Bijbel in Gewone Taal (BGT)
32

Het land ten oosten van de Jordaan

De stammen Ruben en Gad willen grond

321De stammen Ruben en Gad hadden enorm veel vee. Ze ontdekten dat de gebieden Jazer en Gilead heel geschikt waren voor hun kuddes. 2Daarom gingen ze naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van het volk. Ze zeiden tegen hen: 3-4‘De Heer heeft voor het volk van Israël een gebied veroverd dat heel geschikt is voor vee. Dat is het gebied met de steden Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon. Wij hebben veel vee. 5Vinden jullie het goed dat dat gebied aan ons gegeven wordt? Dan kunnen wij aan deze kant van de Jordaan blijven.’

De Israëlieten moeten elkaar helpen

6Mozes antwoordde: ‘Willen jullie hier blijven, terwijl de mensen van jullie eigen volk oorlog moeten voeren? 7Maar dan maken jullie de andere Israëlieten bang! Dan willen zij de Jordaan ook niet meer oversteken. Dan durven ze niet naar het land te gaan dat de Heer hun gegeven heeft.

8Jullie voorouders hebben vroeger net zoiets gedaan als jullie. Ik stuurde ze vanuit Kades-Barnea naar het land Kanaän om te gaan kijken hoe het daar was. 9Ze gingen het land door tot het Eskol-dal. Daarna maakten ze andere Israëlieten bang. En toen wilde niemand meer naar het land dat de Heer beloofd had.

10-11De Heer werd toen woedend, en zei: ‘De Israëlieten zijn mij niet trouw gebleven. Ze zullen het land dat ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb, niet binnengaan! Alle mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte weggegaan zijn, zullen sterven. Dat is zeker! 12Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, uit de familie van de Kenizzieten, en Jozua, de zoon van Nun, zullen het land binnengaan. Want zij zijn mij trouw gebleven.’’

Ontrouwe mensen worden gestraft

13Mozes zei verder: ‘De Heer was toen zo woedend dat hij de Israëlieten veertig jaar door de woestijn liet zwerven. In die tijd is iedereen die zich verzette tegen de Heer, gestorven.

14Zo ging het vroeger. En nu gedragen jullie je net zo slecht als jullie voorouders. Jullie maken de Heer nog kwader dan toen!

15Luister, mensen van de stammen Ruben en Gad! Als jullie niet doen wat de Heer wil, dan laat hij zijn volk nog langer in de woestijn blijven. Totdat iedereen dood is! En dat is dan jullie schuld.’

De stammen Gad en Ruben helpen mee

16-17Toen zeiden de mensen van de stammen Gad en Ruben tegen Mozes: ‘Wij zullen met al onze wapens klaarstaan om voor de andere Israëlieten te vechten! Maar eerst willen we hier schuren bouwen voor ons vee, en steden voor onze vrouwen en kinderen. Dan zijn zij beschermd tegen hun vijanden, en kunnen ze veilig hier blijven. Daarna zullen we voor de andere Israëlieten uit gaan, en hen naar hun gebieden brengen aan de overkant van de Jordaan. 18En we zullen pas teruggaan als alle Israëlieten een eigen stuk land hebben. 19Wij hoeven geen land ten westen van de Jordaan te hebben, als wij hier ten oosten van de Jordaan ons deel krijgen.’

Mozes steunt het plan

20Mozes antwoordde: ‘Als dat jullie plan is, zorg dan dat jullie klaar zijn om oorlog te voeren voor de Heer. 21Laat jullie mannen met al hun wapens de Jordaan oversteken. Ze moeten daar blijven totdat de Heer alle vijanden verjaagd heeft. 22Als het land veroverd is, mogen jullie teruggaan. Want dan hebben jullie gedaan wat jullie aan de Heer en aan de Israëlieten verplicht waren. Het land hier zal dan voor altijd van jullie zijn. De Heer geeft het aan jullie.

23Maar als jullie de andere Israëlieten niet helpen, dan doen jullie niet wat de Heer wil. Dan zullen jullie zeker gestraft worden.

24Bouw nu eerst steden voor jullie vrouwen en kinderen, en schuren voor jullie vee. En doe daarna wat jullie beloofd hebben.’

25De mensen van Gad en Ruben zeiden tegen Mozes: ‘We zullen alles doen wat u zegt. 26Onze vrouwen en kinderen en al ons vee blijven hier in de steden van het gebied Gilead. 27Maar wij zullen de Jordaan oversteken als u dat zegt. Wij staan klaar om te vechten voor de Heer.’

