Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Van Adam tot Abraham

11Adam,

1:1
Gen. 5:3,4
Seth, Enos,

2Kenan, Mahalaleël, Jered,

3Henoch, Methusalach, Lamech,

4Noach, Sem, Cham en Jafeth.

5De

1:5
Gen. 10:2
zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.

6De zonen van Gomer waren Askenaz, Difath en Togarma.

7En de zonen van Javan waren Elisa en Tarsisa, Chittim en Dodanim.

8De zonen van

1:8
Gen. 10:6
Cham waren Cusj en Mizraïm, Put en Kanaän.

9De zonen van Cusj waren Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. En de zonen van Raëma waren Sjeba en Dedan.

10Cusj verwekte Nimrod; deze begon een geweldenaar op aarde te worden.

11En Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,

12de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit

1:12
Gen. 10:14
wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.

13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

14en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,

15de Heviet, de Arkiet, de Siniet,

16de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet.

17De

1:17
Gen. 10:22
zonen van Sem waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud, Aram, Uz, Hul, Gether en Mesech.

18Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.

19Bij Heber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg,1:19 Peleg kan vertaald worden met: verdeling. omdat in zijn dagen de aarde verdeeld werd, en de naam van zijn broer was Joktan.

20Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,

21Hadoram, Uzal en Dikla,

22Ebal, Abimaël en Sjeba,

23Ofir, Havila en Jobab. Zij waren allen zonen van Joktan.

24

1:24
Gen. 11:10Luk. 3:36
Sem, Arfachsad, Selah,

25Heber, Peleg, Rehu,

26Serug, Nahor, Terah,

27Abram, dat is Abraham.

De nakomelingen van Abraham

28

1:28
Gen. 16:15
21:2
De zonen van Abraham waren Izak en Ismaël.

29Dit zijn hun afstammelingen:

1:29
Gen. 25:13
de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en vervolgens Kedar, Adbeël en Mibsam,

30Misma en Duma, Massa, Hadad en Tema,

31Jetur, Nafis en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël.

32De

1:32
Gen. 25:2
zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. De zonen van Joksan waren Sjeba en Dedan.

33De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura.

34Abraham verwekte Izak. De

1:34
Gen. 25:21,24
zonen van Izak waren Ezau en Israël.

De nakomelingen van Ezau

35De

1:35
Gen. 36:10
zonen van Ezau waren Elifaz, Rehuel, Jeüs, Jaëlam en Korach.

36De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefi, Gaëtam, Kenaz, Timna en Amalek.

37De zonen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

38De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer en Disan.

39De zonen van Lotan waren Hori en Homam, en de zuster van Lotan was Timna.

40De zonen van Sobal waren Aljan, Manahath, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Zibeon waren Aja en Ana.

41De zoon van Ana was Dison. De zonen van Dison waren Hamran, Esban, Jithran en Cheran.

42De zonen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Jaäkan. De zonen van Disan waren Uz en Aran.

De koningen van Edom

43Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba.

44Bela stierf, en in zijn plaats regeerde Jobab, een zoon van Zerah, van Bozra.

45Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Temanieten, regeerde in zijn plaats.

46Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith.

47Hadad stierf, en Samla, uit Masreka, regeerde in zijn plaats.

48Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

49Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

50Baäl-Hanan stierf, en Hadad regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn vrouw was Mehetabeël, dochter van Matred, de dochter van Mezahab.

51Toen Hadad stierf, werden stamhoofden in Edom: het stamhoofd Timna, het stamhoofd Alja, het stamhoofd Jetheth,

52het stamhoofd Oholibama, het stamhoofd Ela, het stamhoofd Pinon,

53het stamhoofd Kenaz, het stamhoofd Teman, het stamhoofd Mibzar,

54het stamhoofd Magdiël, en het stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom.

2

De nakomelingen van Juda

21Dit

2:1
Gen. 29:32
30:5
35:18,22
46:8
zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

3De

2:3
Gen. 38:3
46:12
Num. 26:19
zonen van Juda zijn: Er, Onan en Sela. Drie zijn er hem geboren uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde Hij hem.

4

2:4
Gen. 38:28,29
Matt. 1:3
Maar Tamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. De zonen van Juda waren vijf in totaal.

