Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Het eerste lied

Jeruzalem is verlaten

11Ach, wat is Jeruzalem leeg geworden,

de stad die vroeger zo veel inwoners had!

De stad die ooit zo beroemd was, is verlaten.

Vroeger was Jeruzalem een machtige stad,

maar nu heersen er andere volken.

2Het is er somber en treurig, er komt niemand meer.

Vroeger hield iedereen van Jeruzalem,

maar nu heeft de stad alleen nog maar vijanden.

Niemand heeft medelijden.

3Jeruzalem werd aangevallen, de stad was in nood.

De inwoners zijn meegenomen, weg uit Juda.

Ze zijn in verre landen, en vinden nergens rust.

Overal worden ze aangevallen, ze kunnen nergens heen.

4De wegen naar Jeruzalem zijn leeg en verlaten,

in de stad zelf is ook niets meer te doen.

Niemand gaat meer naar de tempel om feest te vieren.

De priesters huilen en klagen,

de vrouwen in de tempel zijn verdrietig.

Er is geen vreugde meer in de stad.

5De vijanden voelen zich sterk.

Ze hebben Jeruzalem veroverd en de inwoners gevangengenomen.

De inwoners hebben veel kwaad gedaan

De Heer heeft Jeruzalem aan de vijanden gegeven,

omdat de inwoners veel kwaad hebben gedaan.

6De stad was zo mooi, maar al haar schoonheid is verdwenen.

De leiders van Jeruzalem zijn hun macht kwijtgeraakt.

Ze zijn gevlucht voor de vijand, zoals herten vluchten voor de jager.

7Jeruzalem was een mooie stad vol rijkdom,

dat zullen de inwoners nooit vergeten!

Maar nu is het er leeg en verlaten.

De inwoners werden gevangengenomen,

en er was niemand die hen hielp.

De vijanden lachten toen de stad werd verwoest!

8De inwoners hebben veel slechte dingen gedaan,

en nu lacht iedereen hen uit.

Iedereen die vroeger graag in Jeruzalem kwam,

wil daar nu niet meer naartoe.

Want er is niets moois meer te zien, de stad is leeggeroofd.

De mensen schamen zich om wat er gebeurd is.

9De inwoners van Jeruzalem deden veel kwaad,

maar ze dachten niet na over de verschrikkelijke gevolgen.

Nu is de stad verwoest en vernietigd, en er is niemand die komt troosten.

De inwoners smeekten de Heer om hulp, want de vijanden waren te sterk.

10De vijanden hebben alle schatten geroofd.

Ze zijn zelfs de tempel in gegaan,

de heilige tempel waar ze niet mochten komen.

11De inwoners die nog leven, zoeken wanhopig naar eten.

Alles wat ze hebben, ruilen ze voor een beetje voedsel.

Ze smeken de Heer om hulp, want ze worden vernederd.

De inwoners zijn zwaar gestraft

12De inwoners van Jeruzalem roepen tegen iedereen die voorbijkomt:

‘Merken jullie niets? Zien jullie onze ellende niet?

Nog nooit heeft iemand het zo zwaar gehad als wij!

We zijn gestraft door de Heer, hij is woedend.

13Hij stuurde een groot leger op ons af,

we konden niet meer vluchten.

Hij liet ons allemaal gevangennemen.

Hij heeft ons leven verwoest, we zijn eenzaam en ziek.

14De Heer telde al onze fouten bij elkaar op.

Hij heeft ons zwaar gestraft, al onze kracht zijn we kwijt.

Hij liet de vijanden winnen, niemand kon ons helpen.

15Onze machtige leiders heeft hij verjaagd,

onze sterke soldaten liet hij doden.

De stad werd verwoest, er bleef niets meer van over.

16Veel inwoners zijn gedood, want de vijanden waren te sterk.

We huilen, ons gezicht is nat van tranen,

want de Heer die ons kan helpen, is oneindig ver weg.

