Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Eerste toespraak van Bildad

Job moet God om hulp vragen

81Toen zei Bildad uit Suach tegen Job:

2‘Houd nu eens op met je gepraat!

Alles wat je zegt, is onzin.

3De machtige God is echt rechtvaardig.

Alles wat hij doet, is goed.

4Je kinderen hebben vast en zeker slechte dingen gedaan,

en daarom heeft God hen gestraft.

5Vraag hulp aan de machtige God,

vraag of hij goed voor je wil zijn.

6Als je eerlijk en onschuldig bent,

dan zal hij je helpen.

Dan zal hij je weer een familie geven.

7En dan zul je nog rijker worden dan je was.

Job kan leren van vroegere generaties

8Denk aan de wijze woorden

van de mensen die vroeger leefden.

Je kunt veel van hen leren.

9Wij weten maar heel weinig,

want we zijn nog jong,

en ons leven duurt maar kort.

10Maar van je voorouders kun je veel leren,

zij vertellen je wijze dingen.

11Zij hebben ons dit geleerd:

‘Waar een rivier is, daar groeit riet.

Waar water is, daar vind je gras.’

12Maar als er in de rivier geen water meer is,

zal het riet verdrogen,

ook al is het nog jong en sterk.

13Iemand zonder God is net als riet zonder water.

Zijn hoop is verdwenen, zijn leven is in gevaar.

14Hij vindt nergens steun,

hij heeft niets waarop hij kan vertrouwen.

15Zijn geld helpt hem niet,

zijn bezit beschermt hem niet.

16Eerst lijkt het goed met hem te gaan.

Hij lijkt op een plant die bloeit in de zon.

De stengels gaan de hele tuin door,

17de wortels groeien tussen de stenen,

ze komen overal.

18Maar dan wordt de plant ineens vernietigd,

en niemand weet meer waar hij stond.

Zo plotseling verdwijnt een mens zonder God.

19Hij leeft maar kort,

en er komt een ander in zijn plaats.

God zal Job helpen

20God is goed voor eerlijke mensen,

maar mensen die kwaad doen, helpt hij niet.

21Eens zal hij je weer laten lachen, Job,

eens zul je weer zingen van vreugde.

22En al je vijanden zullen vernederd worden.

Zij zullen voor altijd verdwijnen.’

9

Antwoord van Job aan Bildad

God is sterker dan iedereen

91Toen zei Job tegen Bildad:

2‘Wat je zegt, is waar.

Voor God is niemand zonder fouten.

3Iemand die met God een rechtszaak wil beginnen,

zal het niet winnen, nooit.

4God is wijs en sterk.

Niemand kan tegen hem strijden,

niemand kan hem overwinnen.

5God is machtig.

Als hij woedend is, laat hij de bergen schudden,

hij duwt ze zomaar omver.

6Hij laat de aarde beven,

de aarde staat niet meer stevig vast.

7Als God het wil, komt de zon niet meer op.

Als hij het zegt, geven de sterren geen licht meer.

8God heeft de hemel gemaakt, hij alleen.

Hij heeft macht over de golven van de zee.

9Hij heeft de sterren gemaakt,

alle sterren aan de hemel.

10God doet wonderen, ontelbaar veel,

hij doet dingen die mensen niet begrijpen.

11Als hij voorbijkomt, zie je hem niet.

Hij kan vlak bij je zijn zonder dat je het merkt.

12Als hij iets wegneemt, houdt niemand hem tegen.

Als hij iets doet, kan niemand hem stoppen.

Job kan zijn onschuld niet bewijzen

13Als God woedend is, is hij sterker dan iedereen.

Dan buigen zijn grootste vijanden voor hem.

14Tegen zo’n sterke God kan ik me niet verzetten,

ik zal toch altijd de verkeerde dingen zeggen.

15Ik weet dat ik onschuldig ben,

maar ik kan me niet verdedigen.

God heeft me al veroordeeld,

ik kan alleen om medelijden vragen.

16Als ik God roep en hij geeft me antwoord,

dan zal hij me toch geen gelijk geven.

17Hij zal een storm sturen en mij neerslaan.

Hij zal me steeds meer pijn doen, zonder reden.

18Hij geeft me geen rust,

steeds opnieuw laat hij me lijden.

19Niemand is sterker dan God, dat is zeker.

