Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

Als de huidziekte verdwenen is

141De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Nu volgen er regels voor iemand die genezen is van een huidziekte. Voordat die persoon weer rein verklaard kan worden, moet hij naar de priester gebracht worden. 3De priester moet hem onderzoeken buiten het kamp.

Als de ziekte inderdaad verdwenen is, 4moet de priester het volgende doen. Hij moet twee levende, reine vogels laten halen, en ook een stukje cederhout, een beetje rode kleurstof en een paar kruidentakjes. 5Hij moet één vogel slachten boven een stenen schaal met vers water, zodat het bloed van de vogel in het water terechtkomt. 6De nog levende vogel moet hij samen met het stukje hout, de kleurstof en de takjes door het water met het bloed heen halen.

7Daarna moet de priester zeven keer wat van dat bloed druppelen op de persoon die een huidziekte had. En dan moet de priester verklaren dat die persoon rein is.

Ten slotte moet de priester de nog levende vogel vrijlaten buiten het kamp.

Wassen en scheren

8Daarna moet de persoon die een huidziekte had, zijn kleren wassen. Ook moet hij al zijn haar afscheren en zich wassen. Hij is dan rein en mag weer terugkomen in het kamp. Maar hij moet nog zeven dagen buiten zijn eigen tent blijven.

9Op de zevende dag moet hij opnieuw al zijn haar afscheren: zijn baard en zijn snor, zijn wenkbrauwen en het haar op zijn hoofd. En hij moet ook zijn kleren en zichzelf nog een keer wassen. Dan is hij helemaal rein.

Offers brengen

10Na die zeven dagen moet de persoon die een huidziekte had, offers brengen. Hij moet twee jonge rammen halen die gezond zijn en geen gebreken hebben. En ook een schaap van één jaar oud, dat gezond is en geen gebreken heeft. Ook moet hij 8 kilo fijn meel meenemen, gemengd met olijfolie. Dat meel is voor het graanoffer. En hij moet een kruikje met een halve liter olijfolie meenemen.

11De priester moet die persoon met alle offers naar het grote altaar brengen bij de ingang van de heilige tent.

De eerste ram

12Eén van de rammen is voor het offer waardoor iemand weer rein wordt. Ook de halve liter olijfolie is voor dat offer. De priester moet de ram en de olie eerst omhooghouden om ze aan te bieden aan de Heer.

13Daarna moet de priester de ram slachten voor het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. De priester mag het vlees van de ram opeten. Het is heel heilig, net als het vlees van offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt.

14Ten slotte moet de priester wat bloed van de ram smeren op de persoon die een huidziekte had: op zijn rechteroor, zijn rechterduim en zijn rechter grote teen.

De olie

15Dan moet de priester wat olie in zijn linkerhand gieten. 16Met zijn rechtervinger moet hij zeven keer wat olie spatten in de richting van de heilige tent.

17Daarna moet hij wat olie smeren op de persoon die een huidziekte had: op zijn rechteroor, zijn rechterduim en zijn rechter grote teen. De olie komt over het bloed van de ram heen.

18Ten slotte moet de priester de rest van de olie op het voorhoofd smeren van de persoon die een huidziekte had.

Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en die persoon.

Het schaap

19Daarna moet de priester het schaap offeren. Dan wordt de persoon die een huidziekte had, weer rein. Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en die persoon.

De tweede ram

Dan moet de priester de tweede ram slachten, voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. 20Hij moet dat offer samen met het graanoffer verbranden op het altaar. Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en de persoon die ziek was. En dan is die persoon weer rein.

Als iemand arm is

21Stel dat iemand een huidziekte had maar arm is, en dat hij al die dingen niet kan betalen. Dan is één ram voldoende voor het offer waardoor iemand weer rein wordt. De priester moet de ram omhooghouden om hem aan te bieden aan de Heer.

Ook moet die persoon 2,5 kilo fijn meel meenemen, gemengd met olijfolie. Dat meel is voor het graanoffer. En hij moet een kruikje met een halve liter olijfolie meenemen.

22Hij heeft ook twee tortelduiven nodig. Maar als hij die niet kan betalen, zijn twee jonge gewone duiven ook goed. Eén duif is voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. En de andere duif is voor het offer waardoor iemand weer rein wordt.

