Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

301Daarna vertelde Mozes aan het volk alles wat de Heer gezegd had.

Beloftes aan de Heer

2Mozes zei tegen de leiders van de stammen van Israël: ‘Nu volgen er regels die de Heer gegeven heeft.

Wie iets belooft, moet dat ook doen

3Stel dat iemand aan de Heer belooft om iets te doen. Of stel dat hij plechtig aan de Heer belooft om iets juist niet te doen. Dan moet zo iemand zich aan die belofte houden. Hij moet alles doen wat hij beloofd heeft.

Als een meisje niet getrouwd is

4Stel dat een meisje dat nog bij haar ouders woont, aan de Heer belooft om iets te doen. Of dat ze belooft om iets juist niet te doen. 5Dan moet ze zich aan haar belofte houden. Maar alleen als haar vader weet wat ze beloofd heeft en hij er niets van zegt.

6Maar als haar vader haar iets hoort beloven en hij protesteert daartegen, dan is haar belofte niet geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt. Want haar vader heeft geprotesteerd.

Als een vrouw getrouwd is

7-8Stel dat een vrouw trouwt en dat zij nog iets moet doen dat ze ooit beloofd heeft. Dan blijft die belofte geldig, ook als ze er niet goed over nagedacht heeft. Maar de belofte blijft alleen geldig als haar man weet wat ze beloofd heeft en hij er niets van zegt.

9Als haar man weet wat ze beloofd heeft en hij protesteert daartegen, dan is haar belofte niet meer geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt.

10Stel dat een vrouw weduwe geworden is, of door haar man is weggestuurd. Dan blijft haar belofte geldig.

De man is steeds verantwoordelijk

11Stel dat een vrouw getrouwd is en dat ze de Heer plechtig belooft om iets te doen, of om iets juist niet te doen. 12En stel dat haar man weet wat ze beloofd heeft, maar dat hij er niets van zegt en er niet tegen protesteert. Dan moet ze zich aan haar belofte houden.

13Stel dat de vrouw iets aan de Heer belooft, en dat haar man direct zegt dat die belofte niet geldig is. Dan is die belofte inderdaad niet geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt. Want haar man had gezegd dat haar belofte niet geldig was.

14Een vrouw kan wel iets aan de Heer beloven, maar haar man bepaalt altijd of haar belofte geldig is of niet. 15Als haar man hoort wat zij belooft en hij er binnen 24 uur niets van zegt, dan is haar belofte geldig. 16En als hij later toch zegt dat de belofte niet geldig is, dan is hij verantwoordelijk. Als een vrouw zich dan niet aan haar belofte houdt, wordt haar man gestraft.’

Slot

17Dat zijn de regels die de Heer aan Mozes gegeven heeft over de beloftes van getrouwde en van ongetrouwde vrouwen.

31

Oorlog tegen de Midjanieten

Mozes maakt een leger klaar

311De Heer zei tegen Mozes: 2‘Binnenkort zul je sterven. Maar zorg eerst dat de Israëlieten wraak nemen op de Midjanieten.’

3Toen zei Mozes tegen het volk: ‘Maak een leger klaar voor de strijd. De Heer wil dat we de Midjanieten aanvallen en straffen. 4Iedere stam moet duizend soldaten sturen.’

5Zo werd er een leger gevormd van 12.000 soldaten, duizend uit elke stam van Israël.

Het leger verslaat de Midjanieten

6-7Mozes stuurde het leger op weg om oorlog te voeren tegen de Midjanieten. Dat was de opdracht van de Heer. Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, ging met het leger mee. Hij nam de heilige voorwerpen mee, en ook de trompetten waarop geblazen moest worden.

De Israëlieten doodden alle mannen uit Midjan, 8en ook hun vijf koningen: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba. Ze doodden ook Bileam, de zoon van Beor. 9Ze namen alle vrouwen en kinderen gevangen. En ze namen de koeien, schapen en geiten van de Midjanieten mee, en ook al hun andere bezittingen. 10Ten slotte staken ze alle steden en tentenkampen van de Midjanieten in brand.

