Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Micha, die uit de plaats Moreset kwam, was een profeet. De Heer sprak tegen hem in de tijd dat Jotam, Achaz en Hizkia koning van Juda waren. Micha zag in een droom wat er met Samaria en Jeruzalem zou gebeuren.

Nu volgt wat Micha gezegd heeft.

De Heer zal zijn volk straffen

De Heer gaat Israël aanklagen

2Volken, luister allemaal! Bewoners van de aarde, let goed op! God, de Heer, komt uit de hemel, uit zijn heilige paleis. Want hij gaat Israël aanklagen.

3Kijk, de Heer vertrekt al uit de plaats waar hij woont! Hij komt naar beneden en loopt over de toppen van de bergen. 4Onder zijn voeten verdwijnen de bergen, zoals sneeuw verdwijnt als het warm wordt. De stenen storten omlaag, zoals water van een rots naar beneden stort. En de dalen scheuren doormidden.

5Dat gebeurt omdat de Israëlieten ontrouw geworden zijn aan de Heer. Het volk van Jakob heeft verkeerde dingen gedaan. In Samaria, de hoofdstad van Israël, hebben ze gezondigd. En in Jeruzalem, de hoofdstad van Juda, hebben ze offers gebracht aan de afgoden.

Samaria zal verwoest worden

6De Heer zegt: ‘Ik zal Samaria helemaal verwoesten! Het wordt een plaats waar niemand meer kan wonen. Dan kan er alleen nog maar een wijngaard aangelegd worden. De hele stad zal ik afbreken, tot aan de onderste stenen. En al het puin gooi ik in het dal.

7Alle afgodsbeelden van de stad laat ik kapotgooien. Ze zullen allemaal vernietigd en verbrand worden. De Israëlieten hebben die beelden gemaakt van goud en zilver dat verdiend is door hoeren. Maar nu zullen de vijanden van Israël het goud en zilver van die beelden aan hun eigen hoeren geven!’

Micha heeft verdriet om zijn volk

8Ik huil en ik klaag om die woorden van de Heer. Ik loop naakt rond, op blote voeten, als teken van rouw. En ik schreeuw het uit! 9Want er zal een vreselijke ramp gebeuren met Samaria. Het zal nooit meer goed komen met de stad. Ook voor Juda dreigt er gevaar, en zelfs voor Jeruzalem, de stad van mijn eigen volk.

Overal in Juda worden steden bedreigd

10Volk van Juda, vertel niet in de stad Gat wat er in het land gebeurt. Laat daar niet zien dat jullie moeten huilen.

In Bet-le-Afra gaan de inwoners op de grond in het stof liggen, als teken van rouw. 11In Safir worden de mensen meegenomen als gevangenen. Ze worden vernederd, ze moeten naakt meelopen. De inwoners van Saänan durven hun stad niet meer uit. In Bet-Haësel klinkt gehuil, want in die stad is niemand meer veilig. 12De inwoners van Marot beven van angst, want de vijanden zijn al dicht bij Jeruzalem. De Heer heeft daar zelf voor gezorgd.

13Inwoners van Lachis, zet de paarden maar voor de wagens, en maak je klaar voor de strijd! Jullie zijn verkeerde dingen gaan doen, net als de mensen in Samaria. Zo hebben jullie het slechte voorbeeld gegeven aan de inwoners van Jeruzalem.

14Volk van Juda, neem maar afscheid van Moreset-Gat! Want het is afgelopen met die stad. En de stad Achzib is te zwak om de koningen van Israël te helpen.

15Inwoners van Maresa, de Heer zal vijanden naar jullie toe sturen, net als vroeger. Die vijanden zullen jullie stad veroveren. Dan zullen de leiders van Israël naar de plaats Adullam vluchten.

16Volk van Juda, scheer jullie hoofd maar kaal als teken van rouw. Laat geen haar op je hoofd over! Want jullie kinderen, van wie jullie zo veel houden, worden bij jullie weggehaald. Ze worden meegenomen naar een ver land.

2

God straft de onderdrukkers

21-2Er zijn mensen die kwade plannen bedenken als ze in bed liggen. Zodra ze ’s ochtends opstaan, voeren ze die plannen uit. Want ze hebben veel macht. Als ze een akker willen hebben, dan pakken ze die van iemand af. En als ze een huis willen hebben, dan nemen ze dat gewoon in bezit. Ze onderdrukken andere mensen, en stelen hun bezittingen.

Maar met die onderdrukkers zal het slecht aflopen! 3Want de Heer zegt tegen hen: ‘Ik zal iets verschrikkelijks met jullie laten gebeuren. Jullie zullen er niet aan kunnen ontsnappen. Er komt een vreselijke tijd voor jullie!

4Dan zullen de mensen dit klaaglied over jullie zingen:

‘Het is afgelopen met de onderdrukkers,

ze hebben helemaal niets meer!

