Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

De veroverde gebieden

Het gebied ten oosten van de Jordaan

121De Israëlieten hadden in de tijd van Mozes het gebied ten oosten van de Jordaan veroverd. Dat gebied liep van het Arnon-dal in het zuiden, langs het hele Jordaan-dal, tot aan de Hermon-bergen in het noorden.

In de tijd daarvoor regeerden er twee koningen in dat gebied. 2De ene koning was Sichon, de koning van de Amorieten. Zijn paleis stond in de stad Chesbon. Hij heerste over een groot gebied. Dat begon in het zuiden, bij de stad Aroër aan de rivier de Arnon. En het liep tot aan de rivier de Jabbok, die grenst aan het land van de Ammonieten. Bij het gebied van Sichon hoorde ook de helft van het gebied Gilead. 3En ook het deel van het Jordaan-dal dat begint ten oosten van het Meer van Kinneret en dat loopt tot aan de Dode Zee. Het gebied eindigde bij de stad Bet-Hajjesimot, die bij de berg Pisga ligt.

4De andere koning was Og, de koning van het gebied Basan. Hij was één van de laatste Refaïeten. Zijn paleizen stonden in Astarot en in Edreï. 5Ook hij heerste over een groot gebied. Dat liep van het noorden, waar de Hermon-bergen zijn, tot aan de stad Salka in het oosten. Og heerste niet alleen over Basan, maar ook over de gebieden Gesur en Maächa, en de helft van het gebied Gilead. Zijn gebied hield op bij de grenzen van het gebied van koning Sichon uit Chesbon.

6Onder leiding van Mozes, de dienaar van de Heer, waren Sichon en Og verslagen door de Israëlieten. Hun gebieden werden gegeven aan de stammen Ruben en Gad, en aan de helft van de stam Manasse.

Het gebied ten westen van de Jordaan

7Later, onder leiding van Jozua, veroverden de Israëlieten het gebied ten westen van de Jordaan. Dat gebied was heel groot: het begon bij Baäl-Gad in het Libanon-dal in het noordwesten. En het liep tot aan de Kale Bergen en de Seïr-bergen in het zuidoosten. Jozua verdeelde het gebied en gaf elke stam van Israël zijn eigen deel.

8De Israëlieten veroverden dus de bergen en de heuvels, het westelijke deel van het Jordaan-dal, het gebied met de steile rotsen, en de Negev-woestijn in het zuiden. Dat waren de gebieden van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.

De koningen die verslagen zijn

De Israëlieten hadden de volgende koningen verslagen: 9de koning van Jericho, de koning van Ai, dat vlak bij Betel ligt, 10de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, 11de koning van Jarmut, de koning van Lachis, 12de koning van Eglon, de koning van Gezer, 13de koning van Debir, de koning van Geder, 14de koning van Chorma, de koning van Arad, 15de koning van Libna, de koning van Adullam, 16de koning van Makkeda, de koning van Betel, 17de koning van Tappuach, de koning van Chefer, 18de koning van Afek, de koning van het Saron-dal, 19de koning van Madon, de koning van Hasor, 20de koning van Simron-Meron, de koning van Achsaf, 21de koning van Taänach, de koning van Megiddo, 22de koning van Kedes, de koning van Jokneam, dat bij de berg Karmel ligt, 23de koning van Dor, dat aan de kust ligt, de koning van Goïm, dat in Galilea ligt, 24en de koning van Tirsa.

Dat zijn in totaal 31 koningen.

13

De verdeling van het land

Er moet meer land veroverd worden

131Toen Jozua oud geworden was, zei de Heer tegen hem: ‘Je bent al heel oud. Maar er is nog veel land dat veroverd moet worden.

2In de eerste plaats moet je het gebied veroveren waar de Filistijnen en de Gesurieten wonen. 3Dat gebied loopt van de grens met Egypte in het zuiden tot aan de stad Ekron in het noorden. Dat hele gebied hoort bij het land Kanaän. Het wordt bestuurd door de vijf leiders van deze Filistijnse steden: Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron. In het gebied wonen ook de Awwieten. 4Zij wonen ten zuiden van die Filistijnse steden.

Je moet ook het hele gebied van de Kanaänieten veroveren. Dat loopt vanaf de stad Ara tot aan de stad Afek. Ara is een stad van de Sidoniërs, en Afek ligt vlak bij het land van de Amorieten.