23-24Op de achtste dag moet alles naar de priester gebracht worden, bij de ingang van de heilige tent.

De ram

De priester moet de ram en de olie omhooghouden bij het grote altaar, om ze aan te bieden aan de Heer.

25Daarna moet de priester de ram slachten. En hij moet wat bloed smeren op de persoon die een huidziekte had: op zijn rechteroor, zijn rechterduim en zijn rechter grote teen.

De olie

26Dan moet de priester wat olie in zijn linkerhand gieten. 27En met zijn rechtervinger moet hij zeven keer wat olie spatten in de richting van de heilige tent.

28Daarna moet de priester wat olie smeren op de persoon die een huidziekte had: op zijn rechteroor, zijn rechterduim en zijn rechter grote teen. De olie komt over het bloed van de ram heen.

29Ten slotte moet de priester de rest van de olie op het voorhoofd smeren van de persoon die ziek was.

Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en die persoon.

De duiven

30Dan moet de priester de duiven offeren. Dat mogen tortelduiven of jonge gewone duiven zijn. 31Eén van de duiven is voor het offer waardoor iemand weer rein wordt. De andere duif moet helemaal verbrand worden, samen met het graanoffer. Zo zorgt de priester er bij het altaar voor dat alles weer goed is tussen de Heer en die persoon.’’

32Dat zijn de regels voor mensen die een huidziekte gehad hebben, en gewone offers niet kunnen betalen.

Huizen met schimmel

33De Heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 34‘Over een tijd komen jullie in het land Kanaän. Dat land zal de Heer aan jullie geven.

Stel dat de Heer daar schimmel laat ontstaan op de muren van een huis. 35Dan moet de eigenaar van het huis dat aan de priester vertellen. 36De priester moet alle spullen uit het huis laten halen, voordat hij de plek met schimmel bekijkt. Anders zou hij alle spullen onrein moeten verklaren. Als de spullen uit het huis zijn, moet hij het huis onderzoeken.

Het huis wordt zeven dagen afgesloten

37De priester moet de plekken op de muren bekijken. Stel dat hij ziet dat de plekken rood of groen van kleur zijn, en diep in de muur zitten. 38Dan moet hij het huis verlaten, en het voor zeven dagen afsluiten.

39Op de zevende dag moet de priester terugkomen. Dan moet hij kijken of de plekken op de muren groter geworden zijn.

Als de plekken groter geworden zijn

Als de plekken groter geworden zijn, 40moet de priester de stenen met schimmel uit de muur laten halen. Die stenen moeten weggegooid worden buiten de stad, op een onreine plek. 41Ook alle kalk moet van de muren gehaald worden. En ook dat afval moet weggegooid worden buiten de stad, op een onreine plek.

42Daarna moeten er nieuwe stenen in de muur gezet worden. En er moet weer nieuwe kalk op de muren gedaan worden.

Als de plekken terugkomen

43Stel dat de oude stenen vervangen zijn en dat er nieuwe kalk op de muren zit. Als er toch weer rode of groene plekken op de muren te zien zijn, 44moet de priester opnieuw komen. Als hij vaststelt dat de gekleurde plekken teruggekomen zijn, dan is het schimmel. Dan is het huis onrein.

45Het huis moet dan gesloopt worden. En de stenen, het hout en al het andere afval moeten weggegooid worden buiten de stad, op een onreine plek.

Als iemand het huis in gaat

46Stel dat een huis door de priester afgesloten is en iemand gaat toch naar binnen. Dan is die persoon onrein tot de avond.

47Of stel dat iemand langer in zo’n huis is, en er slaapt of eet. Dan moet hij zijn kleren wassen.

Als de schimmel verdwenen is

48Als er weer nieuwe kalk op de muren zit, moet de priester het huis opnieuw onderzoeken. Als er geen rode of groene plekken te zien zijn, is de schimmel verdwenen. Dan moet hij verklaren dat het huis rein is.

49De priester moet dan twee vogels, een stukje cederhout, een beetje rode kleurstof en een paar kruidentakjes laten halen. Daarmee kan hij het huis weer helemaal rein maken.