Hun grond is van hen afgepakt,

hun akkers zijn aan slechte mensen gegeven.’

5Luister, onderdrukkers! Als het land weer verdeeld wordt onder mijn volk, dan zullen jullie geen enkel stuk grond meer krijgen.’

Micha’s tegenstanders

Micha’s tegenstanders protesteren

6Mijn tegenstanders zeggen tegen mij: ‘Je bent de mensen steeds aan het waarschuwen. Houd toch eens op met dat gezeur! Jouw beschuldigingen zijn grote onzin. 7De Heer zou nooit zulke dingen tegen zijn eigen volk zeggen. Zo snel verliest hij zijn geduld niet. Hij zou ons nooit kwaad willen doen!’

Micha reageert op zijn tegenstanders

Maar ik zeg tegen mijn tegenstanders: ‘Ik zeg vriendelijke dingen tegen iedereen die eerlijk leeft. Maar jullie gedragen je slecht! 8Jullie zijn de vijanden van mensen die in vrede willen leven. Als iemand rustig voorbijloopt, pakken jullie zijn jas af. 9Jullie jagen vrouwen weg uit de huizen waar ze gelukkig zijn. En jullie maken hun kinderen voor altijd ongelukkig.

10Maak je maar klaar om weg te gaan. Hier zijn jullie niet meer veilig. Want door jullie misdaden is dit land onrein geworden. Daarom zal het helemaal vernietigd worden.

11Maar jullie willen dat niet horen. Jullie horen liever een profeet die alleen maar leugens vertelt, en die jullie wijn en bier belooft!’

God zal het volk terugbrengen

De Heer zal de Israëlieten verzamelen

12De Heer zegt: ‘Ik zal het hele volk van Israël weer bij elkaar brengen. Alle Israëlieten die nog over zijn, zal ik verzamelen en terugbrengen naar hun eigen land. Net zoals een herder zijn schapen verzamelt en terugbrengt naar hun eigen stal. Dan zal het land weer vol zijn met mensen.’

13De Heer zelf zal koning zijn van zijn volk. Hij zal de Israëlieten bevrijden uit de landen waar ze gevangen zitten. Ze zullen uit die landen wegtrekken, en de Heer zal voor hen uit gaan.

3

Micha waarschuwt de leiders

Micha waarschuwt de leiders van Israël

31Luister, leiders van Israël! Jullie zouden eerlijkheid en recht belangrijk moeten vinden. 2Maar jullie haten het goede, en houden juist van het kwaad!

Jullie gebruiken geweld tegen mijn volk. Jullie zijn net wrede herders die hun schapen slachten. Die trekken het vel van de dieren eraf en breken hun botten. 3Daarna hakken ze het vlees in stukken en gooien het in een pan, zodat ze het op kunnen eten. Zo wreed zijn jullie ook voor mijn volk.

4Luister, leiders! Omdat jullie zo veel misdaden gepleegd hebben, zal de Heer zich niet meer aan jullie laten zien. Als jullie hem om hulp vragen, zal hij geen antwoord meer geven.

Micha waarschuwt de profeten

5Er zijn profeten in Israël die het volk bedriegen. Zij voorspellen vrede aan mensen die hen betalen. Maar aan mensen die hen niet betalen, voorspellen ze dat er oorlog komt.

Daarom zegt de Heer tegen die profeten: 6‘Jullie zullen de toekomst niet meer kunnen voorspellen. Jullie zullen ’s nachts geen dromen meer krijgen. Er zal iets vreselijks met jullie gebeuren. En dan is het afgelopen met jullie.’

7Iedereen die de toekomst voorspelt, zal zich schamen. Alle waarzeggers zullen zich zo schamen, dat ze hun mond bedekken. Want God geeft hun geen antwoord meer.

8Maar ik heb juist kracht gekregen van de Heer. Hij gaf me zijn geest. Hij gaf me de moed om te spreken over recht, en om aan de Israëlieten hun fouten en misdaden te laten zien.

Jeruzalem zal verwoest worden

9De leiders van Israël haten eerlijkheid en recht. Ze veranderen het recht in onrecht. 10Ze maken van Jeruzalem een stad vol misdaad en geweld. 11Want de bestuurders laten zich in een rechtszaak omkopen met geschenken. De priesters leggen de wet alleen maar uit als ze betaald worden. En de profeten voorspellen de toekomst alleen voor geld. En intussen denken ze allemaal dat de Heer hen zal helpen! Ze zeggen: ‘Met ons kan niets ergs gebeuren, want de Heer is bij ons!’

12Omdat al die leiders zich zo gedragen, zal de tempel op de berg Sion verwoest worden. Er zullen daar alleen nog struiken en bomen groeien. En van de stad Jeruzalem blijft alleen een hoop stenen over.