5Verder moet je het land van de Giblieten veroveren, en een groot deel van de Libanon-bergen. Namelijk het deel vanaf de stad Baäl-Gad bij de Hermon-bergen tot aan de stad Lebo-Hamat. 6Dat is het hele gebied vanaf de Libanon-bergen tot aan de stad Misrefot-Maïm. Daar hoort ook het gebied van de Sidoniërs bij.’

Jozua moet het land verdelen

Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Ikzelf zal voor mijn volk alle andere volken wegjagen. Daarna moet jij het land verdelen onder het volk. Je moet dat doen door te loten, zoals ik al eerder tegen je gezegd heb. 7Verdeel het land onder de negen overgebleven stammen en de tweede helft van de stam Manasse.’

Het gebied ten oosten van de Jordaan

8Drie stammen hadden al een gebied gekregen ten oosten van de Jordaan. Dat waren de stammen Ruben en Gad, en de eerste helft van de stam Manasse. Mozes, de dienaar van de Heer, had hun dat gebied gegeven. 9-12Het gebied begon bij het Arnon-dal, vlak bij de stad Aroër. En het liep tot aan het land van de Ammonieten. Dus ook het bergland tussen de steden Medeba en Dibon hoorde erbij. En ook alle steden van koning Sichon, en het hele gebied van koning Og.

Sichon was de koning van de Amorieten. Zijn paleis stond in de stad Chesbon. Koning Og uit Basan was een Refaïet. Zijn paleizen stonden in de steden Astarot en Edreï. Koning Og heerste over de gebieden Gilead, Gesur en Maächa, over de Hermon-bergen, en over heel Basan tot aan de stad Salka. De Israëlieten hadden die koningen en hun volken verslagen en weggejaagd. 13Ze hadden alleen de Gesurieten en Maächatieten met rust gelaten. Die volken bleven bij de Israëlieten wonen, en dat doen ze nog steeds.

14Alleen aan de stam Levi had Mozes geen gebied gegeven. In plaats daarvan kregen de Levieten voortaan een deel van de offers die bestemd waren voor de Heer. Dat had de Heer, de God van Israël, zelf aan hen beloofd.

Het gebied van Ruben

15-16Het gebied dat Mozes aan de stam Ruben gegeven had, begon bij het Arnon-dal. Dat dal ligt vlak bij de stad Aroër. Ook het bergland bij de stad Medeba hoorde erbij. 17Dus ook de stad Chesbon met alle steden eromheen. En de steden Dibon, Bamot-Baäl, Bet-Baäl-Meon, 18Jahas, Kedemot, Mefaät, 19Kirjataïm en Sibma. En de stad Seret-Hassachar, die helemaal aan de rand van de bergen ligt. 20Verder nog de steden Bet-Peor en Bet-Hajjesimot, en de steile rotsen bij de berg Pisga.

21Dat zijn dus alle steden in het bergland. En dat is dus het hele gebied dat van koning Sichon was.

Koning Sichon was al verslagen door Mozes. En in die tijd waren ook de legerleiders van Sichon door Mozes verslagen. Zij waren de leiders van de Midjanieten, en ze woonden in het land van koning Sichon. Ze heetten Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba. 22Verder was ook de waarzegger Bileam, de zoon van Beor, door de Israëlieten gedood.

23Dat was het gebied van de stam Ruben. Alle dorpen en steden in dat gebied hoorden erbij. De Jordaan was de grens van het gebied.

Het gebied van Gad

24-26Het gebied dat Mozes aan de stam Gad gegeven had, begon ten noorden van de stad Chesbon. In het gebied lagen de steden Jazer, Ramat-Hammispe, Betonim, Machanaïm, Lo-Debar en alle steden van het gebied Gilead. Ook de helft van het land van de Ammonieten hoorde erbij, tot aan de stad Aroër vlak bij de stad Rabba. 27En ook het oostelijk deel van het Jordaan-dal hoorde erbij: dus de steden Bet-Haram, Bet-Nimra, Sukkot en Safon. Dat stuk hoorde vroeger ook bij het gebied van koning Sichon. De Jordaan was de grens aan de westkant van het gebied, tot aan het Meer van Kinneret.

28Dat was het gebied van de stam Gad. Alle dorpen en steden in dat gebied hoorden erbij.

