Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Nog meer regels over offers

Offers die helemaal verbrand moeten worden

61De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen: ‘Nu volgen er regels over offers die helemaal verbrand moeten worden.

Zo’n offer moet de hele nacht op het altaar blijven liggen, en het vuur moet blijven branden.

De volgende ochtend 3moet de priester een linnen broek en een linnen mantel aantrekken. Hij moet de as van het verbrande offer weghalen en naast het altaar leggen. 4Daarna moet hij andere kleren aantrekken. En dan moet hij de as naar de ashoop buiten het kamp brengen.

5Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden. Het mag niet uitgaan. Daarom moet de priester elke ochtend hout op het vuur leggen. En op het hout moet hij een nieuw offer leggen dat helemaal verbrand moet worden. Ook de vette delen van de offers bij een feestmaal moeten dan verbrand worden.

6Het vuur op het altaar moet altijd blijven branden. Het mag nooit uitgaan.

Graanoffers

7Nu volgen er regels over graanoffers.

De priesters moeten het meel voor een graanoffer aan de Heer aanbieden bij de voorkant van het altaar. 8Dan moet één van de priesters een handvol meel en wat olijfolie pakken. Dat moet hij samen met wat wierook op het altaar verbranden. Het is een teken voor het hele offer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

9-11De rest van het meel is voor de priesters. Ze moeten er brood zonder gist van bakken. Dat brood moeten ze opeten op het plein bij de heilige tent. Want dat plein is een heilige plaats.

Het brood voor het graanoffer is heel heilig, net als de offers waarmee goedgemaakt wordt wat iemand verkeerd gedaan heeft. Ook alles wat met het graanoffer in contact geweest is, wordt heilig.

De Heer heeft een deel van het graanoffer dus speciaal bestemd voor de priesters. Alle nakomelingen van Aäron mogen ervan eten. Zij mogen altijd een deel van de graanoffers voor de Heer hebben.’’

Het graanoffer van de hogepriester

12De Heer zei verder tegen Mozes: 13‘Zeg ook tegen Aäron en zijn zonen: ‘De hogepriester moet elke dag een eigen graanoffer brengen aan de Heer. Dat moet hij doen vanaf de dag dat hij hogepriester wordt. Hij moet elke dag 2,5 kilo meel offeren, de ene helft ’s ochtends en de andere helft ’s avonds.

14Hij moet het meel mengen met olijfolie. Daarna moet hij er op een vuur broden van bakken. Die broden moet hij in stukken breken en aanbieden aan de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

15-16Alle priesters die Aäron opvolgen als hogepriester, moeten elke dag een eigen graanoffer brengen aan de Heer. Het meel van dat offer moet helemaal verbrand worden. Het is voor de Heer bestemd.

Alle graanoffers die de priesters voor zichzelf brengen, moeten helemaal verbrand worden. De priesters mogen er niet van eten. Die regels gelden voor altijd.’’

Offers om fouten goed te maken

17De Heer zei verder tegen Mozes: 18‘Zeg ook tegen Aäron en zijn zonen: ‘Nu volgen er regels over offers waarmee fouten goedgemaakt worden.

De priester moet de dieren voor zo’n offer slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. Dat offer is heel heilig.

19-22Het vlees van het offer is voor de priester die het offer brengt. Maar de andere priesters mogen er ook van eten. Omdat het offer heilig is, moet het vlees gegeten worden op het plein bij de heilige tent. Want dat is een heilige plaats.

Alles wat met het vlees in contact komt, wordt ook heilig. Het is voor de Heer bestemd. Als er bloed van het offerdier op iemands kleren komt, worden die kleren heilig. Ze moeten dan gewassen worden op een heilige plaats. Ook de potten waar het vlees in gekookt wordt, worden heilig. Stenen potten moeten kapotgeslagen worden. En koperen potten moeten geschuurd en afgespoeld worden.

23Soms mag het vlees niet opgegeten worden. Dat is het geval als er in de heilige tent bloed van het offerdier gespat is, om goed te maken wat iemand verkeerd gedaan heeft. Dan moet het offer helemaal verbrand worden.

7

Offers om schuld weg te nemen

71Nu volgen er regels over offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt.

Zulke offers zijn heel heilig. 2De priester moet de offerdieren slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. En hij moet het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

3Daarna moet hij alle vette delen offeren. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, 4de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Dat deel van de lever moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

5De priester moet alles op het altaar verbranden. Dan is het geschikt als offer waarmee iemands schuld weggenomen wordt.

6-7Het vlees van het offerdier is voor de priester die het offer brengt. De andere priesters mogen er ook van eten. Dat moeten ze doen op een heilige plaats, want het offer is heel heilig. Die regel geldt voor dit offer en voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

Wat overblijft, is voor de priesters

8De huid van een dier dat helemaal verbrand moet worden, is voor de priester die het offer brengt.

9Ook alles wat overblijft van een brood dat geofferd is, is voor de priester die het offer brengt. Het maakt niet uit of het brood in een oven, op een vuur of in een pan gebakken is.

