiende op Josbekasa; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

25Het achttiende op Hanani; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

26Het negentiende op Mallothi; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

27Het twintigste op Eliatha; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

28Het eenentwintigste op Hothir; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

29Het tweeëntwintigste op Giddalti; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

30Het drieëntwintigste op Mahazioth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

31Het vierentwintigste op Romamti-Ezer; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

26

De poortwachters

261Wat betreft de afdelingen van de poortwachters: van de Korachieten: Meselemja, de zoon van Kore, uit de zonen van Asaf.

2Meselemja had de volgende zonen: Zecharja, de eerstgeborene, Jediaël de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde,

3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljehoënai de zevende.

4Obed-Edom had de volgende zonen: Semaja, de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde en Nethaneël de vijfde,

5Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend.

6Bij zijn zoon Semaja werden ook zonen geboren, die heersten over hun familie; zij waren namelijk strijdbare helden.

7De zonen van Semaja waren Othni, Refaël, Obed en Elzabad; met zijn broers, dappere mannen: Elihu en Semachja.

8Deze allen waren uit de nakomelingen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broeders, strijdbare mannen, bekwaam tot het dienstwerk; er waren er tweeënzestig van Obed-Edom.

9Meselemja had zonen en broeders, strijdbare mannen, achttien.

10Hosa, uit de zonen van Merari, had de volgende zonen: Simri was het hoofd (hoewel hij niet de eerstgeborene was, stelde zijn vader hem toch aan tot hoofd).

11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de zonen en broers van Hosa, dertien.

12Deze afdelingen van de poortwachters, de hoofden van de mannen, hadden evenals hun broeders de taak om te dienen in het huis van de HEERE.

13En zij wierpen, zowel de jongste als de oudste, naar hun families, voor elke poort het lot.

14Het lot voor de Oostpoort viel op Selemja; maar voor zijn zoon Zecharja, een verstandig raadsman, wierp men het lot, en zijn lot kwam uit op de Noordpoort.

15Obed-Edom kwam uit op de Zuidpoort en zijn zonen kwamen uit op de voorraadkamers.

16Suppim en Hosa op de Westpoort, met de Schallechetpoort, bij de oplopende hoofdweg, wacht naast wacht.

17Aan de oostkant waren zes Levieten, aan de noordkant elke dag vier, en aan de zuidkant elke dag vier; maar bij de voorraadkamers steeds twee.26:17 steeds twee - Letterlijk: twee twee.

18Voor het bijgebouw aan de westkant waren er vier bij de hoofdweg en twee voor het bijgebouw.

19Dit zijn de afdelingen van de poortwachters van de zonen van de Korachieten, en van de zonen van Merari.

De bewakers van de schatkamers

20Van de Levieten ging Ahia over de schatkamers van het huis van God, en over de schatkamers van de geheiligde gaven.

21De zonen van Ladan, zonen van de Gersoniet die bij Ladan hoorden, de familiehoofden die bij Ladan, de Gersoniet, hoorden: Jehiëli.

22De zonen van Jehiëli, Zetham en zijn broer Joël, gingen over de schatkamers van het huis van de HEERE.

23Van de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten en van de Uzziëlieten,

24was Sebuel, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, leider over de schatkamers.

25Zijn broeders, die van Eliëzer afstamden, waren: zijn zoon Rehabja, zijn zoon Jesaja, zijn zoon Joram, zijn zoon Zichri en zijn zoon Selomith.

26Deze Selomith en zijn broeders gingen over al de schatkamers van de geheiligde gaven, die koning David, met de hoofden van de families, de leiders over duizend en honderd, en de legerbevelhebbers, geheiligd had.

27Uit de oorlogen en van de buit hadden zij dit geheiligd om het huis van de HEERE te onderhouden.

28Ook alles wat de ziener Samuel geheiligd had, met Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja. Alles wat iemand geheiligd had, stond onder de verantwoordelijkheid26:28 onder de verantwoordelijkheid - Letterlijk: over de hand. van Selomith en zijn broeders.

De opzichters en de rechters

29Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen in de buitendienst als voormannen en rechters in Israël werkzaam.

