Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

Belofte van trouw aan de wet

De Israëlieten maken een afspraak

101-2Toen de Levieten klaar waren met hun gebed, maakten we met elkaar een afspraak. We schreven op wat we beloofden.

Op het document stonden stempels met de namen van onze leiders, en van de Levieten en priesters. Het waren de volgende personen:

De provinciebestuurder Nehemia, de zoon van Chachalja, en Sidkia.

3De volgende priesters: Seraja, Azarja, Jirmeja, 4Paschur, Amarja, Malkia, 5Chattus, Sebanja, Malluch, 6Charim, Meremot, Obadja, 7Daniël, Ginneton, Baruch, 8Mesullam, Abia, Miamin, 9Maäzja, Bilgai en Semaja.

10De volgende Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï en Kadmiël, de zoon van Chenadad, 11met hun familieleden Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan, 12Micha, Rechob, Chasabja, 13Zakkur, Serebja, Sebanja, 14Hodia, Bani en Beninu.

15De volgende familieleiders: Paros, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani, 16Bunni, Azgad, Bebai, 17Adonia, Bigwai, Adin, 18Ater, Chizkia, Azzur, 19Hodia, Chasum, Besai, 20Charif, Anatot, Nebai, 21Magpias, Mesullam, Chezir, 22Mesezabel, Sadok, Jaddua, 23Pelatja, Chanan, Anaja, 24Hosea, Chananja, Chassub, 25Halloches, Pilcha, Sobek, 26Rechum, Chasabna, Maäseja, 27Achia, Chanan, Anan, 28Malluch, Charim en Baäna.

Iedereen wil leven volgens de wet

29Alle andere Israëlieten, priesters, Levieten, bewakers van de tempelpoorten, tempelzangers en helpers in de tempel waren er ook bij. En alle mensen die niet meer wilden samenleven met mensen van andere volken. Ook zij wilden leven volgens de wet van God, en dat wilden ze plechtig beloven.

Ze kwamen met hun vrouwen, en met hun zonen en dochters. Ze namen ook alle kleine kinderen mee die de wet al konden begrijpen. 30Ze deden hetzelfde als de belangrijke Judeeërs. Ze beloofden plechtig om te leven volgens de wet die God aan zijn dienaar Mozes gegeven had. Ze beloofden om zich precies te houden aan alle wetten en regels van God, de Heer. Als ze dat niet deden, dan zou het slecht met hen aflopen.

Afspraken over contact met andere volken

31We beloofden de volgende dingen: ‘We zullen onze dochters niet laten trouwen met mannen uit andere volken. We zullen ook geen meisjes uit andere volken kiezen om die te laten trouwen met onze zonen.

32We beloven dat we op sabbat of een andere feestdag geen graan zullen kopen van andere volken. Of iets anders dat ze aan ons willen verkopen.

Afspraken voor elk zevende jaar

We beloven dat we ons land elk zevende jaar met rust zullen laten. We zullen dan niet zaaien of oogsten.

En in dat jaar zullen we niemand dwingen om zijn schuld aan ons terug te betalen.

Afspraken over tempelbelasting

33We beloven dat we elk jaar belasting zullen betalen voor het werk in de tempel. Iedereen moet een stuk zilver van 3 gram betalen. 34Daarmee kunnen verschillende dingen betaald worden: de offerbroden die in de tempel liggen, de dagelijkse graanoffers en de dagelijkse offers die helemaal verbrand moeten worden. En ook de offers op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op andere feesten. Ook de speciale offers kunnen daarvan betaald worden. Net als de offers waarmee de fouten van het volk goedgemaakt worden.

Afspraken over hout voor de tempel

35We beloven dat er elk jaar genoeg hout in de tempel zal zijn. We hebben met de priesters en de Levieten geloot wie daarvoor moet zorgen, en op welke dagen. Op dat hout kunnen de offers branden op de altaren van de Heer, onze God. Zo staat dat in de wet.

Afspraken over de eerste oogst

36We beloven dat we trouw elk jaar de eerste oogst van onze akkers naar de tempel zullen brengen. Net als de eerste vruchten van de fruitbomen.