5De

2:5
Gen. 46:12
zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

6En de zonen van Zerah waren Zimri, Ethan, Heman, Chalcol en Dara. Deze zijn vijf in totaal.

7De zoon van Charmi was Achar,

2:7
Joz. 7:25
die Israël in het ongeluk stortte, omdat hij ontrouw was met dat wat door de ban gewijd was.

8De zoon van Ethan was Azaria.

9De zonen van Hezron, die hem geboren werden, waren Jerahmeël, Ram en Chelubai.

10Ram

2:10
Ruth 4:19
Matt. 1:3,4
verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de
2:10
Num. 1:7
2:3
leider van de nakomelingen van Juda.

11Nahesson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz.

12Boaz verwekte Obed, Obed verwekte Isaï,

13Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,

14Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,

15Ozem, de zesde, en David, de zevende.

16Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie zonen.

17Abigaïl baarde Amasa; de vader van Amasa was Jether de Ismaëliet.

18Kaleb, de zoon van Hezron, verwekte zonen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jerioth. En dit waren haar zonen: Jeser, Sobab en Ardon.

19Toen Azuba gestorven was, nam Kaleb zich Efrath tot vrouw. Deze baarde hem Hur.

20

2:20
Ex. 31:2
Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.

21Daarna kwam Hezron bij de dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij nam haar tot vrouw toen hij zestig jaar was, en zij baarde hem Segub.

22Segub verwekte Jaïr, en hij had drieëntwintig steden in het land Gilead.

23Maar Gesur nam, met Aram, Havvoth-Jaïr van hen af, met Kenath en de bijbehorende plaatsen, zestig steden. Dit zijn allen zonen van Machir, de vader van Gilead.

24Na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, baarde Abia, de vrouw van Hezron, hem ook nog Assjur, de vader van Tekoa.

25De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.

26Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.

27De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël, waren Maäz, Jamin en Eker.

28De zonen van Onam waren Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.

29De naam van de vrouw van Abisur was Abihaïl; zij baarde hem Achban en Molid.

30De zonen van Nadab waren Seled en Appaïm; Seled stierf zonder kinderen.

31De zoon van Appaïm was Jiseï; de zoon van Jiseï was Sesan, en de zoon van Sesan was Achlai.

32De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan; Jether stierf zonder kinderen.

33De zonen van Jonathan waren Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerahmeël.

34Sesan had geen zonen, maar dochters. Sesan had echter een Egyptische slaaf, en zijn naam was Jarha.

35Sesan gaf zijn dochter aan zijn slaaf Jarha tot vrouw, en zij baarde hem Attai.

36Attai verwekte Nathan, en Nathan verwekte Zabad,

37Zabad verwekte Eflal, en Eflal verwekte Obed,

38Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria,

39Azaria verwekte Helez, en Helez verwekte Elasa,

40Elasa verwekte Sismai, en Sismai verwekte Sallum,

41Sallum verwekte Jekamja, en Jekamja verwekte Elisama.

42De zoon van Kaleb, de broer van Jerahmeël, is Mesa, zijn eerstgeborene (dat is de vader van Zif), en de zonen van Maresa, de vader van Hebron.

43De zonen van Hebron waren Korach, Tappuah, Rekem en Sema.

44Sema verwekte Raham, de vader van Jorkeam; Rekem verwekte Sammai.

45De zoon van Sammai was Maon, en Maon was de vader van Beth-Zur.

46Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, Moza en Gazez; Haran verwekte Gazez.

47De zonen van Jochdai waren Regem, Jotham, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48Bij zijn bijvrouw Maächa verwekte Kaleb Seber en Tirhana.

49En de vrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena en de vader van Gibea. De dochter van Kaleb was Achsa.

50Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim,

51Salma, de vader van Bethlehem en Haref, de vader van Beth-Gader.

52De zonen van Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, waren Haroë en half Menuchoth.

53De geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, de Futieten, de Sumathieten en de Misraïeten. Uit hen zijn de Zorathieten en de Esthaolieten voortgekomen.

54De zonen van Salma waren Bethlehem, de Netofatieten, Atroth, Beth-Joab, de helft van de Manachathieten en de Zorieten.

55En de geslachten van de schrijvers, die in Jabez woonden: de Tirathieten, de Simathieten en de Suchathieten. Dit zijn de Kenieten die van Hammath, de vader van het huis van Rechab, afstammen.