Het besluit staat vast

28Toen zei Mozes tegen de priester Eleazar en Jozua, en tegen alle leiders van de stammen: 29‘De mannen van de stammen Gad en Ruben zijn klaar voor de strijd. Zij zullen samen met jullie de Jordaan oversteken. Ze zullen jullie helpen om het land te veroveren. Daarna moeten jullie hun het gebied Gilead geven. Dat zal dan voor altijd van hen zijn. 30Maar als zij niet de Jordaan oversteken om samen met jullie te vechten, dan krijgen ze het gebied Gilead niet. Dan krijgen ze een stuk land in Kanaän, net als jullie.’

31De mensen van Gad en Ruben zeiden: ‘Wij zullen doen wat de Heer zegt. 32We zijn klaar voor de strijd. We zullen de Jordaan oversteken om te vechten voor de Heer. Maar daarna krijgen wij dit gebied, hier aan de oostkant van de Jordaan.’

Mozes verdeelt het land

33Toen gaf Mozes aan de stammen Gad, Ruben en de helft van de stam Manasse elk een eigen gebied. Ze kregen het gebied met alle steden van Sichon, de koning van de Amorieten, en het gebied met alle steden van Og, de koning van Basan.

34De mensen van de stam Gad bouwden de volgende steden weer op: Dibon, Atarot, Aroër, 35Atrot-Sofan, Jazer, Jogboha, 36Bet-Nimra en Bet-Haran. Die steden hadden grote, sterke muren. Ook bouwden ze schuren voor hun vee.

37-38De mensen van de stam Ruben bouwden de volgende steden weer op en gaven ze nieuwe namen: Chesbon, Elale, Kirjataïm, Sibma en de steden die bekend waren als Nebo en Baäl-Meon.

39De nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead. Zij veroverden dat gebied en jaagden de Amorieten daar weg. 40Daarom gaf Mozes het gebied Gilead aan de nakomelingen van Machir. En die gingen daar wonen.

41Jaïr, ook een zoon van Manasse, veroverde een aantal kleine dorpen. Hij noemde die de Dorpen van Jaïr.

42Nobach veroverde de stad Kenat met de dorpen daaromheen, en hij noemde de stad naar zichzelf: Nobach.

33

De reis van Egypte naar Moab

Het vertrek uit Egypte

331-2De Israëlieten waren in grote groepen uit Egypte vertrokken. Daarna waren ze onder leiding van Mozes en Aäron van de ene plaats naar de andere gegaan. Mozes schreef de namen op van alle plaatsen waar de Israëlieten aankwamen en vertrokken. Hij deed dat in opdracht van de Heer.

Nu volgen de plaatsen waar de Israëlieten op hun reis geweest zijn.

3De reis van de Israëlieten begon in Rameses. Ze vertrokken uit Egypte op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Paasfeest.

De Egyptenaren zagen dat de Israëlieten zonder angst weggingen. 4Op dat moment waren ze zelf nog bezig met het begraven van hun doden. Want de Heer had in elk Egyptisch gezin de oudste zoon gedood. Zo liet hij zien dat hij machtiger was dan de goden van Egypte.

De reis van Rameses naar Refidim

5Na het vertrek uit Rameses trokken de Israëlieten van de ene plaats naar de andere. Ze kwamen eerst in Sukkot. 6Daarna gingen ze naar Etam, aan de rand van de woestijn. 7Daarvandaan gingen ze in de richting van Pi-Hachirot, bij Baäl-Sefon. Ze zetten hun tenten op in de buurt van Migdol.

8Daarna gingen ze dwars door de Rietzee en kwamen ze in de woestijn van Etam. Na een reis van drie dagen door de woestijn kwamen ze in Mara. 9Van Mara gingen ze naar Elim. Daar waren twaalf bronnen en zeventig palmbomen. 10Vanuit Elim gingen ze weer naar de Rietzee, 11en daarvandaan naar de Sin-woestijn. 12-14Daarna kwamen ze in Dofka, en toen in Alus en Refidim. In Refidim was geen drinkwater.

De reis van Refidim naar de berg Hor

15-37Daarna trokken de Israëlieten door de Sinai-woestijn. Ze zetten hun tenten op bij de volgende plaatsen: Kibrot-Hattaäwa, Chaserot, Ritma, Rimmon-Peres, Libna, Rissa, Kehelata, bij de berg Sefer, bij Charada, Makhelot, Tachat, Terach, Mitka, Chasmona, Moserot, Bene-Jaäkan, Chor-Haggidgad, Jotbata, Abrona, Esjon-Geber, en bij Kades in de Sin-woestijn. Ten slotte kwamen ze bij de berg Hor, bij de grens van het land Edom.

De dood van Aäron

38-39Bij de berg Hor kreeg de priester Aäron van de Heer de opdracht om de berg op te gaan. En daar stierf hij. Dat gebeurde in het veertigste jaar na het vertrek uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. Aäron is 123 jaar oud geworden.

40In die tijd hoorde de koning van Arad dat de Israëlieten op weg waren naar Kanaän. Arad was een stad in het zuiden van Kanaän.

