Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Voorbereiding voor de tempelbouw

221Toen zei David: Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.

2Vervolgens zei David dat men de vreemdelingen moest verzamelen die in het land Israël waren, en hij stelde steenhouwers aan om gehouwen stenen uit te hakken om het huis van God te bouwen.

3David maakte een grote hoeveelheid ijzer gereed voor de spijkers aan de poortdeuren en voor de verbindingsstukken, en een grote hoeveelheid koper, waar geen wegen aan was;

4en ook ontelbaar veel cederhout, want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten een grote hoeveelheid cederhout naar David.

5David zei bij zichzelf: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren;22:5 onervaren - Letterlijk: week. en het huis dat voor de HEERE gebouwd moet worden, moet men buitengewoon groot maken, zodat zijn naam en luister in alle landen bekend wordt. Ik zal daarom voor hem een voorraad gereedmaken. Zo maakte David vóór zijn dood een grote hoeveelheid voorraad gereed.

6Toen riep hij zijn zoon Salomo en gebood hem voor de HEERE, de God van Israël, een huis te bouwen.

7David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik zelf had het voornemen22:7 ik zelf had het voornemen - Letterlijk: ik, het was bij mijn hart. om voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen,

8maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen,

22:8
1 Kron. 28:3
omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.

9Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.

10

22:10
2 Sam. 7:13
1 Kon. 5:5
Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.

11Nu dan, mijn zoon, moge de HEERE met je zijn, en je zult voorspoedig zijn, en het huis van de HEERE, je God, bouwen, zoals Hij over jou gesproken heeft.

12Alleen, moge de HEERE je verstand en inzicht geven, als Hij je het bevel geeft over Israël, zodat je de wet van de HEERE, je God, in acht neemt.

13Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die de HEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft.

22:13
Deut. 31:7,8
Joz. 1:7
Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld!

14Zie, ik heb door al mijn verdrukking honderdduizend talent22:14 Een talent is ongeveer 30 kilo. goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE, en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je nog meer aan toevoegen.

15Bij jou is een grote hoeveelheid mensen die het werk kunnen uitvoeren: steenhouwers en ambachtslieden die steen en hout bewerken, en allerlei wijze mannen om allerlei werk te doen.

16Het goud, het zilver, het koper en het ijzer is ontelbaar. Daarom, sta op en doe het, en de HEERE zal met je zijn.

17Ook gebood David alle leiders van Israël, om zijn zoon Salomo te helpen.

18Hij zei: Is niet de HEERE, uw God, met u, en heeft Hij u geen rust gegeven van rondom? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen voor het aangezicht van de HEERE, en voor Zijn volk.

19Nu dan, richt uw hart en uw ziel erop om de HEERE, uw God, te zoeken. Sta op en bouw het heiligdom van de HEERE God, zodat men de ark van het verbond van de HEERE en de heilige voorwerpen van God in dit huis kan brengen, dat voor de Naam van de HEERE gebouwd zal worden.

23

Indeling en taak van de Levieten

231Toen David oud en verzadigd van dagen was, maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël.

2En hij verzamelde alle leiders van Israël, de priesters en de Levieten.

3Toen werden de Levieten geteld, van dertig jaar oud en daarboven; en hun aantal bedroeg, hoofd voor hoofd, achtendertigduizend man.

4Vierentwintigduizend van hen waren er om toezicht te houden op het werk in het huis van de HEERE, zesduizend beambten en rechters,

5vierduizend poortwachters en vierduizend lofzangers tot eer van de HEERE, met instrumenten die ik, David, gemaakt heb om te prijzen.

6En David verdeelde hen in afdelingen, ingedeeld naar de zonen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

7Van de Gersonieten: Ladan en Simeï.

8De zonen van Ladan waren Jehiël, het hoofd, Zetham en Joël; drie.

9De zonen van Simeï waren Selomith, Haziël en Haran; drie. Dat waren de familiehoofden van Ladan.

10De zonen van Simeï waren Jahath, Zina, Jeüs en Beria – dat waren de zonen van Simeï; vier.

11Jahath was het hoofd en Ziza de tweede man. Maar Jeüs en Beria hadden niet veel zonen; daarom waren zij één familie, één ambtsgroep.

12De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; vier.

13

23:13
Ex. 6:19
De zonen van Amram waren Aäron en Mozes.
23:13
Ex. 28:1Hebr. 5:4
Aäron werd afgezonderd om de allerheiligste dingen tot in eeuwigheid te heiligen, hij en zijn zonen: om reukoffers te brengen voor het aangezicht van de HEERE, om Hem te dienen en in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.

14Wat betreft Mozes, de man Gods: zijn zonen werden genoemd onder de stam Levi.

15

23:15
Ex. 2:22
18:3
De zonen van Mozes waren Gersom en Eliëzer.

16Van de zonen van Gersom was Sebuel het hoofd.

17De zonen van Eliëzer waren: Rehabja, het hoofd, maar Eliëzer had geen andere zonen; van de zonen van Rehabja waren er echter buitengewoon veel.

18Van de zonen van Jizhar was Selomith het hoofd.

19De zonen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, en Jekameam de vierde man.

20De zonen van Uzziël: Micha was het hoofd en Jissia de tweede man.

21De zonen van Merari waren Maheli en Musi; de zonen van Maheli waren Eleazar en Kis.

