Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Antwoord van Job aan Bildad

God is sterker dan iedereen

91Toen zei Job tegen Bildad:

2‘Wat je zegt, is waar.

Voor God is niemand zonder fouten.

3Iemand die met God een rechtszaak wil beginnen,

zal het niet winnen, nooit.

4God is wijs en sterk.

Niemand kan tegen hem strijden,

niemand kan hem overwinnen.

5God is machtig.

Als hij woedend is, laat hij de bergen schudden,

hij duwt ze zomaar omver.

6Hij laat de aarde beven,

de aarde staat niet meer stevig vast.

7Als God het wil, komt de zon niet meer op.

Als hij het zegt, geven de sterren geen licht meer.

8God heeft de hemel gemaakt, hij alleen.

Hij heeft macht over de golven van de zee.

9Hij heeft de sterren gemaakt,

alle sterren aan de hemel.

10God doet wonderen, ontelbaar veel,

hij doet dingen die mensen niet begrijpen.

11Als hij voorbijkomt, zie je hem niet.

Hij kan vlak bij je zijn zonder dat je het merkt.

12Als hij iets wegneemt, houdt niemand hem tegen.

Als hij iets doet, kan niemand hem stoppen.

Job kan zijn onschuld niet bewijzen

13Als God woedend is, is hij sterker dan iedereen.

Dan buigen zijn grootste vijanden voor hem.

14Tegen zo’n sterke God kan ik me niet verzetten,

ik zal toch altijd de verkeerde dingen zeggen.

15Ik weet dat ik onschuldig ben,

maar ik kan me niet verdedigen.

God heeft me al veroordeeld,

ik kan alleen om medelijden vragen.

16Als ik God roep en hij geeft me antwoord,

dan zal hij me toch geen gelijk geven.

17Hij zal een storm sturen en mij neerslaan.

Hij zal me steeds meer pijn doen, zonder reden.

18Hij geeft me geen rust,

steeds opnieuw laat hij me lijden.

19Niemand is sterker dan God, dat is zeker.

En niemand kan hem voor de rechter brengen.

20Ik ben onschuldig,

maar mijn woorden worden tegen me gebruikt.

Ik ben onschuldig,

maar toch zegt God dat ik schuldig ben.

21Ik heb niets verkeerds gedaan.

Toch zou ik liever dood zijn,

ik haat het om nog langer te leven.

22God vernietigt iedereen,

de goede en de slechte mensen.

23Als onschuldige mensen getroffen worden door een ramp,

dan heeft God geen medelijden met hen.

24Hij geeft misdadigers alle macht op aarde.

Hij maakt rechters blind, ze zien de waarheid niet.

Het is God die dat allemaal doet!

Job heeft geen hoop meer

25Mijn leven vliegt voorbij,

ik geniet nergens meer van.

26Ik zal heel gauw sterven.

Nog even, en ik ben er niet meer.

27Ik zou mijn zorgen wel willen vergeten,

ik zou wel weer vrolijk willen zijn.

28Maar ik ben bang, doodsbang.

Want God vindt dat ik schuldig ben.

29Voor hem ben ik nu eenmaal slecht.

Het heeft geen zin dat ik me verdedig.

30Als ik me zou wassen met helder water,

en mijn handen zou schoonmaken met zeep,

31dan zou God me in een vieze put gooien,

en al mijn kleren zouden gaan stinken.

32God is geen mens, zoals ik.

Ik kan hem niet voor de rechter brengen,

ik kan me niet verdedigen.

33Was er maar een rechter die zijn oordeel gaf,

die het goed kon maken tussen God en mij.

34Dan zou God me niet meer straffen,

dan zou hij me niet meer bang maken.

35Dan kon ik me zonder angst verdedigen.

Maar nee, zo is het niet.