37Ook zullen we onze oudste zonen naar de tempel van onze God brengen. Net als elk eerste mannelijke jong van onze koeien, schapen en geiten. Ze zijn voor de priesters die daar werken. Want zo staat dat in de wet.

38We zullen ook het eerste deeg van het nieuwe graan naar de priesters brengen. En het fruit, de wijn en de olijfolie die we moeten geven. De priesters zullen dan alles naar de tempel van onze God brengen.

Afspraken voor de Levieten

Een tiende deel van de opbrengst van onze akkers zal voor de Levieten zijn. Zij moeten een tiende deel van de oogst verzamelen in de gebieden waar wij werken. 39Daar moet altijd een priester, een nakomeling van Aäron, bij zijn.

De Levieten moeten het tiende deel van de oogst verzamelen. En daarna moeten zij een tiende deel daarvan naar de tempel van onze God brengen. 40Want het graan, de wijn en de olijfolie moeten naar de tempel gebracht worden. Daar worden ook alle heilige voorwerpen bewaard. En ook de priesters zijn daar als ze dienst hebben, net als de bewakers van de tempel en de tempelzangers.

Wij beloven dat we goed zullen zorgen voor de tempel van onze God.’

11

Nieuwe inwoners in Jeruzalem

Sommige Judeeërs moeten verhuizen

111De leiders van het volk besloten om in de heilige stad Jeruzalem te gaan wonen. En ook moest er van elke tien families één familie naar Jeruzalem verhuizen. De mensen moesten loten om te beslissen welke familie er moest verhuizen. De andere families mochten in hun eigen plaats blijven wonen.

2Als er mensen vrijwillig in Jeruzalem gingen wonen, was iedereen daar dankbaar voor. 3Maar de meeste Israëlieten, priesters, Levieten, helpers in de tempel en nakomelingen van de slaven van Salomo wilden in de steden van Juda blijven wonen. Want daar hadden ze een eigen stuk grond.

Nu volgen de namen van de leiders van de provincie Juda die in Jeruzalem gingen wonen.

De leiders van de stam Juda

4-5Van de stam Juda gingen Maäseja en Ataja in Jeruzalem wonen.

Maäseja was een zoon van Baruch. Baruch was een zoon van Kolchoze. Kolchoze was een zoon van Chazaja. Chazaja was een zoon van Adaja. Adaja was een zoon van Jojarib. Jojarib was een zoon van Zecharja. En Zecharja was een zoon van Sela.

Ataja was een zoon van Uzzia. Uzzia was een zoon van Zecharja. Zecharja was een zoon van Amarja. Amarja was een zoon van Sefatja. En Sefatja was een zoon van Mahalalel. Ze waren nakomelingen van Peres.

6In totaal woonden er in Jeruzalem 468 nakomelingen van Peres. Het waren allemaal dappere mannen.

De leiders van de stam Benjamin

7-8Van de stam Benjamin gingen Sallu, Gabbai en Sallai in Jeruzalem wonen.

Sallu was een zoon van Mesullam. Mesullam was een zoon van Joëd. Joëd was een zoon van Pedaja. Pedaja was een zoon van Kolaja. Kolaja was een zoon van Maäseja. Maäseja was een zoon van Itiël. En Itiël was een zoon van Jesaja.

In totaal gingen er 928 personen van de stam Benjamin in Jeruzalem wonen. 9Hun leider was Joël, de zoon van Zichri. Jehuda, de zoon van Hassenua, was één van de belangrijkste bestuurders van Jeruzalem.

De priesters

10De volgende priesters gingen in Jeruzalem wonen: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin, 11en Seraja, de zoon van Chilkia. Chilkia was een zoon van Mesullam. Mesullam was een zoon van Sadok. Sadok was een zoon van Merajot. En Merajot was een zoon van Achitub. Achitub was de leider van de tempel geweest. 12Zij verhuisden samen met de andere leden van hun families die in de tempel werkten. Dat waren in totaal 822 personen.

Ook Adaja ging in Jeruzalem wonen. Adaja was een zoon van Jerocham. Jerocham was een zoon van Pelalja. Pelalja was een zoon van Amsi. Amsi was een zoon van Zecharja. Zecharja was een zoon van Paschur. En Paschur was een zoon van Malkia. 13Adaja verhuisde samen met de andere leden van zijn familie naar Jeruzalem. In totaal gingen er 242 leiders van zijn familie mee.