De reis van de berg Hor naar Moab

41-49Van de berg Hor reisden de Israëlieten weer verder. Ze zetten hun tenten op bij de volgende plaatsen: Salmona, Punon, Obot, Ijje-Haäbarim, dat bij de grens van Moab ligt, Dibon-Gad, Almon-Diblataïm, en daarna bij de berg Nebo, in het gebied van de Abarim-bergen. Daarna kwamen ze in Moab, in het gebied ten oosten van de Jordaan, vlak bij de stad Jericho. Daar zetten ze hun tenten op langs de Jordaan, in het gebied tussen Bet-Hajjesimot en Abel-Hassittim.

Kanaän is voor de Israëlieten

50Toen de Israëlieten in Moab aangekomen waren, zei de Heer tegen Mozes: 51‘Zeg het volgende tegen de Israëlieten: ‘Jullie steken straks de rivier de Jordaan over, en dan komen jullie in het land Kanaän. 52Daar moeten jullie alle bewoners van het land wegjagen. Jullie moeten hun godenbeelden van steen en brons kapotslaan. En jullie moeten hun offerplaatsen vernietigen.

53Jullie moeten het land veroveren en overal gaan wonen. Want ik heb dat land aan jullie gegeven, het wordt jullie bezit. 54Verdeel het land onder jullie families door te loten. Het lot bepaalt welk stuk land een familie zal krijgen. Maar zorg ervoor dat grote families een groot stuk land krijgen, en kleinere families een kleiner stuk.

55Als jullie de bewoners van het land niet allemaal wegjagen, dan zullen ze het jullie erg moeilijk maken. De mensen die overblijven, zullen vijanden van jullie worden. Jullie zullen altijd last van ze hebben. 56En als jullie hen niet wegjagen, zal ik jullie wegjagen in plaats van hen.’’

34

De grenzen van het land

De zuidgrens en de westgrens

341-2Mozes moest namens de Heer het volgende tegen de Israëlieten zeggen: ‘Jullie komen straks in het land Kanaän, het land dat altijd jullie bezit zal zijn. Nu volgen de grenzen van dat land.

3De zuidgrens loopt langs het gebied van Edom naar de Sin-woestijn. Die grens begint in het oosten bij de zuidpunt van de Dode Zee. 4Vanaf daar loopt hij richting het zuidwesten, naar de Schorpioenenpas en naar Sin. Hij loopt verder ten zuiden van Kades-Barnea via Chasar-Addar naar Asmon. 5Daarna loopt hij richting het noordwesten, langs de rivier bij de grens met Egypte, tot aan de Middellandse Zee.

6De westgrens is de kust van de Middellandse Zee.

De noordgrens en de oostgrens

7De noordgrens begint bij de Middellandse Zee en loopt naar de berg Hor. 8Vanaf daar loopt hij via Lebo-Hamat naar Sedad, 9en via Zifron tot aan Chasar-Enan. Daar eindigt de noordgrens.

10De oostgrens begint bij Chasar-Enan en gaat naar Sefam. 11Van Sefam loopt de oostgrens richting het zuiden, naar Ribla, ten oosten van Aïn. Vanaf daar loopt hij langs de heuvels aan de oostkant van het Meer van Kinneret. 12Dan gaat hij langs de Jordaan verder naar het zuiden, tot aan de Dode Zee.

Zo lopen de grenzen van het land.’

De verdeling van het land

Elke stam krijgt een stuk land

13Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Dat is dus het land dat jullie onder de stammen moeten verdelen door te loten. Zo wil de Heer het. 14Maar de families van de stammen Ruben en Gad en de helft van de stam Manasse hebben hun deel al gekregen. 15Zij hebben land gekregen ten oosten van de Jordaan.’

De mannen die het land verdelen

16De Heer zei tegen Mozes: 17-18‘Het land moet verdeeld worden door de priester Eleazar en door Jozua, de zoon van Nun. En je moet in elke stam een leider aanwijzen die hen daarbij moet helpen. Dit zijn de leiders die je moet aanwijzen:

19Kaleb, de zoon van Jefunne, uit de stam Juda. 20Semuel, de zoon van Ammihud, uit de stam Simeon. 21Elidad, de zoon van Kislon, uit de stam Benjamin. 22Bukki, de zoon van Jogli, uit de stam Dan.

23-24Channiël, de zoon van Efod, uit de stam Manasse, en Kemuel, de zoon van Siftan, uit de stam Efraïm. Manasse en Efraïm waren nakomelingen van Jozef.

25Elisafan, de zoon van Parnach, uit de stam Zebulon. 26Paltiël, de zoon van Azzan, uit de stam Issachar. 27Achihud, de zoon van Selomi, uit de stam Aser. 28Pedaël, de zoon van Ammihud, uit de stam Naftali.’

29Die mannen moesten van de Heer het land Kanaän verdelen onder de Israëlieten.