10Wat overblijft van andere graanoffers, moet verdeeld worden onder alle priesters. Het maakt niet uit of die offers met of zonder olijfolie klaargemaakt zijn.

Offers bij een feestmaal

11Nu volgen er regels over offers voor de Heer bij een feestmaal.

12Zulke offers kunnen gebracht worden om de Heer te danken. Dan moeten er tegelijk met het offerdier vier soorten brood geofferd worden. Dat moet dik brood zijn van fijn meel met olijfolie. Verder dik brood zonder gist en dun brood zonder gist. Het dikke brood moet met olie klaargemaakt zijn, en op het dunne brood moet olie gesmeerd zijn. 13Ten slotte moet er ook brood met gist geofferd worden. Alles moet tegelijk met het dier geofferd worden.

14Van elke soort brood moet één brood apart gehouden worden voor de Heer. Maar daarna mag de priester die het bloed langs de zijkanten van het altaar gegoten heeft, dat brood opeten.

15Het vlees van het offer om de Heer te danken, moet gegeten worden op de dag van het offer. Het mag niet tot de volgende dag bewaard worden.

Het eten van offervlees

16Iemand kan een offer brengen bij een feestmaal omdat hij dat beloofd heeft aan de Heer. Maar iemand kan het offer ook vrijwillig brengen. In beide gevallen mag het vlees gegeten worden op de dag van het offer en op de dag daarna.

17Als er na twee dagen nog vlees over is, moet dat verbrand worden. 18Als iemand er dan toch nog iets van eet, zal de Heer het offer niet meer aannemen. Dan is dat offer voor niets geweest. Het is dan onrein vlees geworden. En de Heer zal iedereen straffen die van dat vlees eet.

19Het vlees mag ook niet gegeten worden als het in contact geweest is met iets dat onrein is. Dan moet het verbrand worden.

Alleen mensen die rein zijn, mogen meedoen met een feestmaal voor de Heer. 20-21Wie onrein is, mag niet eten van de offers. Iemand is onrein als hij iets onreins aangeraakt heeft. Dat kan een onrein mens zijn, een onrein dier of iets anders. Wie onrein is en toch van het offer eet, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’’

Het eten van vet en bloed is verboden

22De Heer zei verder tegen Mozes: 23‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Jullie mogen nooit het vet eten van een rund, een schaap of een geit. 24Het maakt niet uit of het dier vanzelf gestorven is, of gedood is door een wild dier. Vet mag voor alles gebruikt worden, maar jullie mogen het niet eten.

25Jullie mogen ook nooit het vet eten van een dier dat geofferd is aan de Heer. Als je dat toch doet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.

26Jullie mogen ook nooit vlees eten waar nog bloed in zit. Het maakt niet uit of het vlees van vogels is, of van dieren die op het land leven. Die regel geldt voor jullie allemaal. Het maakt niet uit waar je woont. 27Als je vlees met bloed eet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.’’

Het vlees voor de Heer

28De Heer zei verder tegen Mozes: 29‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een offer bij een feestmaal brengt, is een deel van dat offer voor de Heer. 30Voor de Heer zijn de vette delen en de borst van het dier. Degene die het offer brengt, moet zelf de borst van het dier omhooghouden om die aan te bieden aan de Heer. 31Het vet moet verbrand worden op het altaar, maar het vlees van de borst is voor de priesters.

32-33De rechterachterpoot moet apart gehouden worden. Die is voor de priester die het offer gebracht heeft. 34Dus de rechterachterpoot en de borst van een dier zijn altijd voor de priesters. Zo moet dat voortaan gaan bij elk offer dat iemand bij een feestmaal brengt. Dat heeft de Heer bepaald. 35Dat deel van de offers is voor de priesters, vanaf de dag dat ze priester worden. 36De Heer heeft dat bepaald.

Jullie en je nakomelingen moeten je altijd aan die regels houden.’’

Slot

37Dat zijn de regels over alle offers: over offers die helemaal verbrand moeten worden, graanoffers, offers waarmee een fout goedgemaakt wordt, offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt, offers bij de aanstelling van priesters, en offers bij een feestmaal.

38De Heer heeft die regels aan Mozes gegeven. Dat gebeurde op de berg Sinai, in de woestijn. Daar gaf de Heer aan de Israëlieten de opdracht om offers aan hem te brengen.

8

Aäron en zijn zonen worden priester

Mozes laat offerdieren halen

81De Heer zei verder tegen Mozes: 2-3‘Laat Aäron en zijn zonen naar de ingang van de heilige tent komen. Haal de priesterkleding en de heilige olijfolie. Haal ook de stier voor het offer waarmee de fouten van Aäron en zijn zonen goedgemaakt worden. En haal twee rammen, en een mand met brood zonder gist. Roep daarna het hele volk bij elkaar.’

4Mozes deed alles wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij riep het hele volk bij elkaar bij de ingang van de heilige tent. 5Toen zei hij: ‘Alles wat ik nu ga doen, is een opdracht van de Heer.’

