Herziene Statenvertaling (HSV)
16

Offers bij het plaatsen van de ark

161Toen

16:1
2 Sam. 6:17
zij de ark van God de stad binnenbrachten, zetten zij die midden in de tent die David ervoor gespannen had. En zij brachten brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van God.

2Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE.

3

16:3
2 Sam. 6:19
Hij deelde aan iedereen in Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder een rond brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek uit.

De eredienst bij ark en tabernakel

4En hij stelde voor de ark van de HEERE sommigen uit de Levieten aan als dienaars, om van de HEERE, de God van Israël, melding te maken en Hem te loven en te prijzen.

5Asaf was het hoofd, Zacharja de tweede na hem; verder Jeïel, Semiramoth, Jehiël, Mattithja en Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel, met instrumenten als luiten en met harpen. En Asaf liet zich horen met cimbalen,

6maar Benaja en Jahaziël, de priesters, deden dat voortdurend met trompetten voor de ark van het verbond van God.

Psalm van David

7Toen, op die dag, gaf David voor de eerste maal deze psalm om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders.

8Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,

maak Zijn daden bekend onder de volken.

9Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,

spreek aandachtig van al Zijn wonderen.

10Beroem u in Zijn heilige Naam,

laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.

11Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,

zoek Zijn aangezicht voortdurend.

12Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,

aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,

13nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,

kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.

14Hij is de HEERE, onze God,

Zijn oordelen gaan over de hele aarde.

15

16:15
Gen. 17:9
Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,

aan de belofte die Hij gedaan heeft,16:15 de belofte … heeft - Letterlijk: het woord dat Hij geboden heeft. tot in duizend generaties,

16aan het verbond

16:16
Gen. 26:3
dat Hij met Abraham gesloten heeft,

en Zijn eed aan Izak.

17Voor Jakob heeft

16:17
Gen. 28:13
35:11
Hij het vastgesteld als een verordening,

voor Israël tot een eeuwig verbond,

18door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,

het gebied dat uw erfelijk bezit is.

19Toen u met weinig mensen was,

ja, met weinigen, en vreemdelingen daarin,

20en zij van volk naar volk zwierven,

en van het ene koninkrijk naar het andere volk,

21

16:21
Gen. 12:20
Ex. 7
8
9
10
11
liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,

ook bestrafte Hij koningen omwille van hen en zei:

22Raak Mijn gezalfden niet aan,

doe Mijn profeten geen kwaad.

23Zing voor de HEERE, heel de aarde,

breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.

24Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,

onder alle volken Zijn wonderen.

25Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,

en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.

26Want al de goden van de volken zijn afgoden,

maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.

27Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,

macht en vreugde zijn in Zijn plaats.

28Geef de HEERE, geslachten van de volken,

geef de HEERE eer en macht.

29Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,

breng offers en kom voor Zijn aangezicht.

Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;

30beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.

Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.

31Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,

laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.

32Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,

laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.

33Dan zullen de bomen van het woud juichen

voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt

om de aarde te oordelen.

34

16:34
Ps. 107:1
118:1
136:1
Loof de HEERE, want Hij is goed,

16:34
Ps. 136:1
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

35En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,

en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,

opdat wij Uw heilige Naam loven

en ons beroemen in Uw lof.

36Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid!

En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.

De eredienst wordt geregeld

37Zo liet hij daar voor de ark van het verbond van de HEERE Asaf en zijn broeders achter om voortdurend dienst te doen voor de ark overeenkomstig het voorschrift voor elke afzonderlijke dag,16:37 het voorschrift … dag - Letterlijk: de zaak van de dag op zijn dag.

38en ook Obed-Edom met hun broeders, achtenzestig man; met Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, als poortwachters,

39en de priester Zadok, en zijn broeders, de priesters, voor de tabernakel van de HEERE op de offerhoogte, die in Gibeon is,

40om de HEERE voortdurend, in de morgen en in de avond, brandoffers te brengen op het brandofferaltaar; en dat overeenkomstig alles wat geschreven staat in de wet van de HEERE, die Hij Israël geboden had.