En niemand kan hem voor de rechter brengen.

20Ik ben onschuldig,

maar mijn woorden worden tegen me gebruikt.

Ik ben onschuldig,

maar toch zegt God dat ik schuldig ben.

21Ik heb niets verkeerds gedaan.

Toch zou ik liever dood zijn,

ik haat het om nog langer te leven.

22God vernietigt iedereen,

de goede en de slechte mensen.

23Als onschuldige mensen getroffen worden door een ramp,

dan heeft God geen medelijden met hen.

24Hij geeft misdadigers alle macht op aarde.

Hij maakt rechters blind, ze zien de waarheid niet.

Het is God die dat allemaal doet!

Job heeft geen hoop meer

25Mijn leven vliegt voorbij,

ik geniet nergens meer van.

26Ik zal heel gauw sterven.

Nog even, en ik ben er niet meer.

27Ik zou mijn zorgen wel willen vergeten,

ik zou wel weer vrolijk willen zijn.

28Maar ik ben bang, doodsbang.

Want God vindt dat ik schuldig ben.

29Voor hem ben ik nu eenmaal slecht.

Het heeft geen zin dat ik me verdedig.

30Als ik me zou wassen met helder water,

en mijn handen zou schoonmaken met zeep,

31dan zou God me in een vieze put gooien,

en al mijn kleren zouden gaan stinken.

32God is geen mens, zoals ik.

Ik kan hem niet voor de rechter brengen,

ik kan me niet verdedigen.

33Was er maar een rechter die zijn oordeel gaf,

die het goed kon maken tussen God en mij.

34Dan zou God me niet meer straffen,

dan zou hij me niet meer bang maken.

35Dan kon ik me zonder angst verdedigen.

Maar nee, zo is het niet.

10

Job vindt God niet rechtvaardig

101Ik vind het leven afschuwelijk.

Ik kan alleen maar klagen,

zo veel verdriet heb ik.

2Tegen God wil ik zeggen:

God, denk niet dat ik slecht ben.

Vertel me toch, waarom vecht u tegen mij?

3Hebt u er plezier in om mij te laten lijden?

U hebt me toch zelf gemaakt?

Waarom laat u mij in de steek,

terwijl u slechte mensen helpt?

4U ziet toch meer dan de mensen zien,

u denkt toch niet zoals de mensen denken?

5U leeft toch langer dan de mensen leven,

u hebt toch alle tijd om mij te laten lijden?

6Weet u wel zeker dat ik slecht ben?

Weet u wel zeker dat ik alleen maar fouten maak?

7God, u zou moeten weten dat ik onschuldig ben.

Maar ik heb niemand die mij verdedigt.

Job denkt dat God hem wil vernietigen

8U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.

Gaat u me nu vernietigen?

9Bedenk dat u mij het leven gegeven hebt.

Haalt u het leven nu weer uit mij weg?

10U hebt mij helemaal gemaakt,

vanaf het eerste begin.

11U bedekte mijn vlees met huid,

u gaf mijn lichaam spieren en botten.

12U gaf me leven en liefde,

u hebt goed voor mij gezorgd.

13Maar nu pas zie ik uw bedoeling,

nu zie ik wat uw plannen zijn.

14U wilt mijn fouten ontdekken,

u wilt zien dat ik iets verkeerds doe.

Want dan kunt u me straffen.

15Als ik schuldig ben, straft u me.

Maar zelfs als ik onschuldig ben, voel ik me slecht.

Ik schaam me diep, ik voel me ellendig.

16Juist als ik mijn best doe,

dan jaagt u op mij, zoals een leeuw op zijn prooi jaagt.

Dan gebruikt u uw macht om mij te laten lijden.

17Steeds opnieuw valt u me aan,

u wordt steeds bozer op mij.

Steeds weer vindt u een reden om mij pijn te doen.

Job wil dat God hem met rust laat

18Waarom hebt u mij geboren laten worden?

Ik was liever bij mijn geboorte doodgegaan.

19Dan was ik in een graf gelegd

zonder ooit te hebben geleefd.

20Ik leef maar zo kort,

laat me toch met rust!

Laat me nog even vrolijk zijn,

21voordat ik sterf en voorgoed verdwijn.

Dan ga ik naar het land van de dood,

22het land waar alles donker is,

waar niets een vaste plaats heeft,

waar het licht niet bestaat.’