22Maar Eleazar stierf en had geen zonen, alleen maar dochters; en de zonen van Kis, haar neven, namen hen tot vrouw.

23De zonen van Musi waren Maheli, Eder en Jeremoth; drie.

24Dit zijn de nakomelingen van Levi ingedeeld naar hun families, de familiehoofden, overeenkomstig het aantal namen van hen die geteld waren, hoofd voor hoofd, om het dienstwerk van het huis van de HEERE te doen, van twintig jaar oud en daarboven.

25Want David had gezegd: De HEERE, de God van Israël, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal in Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid.

26Ook wat betreft de Levieten: zij behoeven de tabernakel niet meer te dragen, en evenmin al de bijbehorende voorwerpen voor de dienst daarin.

27Volgens de laatste woorden van David werd het aantal Levieten immers berekend van twintig jaar oud en daarboven,

28want hun plaats was naast23:28 naast - Letterlijk: aan de hand van. de nakomelingen van Aäron in de dienst van het huis van de HEERE met het opzicht over de voorhoven, over de voorraadkamers en over de reiniging van ieder heilig voorwerp, over het dienstwerk in het huis van God,

29en over het uitgestalde brood, de meelbloem voor het graanoffer, over de ongezuurde platte koeken, over de bakplaat, over het beslag en over iedere inhoudsmaat en lengtemaat.

30Vervolgens moesten zij elke morgen, en eveneens in de avond, gereedstaan om de HEERE te loven en te prijzen,

31en ook bij het brengen van alle brandoffers23:31 bij het brengen van alle brandoffers - Letterlijk: bij al het offeren van brandoffers. voor de HEERE, op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feestdagen, voortdurend voor het aangezicht van de HEERE staan in een aantal zoals voor hen bepaald was.

32Zo moesten zij hun taak ten behoeve van de tent van ontmoeting vervullen, en hun taak ten behoeve van het heiligdom en hun taak ten behoeve van de nakomelingen van Aäron, hun broeders, in de dienst van het huis van de HEERE.

24

Indeling van de priesters

241Wat

24:1
Lev. 10
de nakomelingen van Aäron betreft, waren dit hun afdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.

2

24:2
Lev. 10:2
Num. 3:4
26:61
Nadab stierf echter met Abihu tijdens het leven van hun vader, en zij hadden geen zonen, zodat Eleazar en Ithamar als priester dienden.

3Samen met Zadok uit de nakomelingen van Eleazar, en Achimelech uit de nakomelingen van Ithamar, deelde David hen in, in hun dienstwerk voor hun ambtsgroep.

4Van de zonen van Eleazar werden er meer gevonden als hoofden van de mannen dan van de zonen van Ithamar, toen zij hen indeelden; van de zonen van Eleazar waren er namelijk zestien familiehoofden, maar van de zonen van Ithamar waren er acht familiehoofden.

5Zij deelden hen in door het lot, zowel de ene als de andere groep,24:5 zowel … groep - Letterlijk: die met die. want de leiders van het heiligdom en de door God aangestelde leiders waren uit de zonen van Eleazar en uit de zonen van Ithamar.

6Semaja, de zoon van Nethaneël de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, in tegenwoordigheid van de koning, de vorsten, de priester Zadok, Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; één familie werd genomen voor Eleazar, en dan weer één voor Ithamar.

7Het eerste lot kwam uit op Jojarib, het tweede op Jedaja;

8het derde op Harim, het vierde op Seorim;

9het vijfde op Malchia, het zesde op Mijamin;

10het zevende op Hakkoz, het achtste op Abia;

11het negende op Jesua, het tiende op Sechanja;

12het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim;

13het dertiende op Huppa, het veertiende op Jesebeab;

14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer;

15het zeventiende op Hezir, het achttiende op Happizzes;

16het negentiende op Petahja, het twintigste op Jehezkel;

17het eenentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul;

18het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maäzja.

19Dit zijn hun ambtsgroepen voor hun dienstwerk om het huis van de HEERE binnen te gaan, overeenkomstig de bepaling door de hand van hun vader Aäron, zoals de HEERE, de God van Israël, hem geboden had.

De Levieten helpen de priesters

20Wat de nakomelingen van Levi betreft die overbleven: bij de zonen van Amram hoorde Subaël, bij de zonen van Subaël hoorde Jechdeja.

21Wat betreft Rehabja: van de zonen van Rehabja was Jissia het hoofd.

22Wat betreft de Jizharieten: Selomoth; van de zonen van Selomoth: Jahath.

23Van de zonen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jekameam de vierde.

24Van de zonen van Uzziël: Micha; van de zonen van Micha: Samir.

25De broer van Micha was Jissia; van de zonen van Jissia: Zecharja.

26De zonen van Merari waren Maheli en Musi, de zonen van zijn zoon Jaäzia.

27De zonen van Merari, van zijn zoon Jaäzia, waren Soham, Zakkur en Hibri.

28Van Maheli was Eleazar een zoon, en die had geen zonen.

29Wat betreft Kis: de zoon van Kis was Jerahmeël.

30De zonen van Musi waren Maheli, Eder, Jerimoth. Dit zijn de zonen van de Levieten, naar hun families.

31Ook zij wierpen het lot – evenals hun broeders, de zonen van Aäron – in tegenwoordigheid van koning David, Zadok en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het familiehoofd evenals zijn jongste broer.