41En met hen waren Heman en Jeduthun, en de overigen die gekozen waren, die met name aangewezen waren om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

42En bij hen waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor hen die zich lieten horen, en met instrumenten voor muziek tot eer van God. De zonen van Jeduthun waren echter bij de poort.

43Toen ging al het volk weg, ieder naar zijn huis; en David keerde terug om zijn huis te gaan zegenen.

17

De bouw van de tempel uitgesteld; de Messias beloofd

171En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van cederhout, maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.

2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.

3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:

4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.

5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel tot tabernakel.

6Heb Ik ooit, overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?

7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb

17:7
1 Sam. 16:11
Ps. 78:70
u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.

8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw ogen uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.

9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,

10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.

11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die een van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.

12Die zal

17:12
1 Kon. 5:5
6:12
voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.

13

17:13
Ps. 89:27,29
Hebr. 1:5,6
Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik die weggenomen heb van hem die er vóór u was,

14maar

17:14
Luk. 1:33
Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.

15Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.

Dankgebed van David

16Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?

17En dit was in Uw ogen nog gering, o God, en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden; en U hebt mij als een rij mensen gezien, in opgaande lijn, HEERE God!

18Wat zal David nog meer tot U spreken, vanwege deze eer aan Uw dienaar? Ú kent Uw dienaar immers.

19HEERE, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en al deze grote dingen bekendgemaakt.

20

17:20
Deut. 3:24
4:35
6:4
1 Kon. 8:23,60
Ps. 86:8
Jes. 37:16,20
Dan. 3:29
Hos. 13:4
HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.

21

17:21
Deut. 4:7
33:29
Ps. 147:20
En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken door het doen van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor de ogen van Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt.

22U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.

23Nu dan, HEERE, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bewaarheid worden, en doe zoals U gesproken hebt.

24Ja, laat het bewaarheid worden, en laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël, en laat het huis van Uw dienaar David zeker zijn voor Uw aangezicht.

25Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld dat U voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft Uw dienaar vrijmoedigheid gevonden dit gebed voor Uw aangezicht te bidden.

26Nu dan, HEERE, U bent die God, en U hebt dit goede over Uw dienaar gesproken.

27Nu dan, het heeft U behaagd het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, HEERE, hebt het gezegend, en het zal voor eeuwig gezegend zijn.

18

De overwinningen van David

181Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; en hij nam Gath en de bijbehorende plaatsen uit de macht van de Filistijnen.

2Ook versloeg hij Moab, zodat de Moabieten dienaren van David werden en zij schatting moesten afdragen.

3Verder versloeg David Hadadezer, de koning van Zoba, bij Hamath, toen die heentrok om zijn gezag te vestigen aan de rivier de Eufraat.

4David nam van hem duizend wagens af en nam zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen. Ook sneed David de hielpezen van alle wagenpaarden door, maar hield er honderd wagenpaarden van over.

5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadarezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.

6David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David en moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.

7David nam de gouden schilden die van de dienaren van Hadadezer geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.

8En uit Tibchath en uit Chun, steden van Hadarezer, nam David zeer veel koper mee; daarvan heeft Salomo de koperen zee, de pilaren en de koperen voorwerpen gemaakt.

9Toen nu Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Zoba, verslagen had,

10stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem naar zijn welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toü – en hij stuurde hem ook allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen.

11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek.

12Ook versloeg Abisaï, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttienduizend man.

13Hij legde garnizoenen in Edom, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.

Beambten van David

14Zo regeerde David over heel Israël, en hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk.

15Joab, de zoon van Zeruja, ging over het leger en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.

16En Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Sausa was schrijver.

17En Benaja, de zoon van Jojada, ging over de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren naast18:17 naast - Letterlijk: aan de hand van. de koning echter de voornaamsten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]