Verder ging ook Amassai in Jeruzalem wonen. Amassai was een zoon van Azarel. Azarel was een zoon van Achzai. Achzai was een zoon van Mesillemot. En Mesillemot was een zoon van Immer. 14Amassai verhuisde samen met 128 andere leden van zijn familie naar Jeruzalem. Het waren allemaal dappere mannen. Hun leider was Zabdiël, de zoon van Haggedolim.

De Levieten

15Er gingen veel Levieten in Jeruzalem wonen. Eén van hen was Semaja, de zoon van Chassub. Chassub was een zoon van Azrikam. Azrikam was een zoon van Chasabja. En Chasabja was een zoon van Bunni.

16Ook Sabbetai en Jozabad verhuisden naar Jeruzalem. Zij waren leiders van de Levieten, en verantwoordelijk voor het werk buiten de tempel van Jeruzalem.

17Verder ging Mattanja naar Jeruzalem. Mattanja was een zoon van Micha. Micha was een zoon van Zabdi. En Zabdi was een zoon van Asaf. Als er gezongen werd bij de gebeden, dan leidde Mattanja de zangers.

Bakbukja ging met Mattanja mee. Bakbukja was de leider van een andere groep zangers in de tempel.

Ook de Leviet Abda ging in Jeruzalem wonen. Abda was een zoon van Sammua. Sammua was een zoon van Galal. En Galal was een zoon van Jedutun.

18In totaal gingen er 284 Levieten in de heilige stad wonen.

De bewakers en helpers in de tempel

19Akkub en Talmon gingen samen met hun families in Jeruzalem wonen. Dat waren in totaal 172 personen. Zij hadden de taak om de poorten van de tempel te bewaken.

20-21De helpers in de tempel woonden in het deel van Jeruzalem bij de heuvel Ofel. Hun leiders waren Sicha en Gispa.

Veel Israëlieten verhuizen niet

Alle andere Israëlieten, priesters en Levieten bleven in de steden van Juda wonen. Daar hadden zij een eigen stuk grond, dat eigendom was van hun familie.

De leider van de Levieten

22Uzzi, de leider van de Levieten, was verhuisd naar Jeruzalem. Uzzi was een zoon van Bani. Bani was een zoon van Chasabja. Chasabja was een zoon van Mattanja. En Mattanja was een zoon van Micha. Hij kwam uit de familie van Asaf. Die familie had de taak om liederen te zingen in de tempel. 23Dat was een koninklijk besluit. In dat besluit waren de dagelijkse diensten van de tempelzangers duidelijk geregeld.

De raadgever van de Perzische koning

24Petachja, de zoon van Mesezabel, was ook verhuisd naar Jeruzalem. Hij kwam uit de familie van Zerach, de zoon van Juda. Petachja gaf de koning van Perzië advies over alles wat met het volk van Juda te maken had.

De woonplaatsen in Juda en Benjamin

De plaatsen in het gebied Juda

25Veel mensen van de stam Juda woonden buiten Jeruzalem in verschillende plaatsen. Ze woonden in Kirjat-Arba en de dorpen daaromheen. In Dibon en de dorpen daaromheen. In Jekabseël en de plaatsen daaromheen. 26In Jesua, Molada en Bet-Pelet, 27in Chasar-Sual en in Berseba en de dorpen daaromheen. 28In Siklag en Mechona en de dorpen daaromheen. 29In En-Rimmon, Sora en Jarmut, 30in Zanoach en Adullam en de plaatsen daaromheen. In Lachis en op het land daaromheen. En in Azeka en de dorpen daaromheen.

De Judeeërs woonden in het hele gebied van Berseba in het zuiden tot aan het Hinnom-dal bij Jeruzalem.

De plaatsen in het gebied Benjamin

31De mensen van de stam Benjamin woonden in Geba, Michmas en Ajja, in Betel en de dorpen daaromheen, 32in Anatot, Nob en Ananja, 33in Chasor, Rama en Gittaïm, 34in Chadid, Seboïm en Neballat, 35in Lod, Ono en het Handwerkersdal.