Mozes is woedend

11-12De Israëlitische soldaten namen alles mee wat ze konden vinden. Dat brachten ze met alle gevangenen en al het vee naar Mozes, Eleazar en de andere Israëlieten. Die waren op dat moment in Moab, in het gebied ten oosten van de Jordaan, vlak bij de stad Jericho.

13Mozes ging het leger tegemoet, samen met Eleazar en alle leiders van de Israëlieten. 14Toen hij de soldaten met de gevangenen zag, werd hij woedend op de legerleiders. 15Hij zei tegen hen: ‘Ik zie dat jullie alle vrouwen in leven hebben gelaten. 16Maar juist die vrouwen waren gevaarlijk voor ons volk! Zij luisterden naar Bileam, en zo zorgden ze ervoor dat de Israëlieten ontrouw werden aan de Heer. Dat gebeurde allemaal bij de berg Peor. De Heer heeft ons toen gestraft, en er zijn daar veel mensen gestorven.

De gevangenen moeten gedood worden

17Daarom moeten jullie nu alle jongens uit Midjan doden, en ook alle vrouwen die met een man geslapen hebben. 18Alleen de meisjes die nog niet met een man geslapen hebben, mag je in leven laten. Die mogen jullie voor jezelf houden.

19Ieder van jullie die een ander gedood heeft of een dode heeft aangeraakt, moet zeven dagen buiten het tentenkamp blijven. Op de derde en de zevende dag moeten jullie je daar wassen om weer rein te worden. Ook alle gevangenen moeten zich wassen. 20Ten slotte moeten alle kleren gewassen worden, en alle voorwerpen van leer, wol en hout, zodat die weer rein worden.’

Alles moet schoongemaakt worden

21Daarna zei de priester Eleazar tegen de soldaten die oorlog gevoerd hadden: ‘De Heer heeft aan Mozes de volgende regel gegeven: 22-23‘Onreine voorwerpen die niet kunnen branden, moeten jullie met vuur schoonmaken. Dat zijn de voorwerpen van goud, zilver, brons, ijzer, tin of lood. Daarna moeten jullie ze met water wassen, en dan zijn ze weer rein. Voorwerpen die wel kunnen branden, moeten jullie alleen met water wassen. Dan zijn ze weer rein.

24Ook moeten jullie je kleren wassen op de zevende dag. Daarna zijn jullie weer rein. En dan mogen jullie het kamp weer binnenkomen.’’

De soldaten mogen niet alles houden

25De Heer zei tegen Mozes: 26‘Roep de priester Eleazar en de leiders van alle families bij elkaar. Tel dan samen met hen alle mensen en dieren die uit Midjan meegenomen zijn. 27Geef de ene helft aan de soldaten die oorlog gevoerd hebben. En geef de andere helft aan de rest van het volk.

28-29De soldaten moeten van elke vijfhonderd mensen en dieren één mens en één dier aan Eleazar geven. Dat zijn geschenken voor mij. 30De rest van het volk moet één van elke vijftig mensen en dieren aan jou geven. Die zijn voor de Levieten die in de heilige tent werken.’

De mensen en de dieren worden geteld

31Mozes en Eleazar deden wat de Heer gezegd had. 32De soldaten hadden uit Midjan veel mensen en dieren meegenomen. In totaal waren het 675.000 schapen en geiten, 3372.000 koeien, 3461.000 ezels, 35en 32.000 meisjes die nog nooit met een man geslapen hadden.

De verdeling van mensen en dieren

36-40De soldaten kregen de helft van de meisjes en van de dieren: 337.500 schapen en geiten, 36.000 koeien, 30.500 ezels en 16.000 meisjes. Hiervan moesten de soldaten 675 schapen en geiten, 72 koeien, 61 ezels en 32 meisjes als een geschenk aan de Heer geven. 41Mozes gaf de dieren en de meisjes die voor de Heer waren, aan de priester Eleazar. Want zo had de Heer het gezegd.