17We smeken om hulp, maar er is niemand die ons troost.

De Heer liet de stad omsingelen door onze vijanden.

Ze vielen ons aan, ze haatten ons.

18Maar de Heer strafte ons met een goede reden,

want we hadden ons tegen hem verzet.

Mensen, luister nu naar ons! Zie onze ellende!

Velen van ons zijn verjaagd naar verre landen.

19Onze priesters en onze leiders zijn gestorven,

ze vonden nergens voedsel om in leven te blijven.

We vroegen al onze vrienden om hulp, maar zij lieten ons in de steek.’

De inwoners vragen de Heer om hulp

20Heer, zie ons, we zijn in nood, we hebben geen kracht meer.

We voelen ons ellendig, want we zijn tegen u in opstand gekomen.

Velen van ons zijn gedood door de vijanden,

anderen zijn gestorven door verschrikkelijke ziektes.

21Heer, hoor toch hoe we klagen, er is niemand die ons troost!

Alle vijanden lachen ons uit, ze lachen om wat u met ons doet.

Wat er nu met ons gebeurt, hebt u al lang geleden gezegd.

Heer, doe toch met onze vijanden hetzelfde als met ons.

22Kijk naar alle slechte dingen die zij gedaan hebben,

en straf hen daar hard voor.

Heer, we roepen naar u, want we zijn ziek van verdriet.

2

Het tweede lied

De Heer is woedend

21Ach, wat is de Heer woedend op zijn volk!

Daarom is het nu donker in Jeruzalem.

Jeruzalem was ooit de mooiste stad van Israël,

maar de Heer heeft de stad volledig vernietigd.

Zelfs zijn eigen tempel heeft hij niet gered,

zo woedend was hij!

2De Heer heeft alle dorpen en steden in Juda verwoest,

hij had geen medelijden, hij ging verschrikkelijk tekeer.

Hij heeft de koning en de leiders vernederd.

3De Heer maakte een einde aan Israëls macht.

Hij beschermde zijn volk niet meer tegen de vijanden.

Hij vernietigde zijn eigen volk, als een vuur dat alles verwoest.

Zo woedend was hij!

4De Heer viel de stad aan, als een vijand!

Alle jonge, sterke inwoners doodde hij.

Alle huizen vernietigde hij, als een vuur dat alles verwoest.

5De Heer was de vijand, hij vernietigde alles.

De paleizen liggen in puin, de stadsmuren zijn kapot.

In de hele stad wordt gehuild en geklaagd.

De Heer heeft Jeruzalem vernietigd

6De Heer heeft de tempel verwoest, zijn eigen huis.

Zo woedend was hij!

Er kan geen sabbat of feest meer gevierd worden,

de priesters en de koning kunnen er niets meer doen.

7De Heer heeft zijn altaar en zijn tempel verlaten.

Op die plaats klinkt nu het zingen van de vijanden,

zij hebben de stad in hun macht.

8De Heer had besloten om Jeruzalem te vernietigen,

niets en niemand kon hem tegenhouden.

De muren en torens van de stad werden verwoest,

er bleef niets meer van over.

9De poorten van de stad liggen in puin,

ze kunnen niet meer op slot.

De koning en de leiders zijn verjaagd,

priesters vertellen niet meer over Gods wetten,

profeten krijgen geen dromen meer van de Heer.

10De wijze mannen van Jeruzalem zwijgen,

ze zitten treurig op de grond.

Ze hebben rouwkleren aangedaan,

en zand over hun hoofd gegooid.

De vrouwen van Jeruzalem buigen hun hoofd en klagen.

De dichter heeft verdriet om de stad

11Inwoners van Jeruzalem, ik zag wat er met jullie gebeurde.

Daarom zijn mijn ogen rood van het huilen.

Ik ben in de war, ik voel me ellendig,

want jullie worden vernietigd!

Jullie kinderen liggen hulpeloos op straat,

12alsof het gewonde soldaten zijn.