30Van de Hebronieten gingen Hasabja en zijn broeders, zeventienhonderd dappere mannen, over het opzicht in Israël aan deze zijde van de Jordaan aan de westkant, over heel het werk voor de HEERE en de dienst van de koning.

31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd. Wat zijn afstammelingen en de families van de Hebronieten betreft: in het veertigste jaar van Davids koningschap werd er naar hen onderzoek gedaan en er werden onder hen strijdbare helden gevonden in Jaëzer in Gilead.

32En zijn broeders waren dappere mannen, zevenentwintighonderd familiehoofden. Koning David stelde hen aan over de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van de Manassieten, voor alle zaken van God en de zaken van de koning.

27

De legeroversten van David

271Dit zijn de Israëlieten volgens hun aantal, de hoofden van de families, de bevelhebbers over duizend en over honderd, met hun voormannen die de koning dienden in alle zaken betreffende de legerafdelingen die opkwamen en met verlof gingen, van maand tot maand, gedurende alle maanden van het jaar; elke afdeling telde vierentwintigduizend man.

2Over de eerste afdeling in de eerste maand ging Jasobam, de zoon van Zabdiël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

3Hij was een van de nakomelingen van Perez, en was het hoofd van alle legerbevelhebbers in de eerste maand.

4Over de afdeling in de tweede maand ging Dodai, uit Ahoah, en in zijn afdeling was ook Mikloth de leider; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

5De derde legerbevelhebber in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, de hoofdpriester; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

6Deze Benaja was een van de dertig helden en ging over de dertig; over zijn afdeling ging Ammizabad, zijn zoon.

7De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

8De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de bevelhebber; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

9De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

10De zevende, in de zevende maand, was Helez uit Pelon, een van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai uit Husa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

12De negende, in de negende maand, was Abiëzer uit Anathoth, van de Benjaminieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

13De tiende, in de tiende maand, was Maharai uit Netofa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

14De elfde, in de elfde maand, was Benaja uit Pirhathon, een van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai uit Netofa, van Othniël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend man.

Hoofden van de twaalf stammen

16Over de stammen van Israël gingen: bij de Rubenieten Eliëzer, de zoon van Zichri, leider; bij de Simeonieten: Sefatja, de zoon van Maächa;

17bij de Levieten: Hasabja, de zoon van Kemuel; bij de afstammelingen van Aäron: Zadok;

18bij Juda: Elihu, een van de broers van David; bij Issaschar: Omri, de zoon van Michaël;

19bij Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; bij Naftali: Jerimoth, de zoon van Azriël;

20bij de nakomelingen van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazja; bij de halve stam van Manasse: Joël, de zoon van Pedaja;

21bij half Manasse in Gilead: Jiddo, de zoon van Zecharja; bij Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner;

22bij Dan: Azarel, de zoon van Jeroham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël.

23David nam echter het aantal van hen die twintig jaar oud en daarbeneden waren, niet op, omdat de HEERE gezegd had dat Hij Israël zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel.

24Joab, de zoon van Zeruja, was wel begonnen met tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er daardoor grote toorn over Israël gekomen was. Daarom is het aantal niet opgenomen in de lijst met aantallen in de kronieken van koning David.

Andere beambten en raadsheren

25Over de schatkamers van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia.

26Over de landarbeiders, voor het werk op het bouwland, ging Ezri, de zoon van Chelub.

27Over de wijngaarden ging Simeï uit Rama, maar over wat van de wijngaarden in de voorraadschuren voor de wijn kwam, ging Zabdi uit Sefam.

28Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen die in het Laagland waren, ging Baäl-Hanan uit Geder; en Joas ging over de schatkamers voor de olie.

29Over de runderen die in Saron weidden, ging Sitrai uit Saron, maar over de runderen in de dalen, ging Safat, de zoon van Adlai.

30Over de kamelen ging de Ismaëliet Obil, en over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth.

31Over het kleinvee ging de Hagariet Jaziz. Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had.

32Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, trok op met de zonen van de koning.

33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.

34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.