Mozes doet Aäron priesterkleren aan

6Mozes liet Aäron en zijn zonen bij zich komen en hij waste hen met water. 7Hij trok Aäron het priesterhemd aan, deed hem de riem om en trok hem de mantel aan.

Daarna deed Mozes bij Aäron de priesterschort om, en bond die vast met de band die daarbij hoorde. 8Op de schort maakte Mozes de priestertas vast, en hij deed daar twee speciale steentjes in. Dat waren de steentjes waarmee Aäron de Heer om raad kon vragen.

9Ten slotte zette Mozes de tulband op het hoofd van Aäron. En hij maakte het heilige gouden sieraad vast op de tulband.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes giet olie over de heilige tent

10Toen nam Mozes de olijfolie en hij goot een deel ervan over de heilige tent van de Heer en over alles wat in de tent stond. Zo werd alles heilig.

11Hij druppelde zeven keer wat olie over het grote altaar. En hij goot ook olie over alles wat bij het altaar hoort. Ten slotte goot Mozes olie over de waterbak en over het onderstel van de waterbak. Zo werd alles heilig.

Mozes stelt Aäron aan als priester

12Daarna goot Mozes een deel van de olie over het hoofd van Aäron, als teken dat hij priester werd. Zo werd Aäron heilig.

13Hij liet ook de zonen van Aäron bij zich komen. Hij trok hun het priesterhemd aan, hij deed hun de riem om, en hij zette de priestermuts op hun hoofd.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de stier

14Toen liet Mozes de stier komen die geofferd moest worden om de fouten van Aäron en zijn zonen goed te maken. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de stier. 15Mozes slachtte het dier, en hij smeerde wat bloed aan de hoeken van het grote altaar. De rest van het bloed goot hij op de grond voor het altaar. Zo werd het altaar heilig.

16Daarna pakte Mozes alle vette delen van de stier en verbrandde die op het altaar. Dus het vet dat aan de ingewanden zit, de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. 17Maar het vlees, de huid en de darmen van de stier verbrandde Mozes buiten het tentenkamp.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de eerste ram

18Toen liet Mozes de ram komen voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. 19Mozes slachtte het dier en hij goot het bloed langs de zijkanten van het altaar.

20Daarna sneed hij de ram in stukken. Hij verbrandde de kop, de stukken vlees en het vet van de nieren. 21Hij waste de ingewanden en de poten van de ram. En daarna verbrandde hij die met de rest van de ram op het altaar.

Zo werd het offer helemaal verbrand. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de tweede ram

22Toen liet Mozes nog een ram komen. Dat was de ram voor het offer bij de aanstelling van priesters. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. 23Mozes slachtte het dier. Hij smeerde wat bloed aan het rechteroor van Aäron, aan zijn rechterduim en aan de grote teen van zijn rechtervoet.

24Daarna liet Mozes de zonen van Aäron bij zich komen. Ook bij hen smeerde hij wat bloed aan hun rechteroor, aan hun rechterduim en aan de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed goot Mozes langs de zijkanten van het altaar.

25Daarna nam hij alle vette delen van de ram. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, het vette stukje van de lever, de twee nieren en het vet van de nieren, en ook de rechterachterpoot. 26Hij nam ook drie broden uit de mand die bij het altaar van de Heer stond: één brood zonder gist, één dik brood dat met olijfolie was gemaakt, en één dun brood. Hij legde de broden boven op de achterpoot en de vette delen van de ram.

27Daarna legde hij alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Zij hielden het voor het altaar omhoog om het aan te bieden aan de Heer. 28Toen nam Mozes alles weer terug, en hij verbrandde het op het altaar. Hij legde alles boven op de stier die helemaal verbrand moest worden.

Dat was het offer dat hoorde bij de aanstelling van priesters. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.

29Mozes pakte de borst van de ram en hield die omhoog om hem aan te bieden aan de Heer. Dat deel van het offer was bestemd voor Mozes. Dat had de Heer tegen hem gezegd.

Aäron en zijn zonen worden heilig

30Mozes nam wat bloed van het altaar en wat olijfolie. Hij druppelde dat op Aäron en zijn zonen, en op hun kleren. Zo maakte Mozes Aäron en zijn zonen heilig, en hun kleren ook.

31Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen: ‘Kook het vlees van de ram op het plein bij de heilige tent. Eet het daar ook op, met de broden uit de mand die bij het altaar staat. Dat is een opdracht van de Heer. 32Wat er overblijft van het vlees en het brood, moeten jullie verbranden.

33Jullie moeten zeven dagen op het plein bij de heilige tent blijven. Zo lang duurt de aanstelling van priesters. 34Elke dag moeten jullie herhalen wat er vandaag gedaan is. Dat is een opdracht van de Heer. Dan zijn al jullie fouten goedgemaakt. 35Zeven dagen en zeven nachten moeten jullie op het plein bij de heilige tent blijven. Jullie moeten precies doen wat de Heer gezegd heeft. Anders zullen jullie sterven.’

36Toen deden Aäron en zijn zonen alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had.