36Ook een paar groepen Levieten uit Juda moesten in het gebied van de stam Benjamin gaan wonen.

12

Verschillende lijsten

121Hier volgen de namen van priesters en Levieten die teruggekomen zijn uit Babylonië. Zij waren meegekomen met Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en met Jesua.

Priesters

Deze priesters kwamen terug: Seraja, Jirmeja, Ezra, 2Amarja, Malluch, Chattus, 3Sechanja, Rechum, Meremot, 4Iddo, Ginnetoi, Abia, 5Miamin, Maädja, Bilga, 6Semaja, Jojarib, Jedaja, 7Sallu, Amok, Chilkia en Jedaja.

Die mannen waren in de tijd van Jesua de leiders van de priesters en hun families.

Levieten

8Deze Levieten kwamen terug: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Jehuda en Mattanja.

Mattanja zong met een groep Levieten de dankliederen in de tempel. 9En Bakbukja en Unni vormden samen met andere Levieten ook een groep zangers. De twee groepen zongen om de beurt.

De mensen die van Jesua afstammen

10Jesua was de vader van Jojakim. Jojakim was de vader van Eljasib. Eljasib was de vader van Jojada. 11Jojada was de vader van Jonatan. En Jonatan was de vader van Jaddua.

Leiders van de priesters

12Toen Jojakim hogepriester was, waren de volgende priesters leider van hun familie:

Meraja was de leider van de familie van Seraja.

Chananja was de leider van de familie van Jirmeja.

13Mesullam was de leider van de familie van Ezra.

Jochanan was de leider van de familie van Amarja.

14Jonatan was de leider van de familie van Melichu.

Josef was de leider van de familie van Sebanja.

15Adna was de leider van de familie van Charim.

Chelkai was de leider van de familie van Merajot.

16Zecharja was de leider van de familie van Iddo.

Mesullam was de leider van de familie van Ginneton.

17Zichri was de leider van de familie van Abia.

Iemand anders was de leider van de familie van Minjamin.

Piltai was de leider van de familie van Moadja.

18Sammua was de leider van de familie van Bilga.

Jonatan was de leider van de familie van Semaja.

19Mattenai was de leider van de familie van Jojarib.

Uzzi was de leider van de familie van Jedaja.

20Kallai was de leider van de familie van Sallai.

Eber was de leider van de familie van Amok.

21Chasabja was de leider van de familie van Chilkia.

Netanel was de leider van de familie van Jedaja.

Leiders van de Levieten

22Toen Eljasib, Jojada, Jochanan en Jaddua hogepriester waren, werden de namen van de leiders van de Levieten opgeschreven. Maar toen Darius koning van Perzië was, werden de namen van de leiders van de priesters niet meer opgeschreven.

23De namen van de leiders van de Levieten werden opgeschreven in de jaarboeken. Dat gebeurde niet meer in de tijd dat een andere Jochanan, de zoon van Eljasib, hogepriester was.

24-25De leiders van de Levieten waren: Chasabja, Serebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Mattanja, Bakbukja en Obadja waren familie van hen. Zij zongen in de tempel liederen om de Heer te danken en te prijzen. Er werd om de beurt gezongen door verschillende groepen. Dat had koning David zo geregeld.

Bewakers van de tempel

Mesullam, Talmon en Akkub waren de bewakers van de tempelpoorten. Zij bewaakten ook de gebouwen waarin de voorraden bewaard werden.

Slot

26Al die priesters en Levieten leefden in dezelfde tijd als Jojakim, de zoon van Jesua en de kleinzoon van Josadak. Ook Nehemia, de provinciebestuurder, en Ezra, de priester en schrijver, leefden in die tijd.

Feest in Jeruzalem

De zangers komen naar Jeruzalem

27De muur van Jeruzalem was weer opgebouwd en kon officieel in gebruik genomen worden. Daarom werden er vanuit het hele land Levieten naar Jeruzalem gestuurd. Want zij moesten bij die gebeurtenis feestliederen zingen, en muziek maken op allerlei muziekinstrumenten.