Ze blijven hun moeder vragen om eten of drinken,

maar er is niemand die hen helpt.

Zo sterven ze langzaam van honger en dorst,

ze sterven langzaam in de armen van hun moeder.

13Inwoners van Jeruzalem, wat kan ik nog zeggen?

Waarmee kan ik jullie troosten? Hoe kan ik jullie helpen?

Jullie pijn is ongelofelijk groot,

maar er is niemand die jullie kan genezen.

14Jullie profeten hebben jullie bedrogen, hun woorden waren waardeloos.

Ze hebben jullie niet gewaarschuwd om beter te gaan leven.

15Nu lacht iedereen jullie uit, iedereen die jullie ziet.

Mensen schrikken als ze zien wat er gebeurd is.

Ze vinden het afschuwelijk, ze hebben medelijden met jullie.

Ze vragen: ‘Is dit die prachtige stad?

Is dit die stad waar het hele land trots op was?’

De Heer had geen medelijden

16Alle vijanden lachen als ze jullie zien,

ze beledigen jullie en zingen spotliedjes.

Ze zeggen: ‘Wij hebben Jeruzalem verwoest.

Eindelijk is het zover, naar deze dag hebben we verlangd!’

17De Heer heeft gedaan wat hij lang geleden gezegd heeft.

Hij heeft de stad laten verwoesten, zoals hij van plan was.

Hij had geen medelijden, hij liet de vijanden overwinnen,

hij zorgde ervoor dat ze sterker waren dan jullie.

18Inwoners van Jeruzalem, jullie schreeuwen het uit!

Laat je tranen maar stromen, dag en nacht,

laat ze stromen als een brede rivier.

19Blijf maar jammeren, blijf dag en nacht klagen.

Smeek de Heer om hulp, blijf tot hem bidden!

In elke straat sterven mensen van de honger.

Vraag aan de Heer of hij jullie laat leven.

De Heer heeft Jeruzalem gestraft

20Heer, kijk toch wat u met Jeruzalem doet!

Vrouwen eten hun eigen kinderen op,

priesters en profeten sterven in uw tempel.

21Overal op straat liggen mensen, jong en oud,

mannen en vrouwen die door u zijn gedood.

U had geen medelijden,

zo woedend was u!

22U riep alle vijanden van Jeruzalem bij elkaar, alsof er een feest was.

Maar u wilde de stad straffen.

Niemand kon ontsnappen, niemand bleef in leven.

Alle inwoners zijn door de vijanden gedood,

zo woedend was u!

3

Het derde lied

De dichter is wanhopig

31Ik lijd pijn, omdat de Heer kwaad op mij is.

2Hij maakt het donker om mij heen, nergens is nog licht.

3Hij straft me hard, iedere dag opnieuw.

4Ik ben mager en ziek, het voelt alsof al mijn botten gebroken zijn.

5De Heer valt me aan, van alle kanten krijg ik ellende over me heen.

6Hij maakt het donker om me heen, het is alsof ik al dood ben.

7Het voelt alsof ik gevangen zit, ik kan nergens heen.

8-9En als ik weg wil vluchten, houdt de Heer mij tegen.

Hij wil mijn gebed niet horen, zelfs niet als ik schreeuw om hulp.

10De Heer kijkt naar mij als een hongerige beer,

als een leeuw die verstopt zit in de struiken.

11De Heer valt me aan en verscheurt me, hij vernietigt me.

12Hij spant zijn boog en richt zijn pijlen op mij,

13ze raken me in mijn hart.

14De mensen van mijn volk lachen me uit,

ze zingen spotliedjes, de hele dag.

15De Heer maakt mijn leven zwaar en ellendig.

16Hij straft me streng, hij vernedert me.

17Ik vind geen vrede meer, ik weet niet meer wat geluk is.

18Ik heb geen toekomst meer,

en ik ben bang dat de Heer me niet zal redden.

19Ik denk na over de pijn en de ellende waarmee de Heer me straft.