Het gebied van de eerste helft van Manasse

29-30Het gebied dat Mozes aan de eerste helft van de stam Manasse gegeven had, begon ten noorden van de stad Machanaïm. Het liep vanaf daar helemaal door tot het noorden. Heel Basan hoorde erbij, ook de zestig dorpen die Jaïr veroverd had. Dat was dus het hele gebied van koning Og. 31Ook de helft van het gebied Gilead hoorde erbij, en de steden Astarot en Edreï. Dat waren steden in Basan, waar de paleizen van koning Og stonden.

Dat was het gebied van de eerste helft van de stam Manasse. Die helft bestond uit de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse.

De Levieten krijgen geen gebied

32Mozes had aan de stammen Ruben en Gad en aan de eerste helft van de stam Manasse een gebied gegeven toen hij in Moab was. Moab was het land ten oosten van de Jordaan, niet ver van de stad Jericho. 33De enige stam die geen gebied kreeg, was de stam Levi. In plaats daarvan kregen de Levieten voortaan een deel van de offers die bestemd waren voor de Heer, de God van Israël. Dat had de Heer hun beloofd, omdat zij hem dienden.

14

Het gebied ten westen van de Jordaan

141-4De andere stammen van Israël kregen allemaal een gebied in Kanaän, het land ten westen van de Jordaan. Jozua, de zoon van Nun, verdeelde de gebieden onder de andere stammen door te loten. Dat deed hij samen met de priester Eleazar en de leiders van de stammen. Want de Heer had tegen Mozes gezegd dat het zo moest gebeuren.

De stammen Gad en Ruben en de eerste helft van de stam Manasse hadden al een gebied gekregen. Dat lag aan de andere kant van de Jordaan. De stam Levi had geen eigen gebied gekregen. Wel hadden de Levieten steden om in te wonen en land voor hun vee gekregen.

5De Israëlieten verdeelden het land dus precies zoals de Heer tegen Mozes gezegd had.

Kaleb komt bij Jozua

6Voordat Jozua de gebieden verdeelde, kwamen er een paar mannen van de stam Juda bij hem in Gilgal. Eén van hen was Kaleb, een Kenizziet. Hij was een zoon van Jefunne.

Kaleb zei tegen Jozua: ‘De Heer heeft in Kades-Barnea tegen de profeet Mozes gesproken. U weet wat de Heer daar over ons allebei gezegd heeft. 7Ik was toen veertig jaar. Mozes, de dienaar van de Heer, stuurde mij vanuit Kades-Barnea naar deze kant van de Jordaan. Ik moest kijken hoe sterk dit gebied was. Ik vertelde Mozes precies wat ik gezien had. 8Maar de mannen die met mij meegegaan waren, deden dat niet. Zij maakten het volk bang, terwijl ik juist op de Heer bleef vertrouwen. 9Toen zei Mozes tegen mij: ‘Jij bleef op de Heer, onze God, vertrouwen. Daarom zal het hele gebied dat jij gezien hebt, voor altijd van jou en je nakomelingen zijn. Dat beloof ik plechtig.’

Kaleb krijgt Hebron

10Het is nu 45 jaar geleden dat de Heer dat tegen Mozes gezegd heeft. De Heer heeft gedaan wat hij beloofd heeft. Hij heeft me al die tijd in leven gehouden. Dus ook alle jaren dat het volk van Israël door de woestijn reisde. Kijk, ik ben nu 85 jaar, 11maar ik ben nog even sterk als toen! Ik ben zelfs nog sterk genoeg om oorlog te voeren.

12Wilt u mij dan nu het bergland geven dat de Heer 45 jaar geleden aan mij beloofd heeft? U weet dat hier Enakieten wonen. Zij wonen in grote, sterke steden. Maar de Heer zal me helpen om hen het land uit te jagen. Dat heeft hij me zelf beloofd.’

13Toen zei Jozua tegen Kaleb: ‘De Heer zal bij je zijn.’ En hij gaf hem de stad Hebron met het gebied dat daarbij hoort. 14-15Hebron heette toen Kirjat-Arba. De stad was genoemd naar Arba, de machtigste man van de Enakieten. Kaleb en zijn nakomelingen kregen Hebron omdat zij altijd vertrouwd hadden op de Heer, de God van Israël. Hebron is nog steeds in hun bezit.

Nadat Jozua Hebron aan Kaleb gegeven had, was de oorlog voorbij.