28De tempelzangers kwamen uit de omgeving van Jeruzalem, en uit de plaatsen rond Netofa, 29uit Bet-Haggilgal en uit het gebied rond Geba en Azmawet. Zij hadden in die plaatsen in de omgeving van Jeruzalem huizen gebouwd.

Voorbereiding op het feest

30De priesters en de Levieten bereidden zich volgens de regels voor op het feest. Ze zorgden er ook voor dat het volk zich voorbereidde. En ze zorgden ervoor dat de muur en de poorten van de stad rein gemaakt werden.

Nehemia maakt twee groepen zangers

31Toen liet ik de leiders van Juda op de stadsmuur klimmen. Ik maakte ook twee grote groepen van zangers.

De ene groep moest over de muur naar het zuiden gaan, in de richting van de Mestpoort. 32Daarachter liepen Hosaja en de helft van de leiders van Juda. 33En daarachter kwamen de priesters Azarja, Ezra, Mesullam, 34Jehuda, Benjamin, Semaja en Jirmeja. 35Zij bliezen op trompetten.

Daarna kwam Zecharja, de zoon van Jonatan en de kleinzoon van Semaja. Semaja stamde af van Asaf via Mattanja, Micha en Zakkur. 36Een paar familieleden van Zecharja liepen met Zecharja mee. Dat waren Semaja, Azarel, Milalai, Gilalai, Maäi, Netanel, Jehuda en Chanani. Zij hadden de muziekinstrumenten van koning David bij zich. Ezra, de schrijver, liep voorop.

37Bij de Bronpoort ging die groep rechtdoor, via de trappen naar het oude deel van Jeruzalem. Daar gingen ze over de muur naar een hoger deel van de stad. Ze gingen langs het paleis van David naar de Waterpoort aan de oostkant van de stad.

38De andere groep zangers moest over de muur naar het noorden lopen. Ik volgde hen, samen met de andere helft van het volk van Juda. We gingen over de muur langs de Bakoventoren naar de Brede Muur. 39Via de Efraïm-poort, de Oude Poort, de Vispoort, de Chananel-toren en de Honderdtoren liepen we tot aan de Schaapspoort. We stopten bij de Gevangenpoort.

De groepen zangers komen bij elkaar

40De twee groepen zangers kwamen bij elkaar bij de tempel. Ik was daar ook, met de helft van de bestuurders van Juda. 41De priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Micha, Eljoënai, Zecharja en Chananja waren daar ook. Zij bliezen op hun trompetten. 42Verder waren daar Maäseja, Semaja, Elazar, Uzzi, Jochanan, Malkia, Elam en Ezer. Zij zongen luid onder leiding van Jizrachja.

Iedereen viert feest

43Op die dag werden er veel offers gebracht. En alle mensen waren vrolijk omdat God hun grote vreugde gaf. Ook de vrouwen en de kinderen vierden feest. Tot ver buiten Jeruzalem konden de mensen horen dat er een groot feest gevierd werd in de stad.

Loon voor het werk in de tempel

Loon voor priesters en Levieten

44Op dezelfde dag werden er mannen aangewezen om in de tempel de kamers met de voorraden te bewaken. Daar werd alles bewaard wat naar de tempel gebracht was. Van alles wat groeide op de akkers rond de steden, moest een deel naar de tempel gebracht worden. Dus de eerste oogst van het land, en het tiende deel van de oogst dat voor de priesters en de Levieten bedoeld was. Zo stond het in de wet.

De Judeeërs waren blij met alles wat de priesters en de Levieten in de tempel deden. 45Zij deden precies wat God van hen vroeg. En ze zorgden ervoor dat alle mensen en alle voorwerpen rein waren.

Loon voor zangers en bewakers

Ook de zangers en de bewakers van de tempel deden trouw hun werk. Dat gebeurde precies zoals koning David en zijn zoon Salomo het gezegd hadden. 46Zo ging het al sinds de tijd van David en Asaf. Want zij hadden de zangers de opdracht gegeven om in de tempel dankliederen te zingen en God te prijzen.

47In de tijd van Zerubbabel en Nehemia werden de zangers en de bewakers van de tempel goed verzorgd. Elke dag kregen ze van de andere Israëlieten alles wat ze nodig hadden.

De Levieten gaven van alles wat zij kregen, een deel aan de priesters.