20Steeds als ik daaraan denk, ben ik diep ongelukkig.

De dichter blijft vertrouwen

21Maar ik blijf vertrouwen, omdat ik weet:

22De Heer is goed voor zijn volk, we leven nog!

Zijn liefde blijft altijd bestaan.

23Zijn trouw is groot.

Hij zorgt voor ons, elke dag weer.

24De Heer is alles wat ik nodig heb, op hem vertrouw ik.

25De Heer is goed voor mensen die hem blijven zoeken.

26Het is goed om stil te wachten op de Heer,

want hij zal mensen altijd bevrijden.

27Het is goed als mensen het moeilijk hebben in hun jeugd.

28-30Moeilijkheden komen van de Heer.

Als we geslagen worden, moeten we niet terugvechten.

Als we uitgelachen worden, moeten we zwijgen.

Laten we rustig wachten en stil blijven.

Laten we diep buigen voor de Heer,

misschien dat hij ons helpt.

31De Heer laat ons niet voor altijd alleen.

32Als hij ons laat lijden, troost hij ons ook,

want zijn liefde is groot.

33Hij geniet er niet van om mensen te laten lijden.

34-36De allerhoogste Heer ziet onze moeilijkheden.

Hij ziet het als gevangenen slecht behandeld worden.

Hij ziet het als mensen elkaar onrecht aandoen,

en als rechters iemand oneerlijk behandelen.

37De Heer heeft alle macht: als hij iets zegt, gebeurt het.

38Alles komt van hem, het goede en het slechte.

39Laten we dus niet klagen, maar nadenken over onze zonden.

En laten we blij zijn dat we nog leven!

De Heer is woedend

40Laten we nadenken over ons leven,

en laten we de Heer weer gaan dienen.

41We moeten bidden tot God in de hemel, met ons hele hart.

42Want we zijn slecht en ongehoorzaam geweest,

en God heeft onze fouten niet vergeven.

43Hij is woedend!

Hij achtervolgt ons en doodt ons, zonder medelijden.

44Hij laat zich niet meer zien, ons gebed bereikt hem niet.

45Hij heeft ons vernederd, we worden als vuil behandeld.

46Al onze vijanden lachen als ze ons zien.

47We zijn verschrikkelijk bang, we zien overal dood en ellende.

48Mijn tranen stromen als een brede rivier,

ik heb verdriet omdat mijn volk is verdwenen.

49-51Ik voel pijn als ik denk aan de vrouwen van Jeruzalem.

Het is vreselijk wat er met hen is gebeurd.

Mijn tranen zijn niet te drogen, ze blijven stromen,

totdat de Heer in de hemel mij ziet en mij helpt.

De Heer brengt redding

52Mijn vijanden hadden geen reden om mij te haten,

maar toch bleven ze mij achtervolgen.

53Het voelde alsof ik in een put was gegooid,

een diepe put waaruit ik niet kon ontsnappen.

54Het voelde alsof ik verdronk, ik was bang dat ik zou sterven.

55Heer, toen ik in nood was, riep ik naar u.

56Ik schreeuwde om hulp, en u hebt naar mij geluisterd!

57Toen ik naar u riep, was u dichtbij.

U zei: ‘Je hoeft niet bang te zijn.’

58U hebt mij geholpen, u hebt mijn leven gered.

59U zag dat ik onderdrukt werd.

Ik smeekte: ‘Help mij toch!’

60Mijn vijanden wilden mij doden, maar u hield hen tegen.

61Ze beledigden mij, maar u hoorde hen,

u kende hun slechte plannen.

62Heer, mijn vijanden zijn tegen mij.

Ze roddelen over mij, telkens weer,

63dag en nacht zingen ze spotliedjes.

64Straf mijn vijanden voor wat ze hebben gedaan!

65Zorg dat het slecht met hen gaat, maak hen wanhopig.

66Achtervolg hen met uw woede, zorg dat er niets van hen overblijft!