50De priester moet één vogel slachten boven een stenen schaal met vers water. 51De nog levende vogel moet hij samen met het stukje hout, de kleurstof en de takjes even in de schaal leggen. Daarna moet hij zeven keer wat bloed van de vogel in de richting van het huis spatten. 52Zo wordt het huis weer rein.

53Ten slotte moet de priester de nog levende vogel vrijlaten buiten de stad.

Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is. En dan is het huis weer helemaal rein.’’

Regels over huidziektes en schimmel

54Dat zijn de regels over huidziektes en schimmel: de regels over huidziektes op het hoofd of de kin, 55-56over dikke plekken, uitslag of vlekken op de huid, en de regels over schimmel op stoffen of muren.

57Door die regels weten de priesters precies wanneer iemand of iets rein is, of onrein.

15

Regels over seksuele onreinheid

Als een man onrein vocht verliest

151De Heer zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als een man een ontsteking heeft en daardoor vocht verliest uit zijn penis, 3is hij onrein. Het maakt niet uit of het vocht dun is of dik. In beide gevallen is de man onrein.

4Die man maakt alles onrein waarop hij ligt of zit. 5-10Dus ook een zadel waarop hij gezeten heeft, is onrein.

Iemand die het bed van die man aanraakt, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond. Datzelfde geldt voor iemand die gaat zitten op iets waarop die man gezeten heeft. En ook voor iemand die iets aanraakt of verplaatst waarop die man gezeten heeft. Wie dat doet, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond.

Ook iemand die de onreine man aanraakt, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond.

Stel dat de onreine man spuugt op iemand die zelf rein is. Dan moet die ander zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond.

11Stel dat de onreine man iemand anders aanraakt zonder dat hij eerst zijn handen gewassen heeft. Dan moet die ander zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond. 12Als de onreine man een stenen voorwerp aanraakt, moet dat stukgeslagen worden. Als hij een houten voorwerp aanraakt, moet dat schoongemaakt worden.

De priester moet offers brengen

13Als de ontsteking van de man genezen is, moet hij zeven dagen wachten. Daarna moet hij zichzelf en zijn kleren wassen met water uit een bron. Dan is hij weer rein.

14Na die zeven dagen moet hij met twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de heilige tent van de Heer gaan. Bij de ingang van de tent moet hij de duiven aan de priester geven. 15De priester moet de duiven offeren. De ene duif is voor het offer waardoor iemand weer rein wordt. En de andere duif is voor het offer dat helemaal verbrand moet worden.

Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en de man die een ontsteking had.

Als een man een zaadlozing heeft

16Als een man een zaadlozing gehad heeft, moet hij zijn hele lichaam wassen. Hij is dan onrein tot de avond. 17Alles van stof of leer waarop zijn zaad terechtgekomen is, moet met water schoongemaakt worden. Het is onrein tot de avond.

18Als een man met een vrouw naar bed geweest is, moeten ze zich allebei wassen. Ze blijven onrein tot de avond.

Als een vrouw ongesteld is

19Als een vrouw ongesteld is, is ze zeven dagen onrein. Iemand die haar tijdens die dagen aanraakt, is onrein tot de avond.

20Een vrouw die ongesteld is, maakt alles onrein waarop ze ligt of zit.

21-23Iemand die het bed van die vrouw aanraakt, of iets op haar bed, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond. Datzelfde geldt voor iemand die gaat zitten op iets waarop de vrouw gezeten heeft. En ook voor iemand die iets aanraakt waarop de vrouw gezeten heeft.

24Als een man naar bed gaat met een vrouw die ongesteld is, is hij zeven dagen onrein. En alles waarop hij tijdens die dagen ligt of zit, wordt ook onrein.

Als een vrouw bloed verliest

25Een vrouw is ook onrein als ze bloed verliest terwijl ze niet ongesteld is. Of als ze langer ongesteld is dan normaal. Dan gelden dezelfde regels als wanneer ze ongesteld is.

26Dus alles waarop ze zit of ligt zolang ze bloed verliest, wordt onrein. 27En iemand die iets aanraakt waarop de vrouw gezeten of gelegen heeft, wordt ook onrein. Hij moet zichzelf en zijn kleren wassen. En hij blijft onrein tot de avond.

