Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5
De jongen

51Ik ben al in je tuin,

mijn meisje, mijn bruid.

Ik pluk er geurige kruiden en planten,

ik eet er zoete honing

en drink er melk en wijn.

Laten we samen eten en drinken,

laten we genieten van de liefde!

Ik droom over mijn liefste

Het meisje

2Ik slaap, maar ik ben klaarwakker.

In mijn droom hoor ik hem.

Mijn liefste klopt op de deur.

‘Doe open,’ roept hij, ‘meisje van me, vriendin,

mijn duifje, niemand is zo mooi als jij!

Mijn hoofd is nog nat van de dauw,

mijn haren zijn vochtig van de nacht.’

3Maar ik heb mijn hemd al uit,

moet ik het soms weer aandoen?

Ik heb mijn voeten al gewassen,

moet ik ze weer vuil maken?

4Mijn liefste steekt zijn hand door de deur,

mijn hart klopt snel, ik verlang naar hem!

5Ik spring op om open te doen.

Met vochtige handen open ik de deur,

geurige olie valt van mijn vingers.

6Ik doe de deur open voor mijn liefste,

maar hij is weg, hij is verdwenen!

Ik weet niet wat ik moet doen.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

Ik roep hem, maar hij antwoordt niet.

7De bewakers vinden mij,

de bewakers van de stad.

Ze slaan me, ze doen me pijn,

ze trekken de sluier van mijn hoofd.

8Beloof me dit, meisjes van Jeruzalem:

Als jullie mijn liefste vinden,

weet je wat je dan zeggen moet?

Dat ik ziek ben van liefde!

De vriendinnen

9Waarom moeten we jou dat beloven,

mooiste van alle vrouwen?

Waarom vraag je dat aan ons?

Wat maakt jouw liefste zo bijzonder?

Mijn vriend is de allermooiste

Het meisje

10Mijn vriend is stralend en schitterend,

hij is mooier dan alle andere jongens.

11Zijn hoofd glanst, het lijkt wel van goud.

Zijn zwarte haren hebben mooie krullen.

12Zijn ogen zijn zo zacht als de ogen van een duif,

een duif die bij een rivier zit,

of die zich wast in melk.

13De wangen van mijn vriend ruiken heerlijk,

ze ruiken als een tuin vol kruiden.

Zijn lippen lijken op geurige lelies,

ze zijn vochtig van zoete olie.

14Zijn armen zijn stevig.

Ze lijken wel van goud,

met prachtige edelstenen.

Zijn borst is zo sterk als ivoor,

met edelstenen versierd.

15Zijn benen lijken op sterke zuilen

met voetstukken van goud.

Zijn lijf is lang en hij is groot,

zo groot als een boom op de Libanon-bergen.

16Zijn mond is zoet,

ik vind alles aan hem mooi!

Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend,

meisjes van Jeruzalem.

6

Waar kan ik mijn vriend vinden?

De vriendinnen

61Mooiste van alle vrouwen,

waar is je liefste heen?

Waar is hij naartoe gegaan?

Kom, we gaan hem samen zoeken.

Het meisje

2Mijn liefste is naar zijn tuin gegaan,

een tuin vol kruiden.

Daar wil hij graag zijn, om lelies te plukken.

3Ik ben van mijn liefste,

en hij is van mij.

Hij wandelt tussen de bloeiende lelies.

Mijn vriendin is de allermooiste

De jongen

4Je bent zo mooi, vriendin van me,

je bent zo mooi als de stad Tirsa,

zo prachtig als de stad Jeruzalem.

Je bent zo sterk als de sterkste steden.

5Kijk me niet zo aan,

je ogen maken me onzeker.

Je donkere haar hangt mooi over je schouders,

je zwarte krullen lijken op een kudde geiten

die van de berg af komt.

6Je tanden zijn mooi wit,

zo wit als schapen

die net gewassen zijn, vlak voor het scheren.

De schapen komen twee aan twee,

er ontbreekt er niet één.

7Ik zie je mond lachen, door je sluier heen.

Je mond lijkt op een rode vrucht.

8Ook al zijn er zestig koninginnen,

ook al zijn er tachtig andere vrouwen

en ontelbaar veel meisjes,

9er is er maar één zoals zij, mijn duifje.

Zij is de allermooiste!

Toen ze geboren werd,

maakte ze haar moeder zo gelukkig!

Alle meisjes vinden haar prachtig.

Alle vrouwen van de koning bewonderen haar.

De vriendinnen

10Wie is die vrouw,

die licht geeft als de zon in de ochtend,

die zo helder is als de volle maan,

die zo stralend is als de zon?

Die zo bijzonder is,

en mooier dan alle andere vrouwen?

Ik ben naar de tuin gegaan

De jongen

11Ik ben naar de tuin gegaan,

de tuin met de notenbomen.

Ik wilde zien wat er groeit bij de rivier.

Ik wilde zien of de druivenplanten al blad krijgen

en of de bomen al bloeien.

12Maar toen gebeurde er iets vreemds.

Het leek net alsof ik meegenomen werd in een wagen,

een wagen van de koning, en ik was de prins!

7

Laat zien hoe mooi je danst

De vriendinnen

71Dans, meisje uit Jeruzalem, dans!

We willen zien hoe mooi je danst.

Het meisje

Waarom willen jullie naar mij kijken,

als ik dans en ronddraai?

De jongen

2Wat zijn je voeten mooi, prinses,

je voeten in je sandalen.

Je heupen draaien mooi rond,

het lijkt wel het werk van een kunstenaar!

3Je navel lijkt op een ronde schaal

die gevuld is met kruidige wijn.

Je buik lijkt op een zacht hoopje tarwe,

met lelies eromheen.

4Je borsten lijken wel twee kalfjes,

of twee jonge herten.

5Je hals lijkt op een toren van ivoor.

Je ogen lijken op de vijvers van de stad Chesbon,

de vijvers bij de poort van Bat-Rabbim.

Je neus lijkt op een toren op de Libanon-bergen,

waar je uitkijkt over de stad Damascus.

6Je hoofd is zo hoog als de berg Karmel.

Om je hoofd krullen je glanzende haren,

die mij gevangen houden.

De jongen

7Wat ben je mooi,

wat ben je knap.

Je bent lief, zo lief!

8Je bent zo slank als een palmboom,

je borsten lijken op druiventrossen.

9-10Ik wil wel in die palmboom klimmen,

en me vasthouden aan zijn takken.

Ik wil je kussen en je liefde proeven met mijn lippen.

Want je adem is zo zoet als een appel,

je tong smaakt naar zoete wijn,

je borsten lijken op druiventrossen.

Laten we naar buiten gaan

Het meisje

11Ik ben van mijn liefste,

hij verlangt naar mij!

12Kom, mijn liefste, laten we naar buiten gaan,

laten we slapen tussen de bloemen.

13Laten we vroeg naar de wijngaard gaan.

Laten we kijken of de takken al groen worden

en de bloemen al bloeien.

Daar in de wijngaard zal ik je liefhebben.

14Je ruikt de geur al van de liefdesbessen.

Boven de poorten hangen allerlei vruchten,

vers geplukt of goed gedroogd.

Ik heb ze voor jou bewaard!