42De Israëlieten die geen oorlog gevoerd hadden, kregen de andere helft: 43337.500 schapen en geiten, 4436.000 koeien, 4530.500 ezels 46en 16.000 meisjes. 47Steeds hield Mozes één van elke vijftig meisjes en dieren apart. Die gaf hij aan de Levieten die bij de heilige tent werkten. Want zo had de Heer het gezegd.

De legerleiders willen de Heer danken

48Toen kwamen alle legerleiders naar Mozes toe. 49Ze zeiden: ‘Wij hebben al onze soldaten geteld, en ze zijn er allemaal nog. 50Daarom willen we een geschenk geven aan de Heer. We hebben gouden voorwerpen uit Midjan meegenomen: armbanden, en allerlei soorten ringen en kettingen. Die geven we als dank aan de Heer, omdat hij ervoor gezorgd heeft dat we allemaal nog in leven zijn.’

51Mozes en Eleazar namen al die gouden sieraden aan. 52In totaal gaven de legerleiders bijna 200 kilo goud aan de Heer. 53Maar de gewone soldaten hielden alles wat ze meegenomen hadden, voor zichzelf.

54Mozes en Eleazar brachten al het goud van de legerleiders naar de heilige tent. Ze wilden dat de Heer door dat geschenk altijd aan de Israëlieten zou denken.

32

Het land ten oosten van de Jordaan

De stammen Ruben en Gad willen grond

321De stammen Ruben en Gad hadden enorm veel vee. Ze ontdekten dat de gebieden Jazer en Gilead heel geschikt waren voor hun kuddes. 2Daarom gingen ze naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van het volk. Ze zeiden tegen hen: 3-4‘De Heer heeft voor het volk van Israël een gebied veroverd dat heel geschikt is voor vee. Dat is het gebied met de steden Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon. Wij hebben veel vee. 5Vinden jullie het goed dat dat gebied aan ons gegeven wordt? Dan kunnen wij aan deze kant van de Jordaan blijven.’

De Israëlieten moeten elkaar helpen

6Mozes antwoordde: ‘Willen jullie hier blijven, terwijl de mensen van jullie eigen volk oorlog moeten voeren? 7Maar dan maken jullie de andere Israëlieten bang! Dan willen zij de Jordaan ook niet meer oversteken. Dan durven ze niet naar het land te gaan dat de Heer hun gegeven heeft.

8Jullie voorouders hebben vroeger net zoiets gedaan als jullie. Ik stuurde ze vanuit Kades-Barnea naar het land Kanaän om te gaan kijken hoe het daar was. 9Ze gingen het land door tot het Eskol-dal. Daarna maakten ze andere Israëlieten bang. En toen wilde niemand meer naar het land dat de Heer beloofd had.

10-11De Heer werd toen woedend, en zei: ‘De Israëlieten zijn mij niet trouw gebleven. Ze zullen het land dat ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb, niet binnengaan! Alle mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte weggegaan zijn, zullen sterven. Dat is zeker! 12Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, uit de familie van de Kenizzieten, en Jozua, de zoon van Nun, zullen het land binnengaan. Want zij zijn mij trouw gebleven.’’

Ontrouwe mensen worden gestraft

13Mozes zei verder: ‘De Heer was toen zo woedend dat hij de Israëlieten veertig jaar door de woestijn liet zwerven. In die tijd is iedereen die zich verzette tegen de Heer, gestorven.

14Zo ging het vroeger. En nu gedragen jullie je net zo slecht als jullie voorouders. Jullie maken de Heer nog kwader dan toen!

15Luister, mensen van de stammen Ruben en Gad! Als jullie niet doen wat de Heer wil, dan laat hij zijn volk nog langer in de woestijn blijven. Totdat iedereen dood is! En dat is dan jullie schuld.’