De priester moet offers brengen

28Als de vrouw geen bloed meer verliest, moet ze zeven dagen wachten. Daarna is ze weer rein.

29Na die zeven dagen moet ze twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de heilige tent. 30De priester moet de duiven offeren. De ene duif is voor het offer waardoor iemand weer rein wordt. En de andere duif is voor het offer dat helemaal verbrand moet worden.

Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen de Heer en de vrouw die bloed verloor.’’

Over de heilige tent

31De Heer zei verder tegen Mozes en Aäron: ‘Zorg ervoor dat de Israëlieten zich aan mijn regels houden. Als ze onrein zijn, mogen ze niet bij mijn heilige tent komen, die midden in het kamp staat. Als ze dat toch doen, zullen ze sterven.’

Slot

32-33Dat zijn de regels voor mannen die onrein vocht verliezen, een zaadlozing hebben, of naar bed gaan met een vrouw die ongesteld is. En de regels voor vrouwen die ongesteld zijn, of door een andere oorzaak bloed verliezen.

16

Regels voor het goedmaken van fouten

De Heer is in de heilige tent

161-2Nadab en Abihu, de twee zonen van Aäron, waren gestorven toen ze de heilige tent in gegaan waren. Na hun dood zei de Heer tegen Mozes: ‘Zeg namens mij tegen je broer Aäron dat hij niet op elk moment de ruimte met de heilige kist in mag gaan. Want boven de kist en het deksel met de twee engelen ben ik aanwezig in een wolk. Als Aäron toch zomaar bij de heilige kist komt, zal hij sterven.

Speciale priesterkleren

3-4Als Aäron naar de heilige ruimte wil gaan, moet hij de volgende dingen doen.

Hij moet speciale priesterkleren aantrekken: een linnen priesterhemd en een linnen broek. Ook moet hij een linnen riem om zijn middel doen en een linnen tulband opzetten. Omdat die kleren heilig zijn, moet hij zich eerst wassen.

Het uitkiezen van de offerdieren

Aäron moet een jonge stier meenemen voor het offer waarmee zijn eigen fouten goedgemaakt worden. En een ram voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. 5Ook moet hij twee bokken meenemen voor het offer waarmee de fouten van de Israëlieten goedgemaakt worden. En een tweede ram voor het offer dat helemaal verbrand moet worden.

6Aäron moet eerst de stier offeren om zijn eigen fouten goed te maken. Zo zorgt hij ervoor dat alles weer goed is tussen mij en hem, en tussen mij en zijn familie.

7Daarna moet hij de twee bokken naar de ingang van de heilige tent brengen, naar het grote altaar. 8Daar moet hij loten om te beslissen welke bok voor mij is, en welke bok voor de god Azazel.

9De bok die voor mij is, is een offer waarmee de fouten van de Israëlieten goedgemaakt worden. 10De bok die voor Azazel is, moet levend bij het grote altaar blijven staan. Later moet Aäron die bok de woestijn in sturen, naar Azazel. Zo zorgt hij ervoor dat alles weer goed is tussen mij en de Israëlieten.

Het offeren van de stier

11Aäron moet dus eerst de stier halen die bestemd is voor het offer waarmee zijn eigen fouten goedgemaakt worden. Dan moet hij die stier slachten. Met dat offer zorgt hij ervoor dat het weer goed is tussen mij en hem, en tussen mij en zijn familie.

12Daarna moet Aäron een bak vullen met gloeiende kooltjes van het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. Ook moet hij twee volle handen wierook nemen. Het moet goede, geurige wierook zijn. Hij moet alles naar de heilige ruimte achter het gordijn brengen. 13En daar moet hij de wierook op het altaar verbranden. Dan zal de rook ervoor zorgen dat hij de heilige kist en het deksel met de twee engelen niet meer ziet. Als Aäron het deksel wel ziet, zal hij sterven.

Bloed druppelen bij de heilige kist

14Dan moet Aäron wat bloed van de stier nemen. Dat moet hij op het deksel met de twee engelen druppelen. Ook moet hij zeven keer wat bloed druppelen op de grond voor de heilige kist.

15Daarna moet hij de bok slachten die bestemd is voor het offer waarmee de fouten van het volk goedgemaakt worden. Het bloed van de bok moet hij naar de heilige ruimte achter het gordijn brengen. En met dat bloed moet hij hetzelfde doen als met het bloed van de stier. Hij moet het dus op het deksel van de heilige kist en op de grond druppelen.

16Zo zorgt hij ervoor dat de heilige ruimte weer rein wordt. Want die is onrein geworden door alle fouten en zonden van de Israëlieten. Ook de rest van de heilige tent moet hij weer rein maken. Want de tent staat midden tussen de Israëlieten, en zij zijn onrein.

17Zolang Aäron bezig is om de heilige ruimte weer rein te maken, mag niemand de heilige tent in.

Bloed smeren aan het grote altaar

Als Aäron alles weer goedgemaakt heeft tussen mij en iedereen, 18mag hij weer naar buiten komen. Hij moet naar het grote altaar gaan, bij de ingang van de heilige tent. Want hij moet ervoor zorgen dat ook het altaar weer rein wordt. Hij moet wat bloed van de stier en van de bok aan de hoeken van het altaar smeren. 19En hij moet zeven keer wat bloed tegen het altaar spatten. Zo zorgt hij ervoor dat het grote altaar weer rein en heilig wordt. Want dat was onrein geworden door de fouten van de Israëlieten.

De levende bok

20Als de heilige ruimte en de rest van de heilige tent, en ook het grote altaar weer rein zijn, moet Aäron de nog levende bok laten halen.

21Hij moet allebei zijn handen op de kop van de bok leggen. En hij moet hardop zeggen wat de Israëlieten verkeerd gedaan hebben. Al hun fouten en zonden moet hij noemen. Op die manier legt hij alle fouten van het volk op de kop van de bok. Daarna moet de bok naar de woestijn gebracht worden. Dat moet iemand doen die daar speciaal voor aangewezen is.

22Zo neemt de bok alle fouten van de Israëlieten mee naar de woestijn, waar geen mensen wonen.

Nog meer offers

Als de bok vrijgelaten is in de woestijn, 23moet Aäron teruggaan naar de heilige tent. Hij moet de speciale priesterkleren uittrekken, en die laten liggen bij de heilige ruimte. 24Daarna moet hij zichzelf wassen op een heilige plaats, en weer gewone kleren aantrekken.

Dan moet hij weer naar buiten gaan en twee rammen offeren die helemaal verbrand moeten worden. Met die offers zorgt hij ervoor dat het weer goed is tussen mij en hem, en tussen mij en het volk.

25Ten slotte moet hij ook de vette delen van de stier en de bok verbranden op het altaar.

De helpers moeten zich wassen

26De man die de levende bok naar de woestijn gebracht heeft, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Pas daarna mag hij weer in het kamp van de Israëlieten komen.

27Met het bloed van de stier en de bok is de heilige tent weer rein gemaakt. De huid, het vlees en de ingewanden van de dieren moeten verbrand worden buiten het kamp. 28De man die alles verbrandt, moet daarna zichzelf en zijn kleren wassen. Pas dan mag hij weer in het kamp komen.

Een regel voor altijd

29Op de tiende dag van de zevende maand moeten alle Israëlieten vasten, en mogen ze niet werken. Die regel blijft altijd gelden, voor de Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij hen wonen. 30Op die dag moet de hogepriester ervoor zorgen dat het weer goed is tussen het volk en mij, de Heer. Alle fouten van het volk zullen worden vergeven. En dan is het volk weer rein voor mij.

31Op die dag mag dus niemand werken, en moet iedereen vasten. Die regel geldt voor altijd.

32Alle offers op die dag moeten gebracht worden door de hogepriester. Dus door Aäron, of door de nakomeling van Aäron die dan hogepriester is. De hogepriester moet de speciale heilige priesterkleren aandoen. 33En hij moet de heilige ruimte in de heilige tent, de rest van de heilige tent en het grote altaar weer rein maken. Zo zorgt hij ervoor dat alles weer goed is tussen mij en de priesters, en tussen mij en de rest van het volk.

34Die regel geldt voor altijd: de hogepriester moet er één keer per jaar voor zorgen dat alle fouten van de Israëlieten goedgemaakt worden. Dan is het weer goed tussen mij en de Israëlieten.’

Aäron hield zich voortaan aan alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had.