De stammen Gad en Ruben helpen mee

16-17Toen zeiden de mensen van de stammen Gad en Ruben tegen Mozes: ‘Wij zullen met al onze wapens klaarstaan om voor de andere Israëlieten te vechten! Maar eerst willen we hier schuren bouwen voor ons vee, en steden voor onze vrouwen en kinderen. Dan zijn zij beschermd tegen hun vijanden, en kunnen ze veilig hier blijven. Daarna zullen we voor de andere Israëlieten uit gaan, en hen naar hun gebieden brengen aan de overkant van de Jordaan. 18En we zullen pas teruggaan als alle Israëlieten een eigen stuk land hebben. 19Wij hoeven geen land ten westen van de Jordaan te hebben, als wij hier ten oosten van de Jordaan ons deel krijgen.’

Mozes steunt het plan

20Mozes antwoordde: ‘Als dat jullie plan is, zorg dan dat jullie klaar zijn om oorlog te voeren voor de Heer. 21Laat jullie mannen met al hun wapens de Jordaan oversteken. Ze moeten daar blijven totdat de Heer alle vijanden verjaagd heeft. 22Als het land veroverd is, mogen jullie teruggaan. Want dan hebben jullie gedaan wat jullie aan de Heer en aan de Israëlieten verplicht waren. Het land hier zal dan voor altijd van jullie zijn. De Heer geeft het aan jullie.

23Maar als jullie de andere Israëlieten niet helpen, dan doen jullie niet wat de Heer wil. Dan zullen jullie zeker gestraft worden.

24Bouw nu eerst steden voor jullie vrouwen en kinderen, en schuren voor jullie vee. En doe daarna wat jullie beloofd hebben.’

25De mensen van Gad en Ruben zeiden tegen Mozes: ‘We zullen alles doen wat u zegt. 26Onze vrouwen en kinderen en al ons vee blijven hier in de steden van het gebied Gilead. 27Maar wij zullen de Jordaan oversteken als u dat zegt. Wij staan klaar om te vechten voor de Heer.’

Het besluit staat vast

28Toen zei Mozes tegen de priester Eleazar en Jozua, en tegen alle leiders van de stammen: 29‘De mannen van de stammen Gad en Ruben zijn klaar voor de strijd. Zij zullen samen met jullie de Jordaan oversteken. Ze zullen jullie helpen om het land te veroveren. Daarna moeten jullie hun het gebied Gilead geven. Dat zal dan voor altijd van hen zijn. 30Maar als zij niet de Jordaan oversteken om samen met jullie te vechten, dan krijgen ze het gebied Gilead niet. Dan krijgen ze een stuk land in Kanaän, net als jullie.’

31De mensen van Gad en Ruben zeiden: ‘Wij zullen doen wat de Heer zegt. 32We zijn klaar voor de strijd. We zullen de Jordaan oversteken om te vechten voor de Heer. Maar daarna krijgen wij dit gebied, hier aan de oostkant van de Jordaan.’

Mozes verdeelt het land

33Toen gaf Mozes aan de stammen Gad, Ruben en de helft van de stam Manasse elk een eigen gebied. Ze kregen het gebied met alle steden van Sichon, de koning van de Amorieten, en het gebied met alle steden van Og, de koning van Basan.

34De mensen van de stam Gad bouwden de volgende steden weer op: Dibon, Atarot, Aroër, 35Atrot-Sofan, Jazer, Jogboha, 36Bet-Nimra en Bet-Haran. Die steden hadden grote, sterke muren. Ook bouwden ze schuren voor hun vee.

37-38De mensen van de stam Ruben bouwden de volgende steden weer op en gaven ze nieuwe namen: Chesbon, Elale, Kirjataïm, Sibma en de steden die bekend waren als Nebo en Baäl-Meon.

39De nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead. Zij veroverden dat gebied en jaagden de Amorieten daar weg. 40Daarom gaf Mozes het gebied Gilead aan de nakomelingen van Machir. En die gingen daar wonen.

41Jaïr, ook een zoon van Manasse, veroverde een aantal kleine dorpen. Hij noemde die de Dorpen van Jaïr.

42Nobach veroverde de stad Kenat met de dorpen daaromheen, en hij noemde de stad naar zichzelf: Nobach.