Bijbel in Gewone Taal (BGT)
40

God spreekt opnieuw tegen Job

Job wil niet op God reageren

401De Heer zei tegen Job:

2‘Job, je hebt veel kritiek op mij.

Je hebt mij, de machtige God, beschuldigd.

Wil je nu antwoord geven op de vragen die ik stelde?’

3Job antwoordde:

4‘Ik ben onbelangrijk.

Wat moet ik nog zeggen?

Laat ik mijn mond maar houden.

5Ik heb al te veel gezegd,

laat ik nu maar zwijgen.’

God stelt Job nog meer vragen

6Toen zei de Heer tegen Job, vanuit een zware storm:

7‘Let op, ik ga je toch nog een paar vragen stellen,

en jij moet antwoord geven.

Laat zien wat je weet, Job!

8Vind je echt dat ik niet eerlijk rechtspreek?

Veroordeel je mij, en vind je jezelf onschuldig?

9Ben jij net zo sterk als ik?

Klinkt jouw stem ook zo machtig als de donder?

10Als dat zo is, laat dan zien wie je bent!

Laat zien hoe sterk en machtig je bent.

11En laat ook zien hoe verschrikkelijk kwaad je bent,

straf mensen die zichzelf geweldig vinden.

12Als je die ziet, sla ze dan neer.

En als je misdadigers ziet, vernietig ze dan meteen!

13Begraaf ze in de aarde,

laat ze verdwijnen naar het land van de dood.

14Job, als je dat allemaal kunt, dan heb je gewonnen.

Dan zal ik jou alle eer geven.

Kan Job het monster Behemot vangen?

15Kijk eens naar het monster Behemot!

Dat dier heb ik gemaakt,

zoals ik ook jou gemaakt heb.

Behemot eet gras, net als een koe.

16Kijk eens hoe sterk hij is,

kijk naar de spieren van zijn buik en zijn rug!

17Zijn staart is zo sterk als een boomstam,

zijn poten hebben stevige spieren.

18Zijn botten zijn zo hard als brons,

zijn ribben lijken wel van ijzer.

19Hij is het geweldigste dier dat ik gemaakt heb.

Ik ben de enige die hem kan verslaan.

20Hij eet gras dat groeit op de heuvels

waar wilde dieren spelen.

21Onder de struiken rust hij uit,

hij verbergt zich tussen het riet.

22De struiken geven hem schaduw,

hij ligt veilig onder de bomen bij de rivier.

23Als het water stijgt, wordt hij niet bang.

Als de rivier wild begint te stromen, blijft hij kalm.

24Job, durf jij het monster bij zijn kop te pakken?

Durf jij een haak door zijn neus te steken?

Kan Job de draak Leviatan vangen?

25Kun jij de draak Leviatan vangen met een haak?

Kun je zijn bek dichtbinden met een touw?

26Kun je een stok door zijn neus steken,

of een haak door zijn bek doen?

27Wat denk je, Job?

Zal de draak je dan vriendelijk vragen om hem te laten gaan?

Zal hij aardig tegen je doen?

28Zal hij plechtig beloven

dat hij altijd jouw knecht zal zijn?

29Kun je dan met hem spelen zoals met een vogel?

Wil je hem dan als huisdier aan je dochters geven?

30En welke prijs vragen de vissers voor het dier?

Zullen ze hem in stukken hakken en verkopen?

31Heb je genoeg speren om het dier te doden?

Durf jij die door zijn kop te steken?

32Probeer de draak maar eens te vangen, Job!

Dat lukt je niet, dat probeer je geen tweede keer.

41

De draak is levensgevaarlijk

411Denk maar niet dat je de draak kunt aanvallen.

Als je naar hem kijkt, wil je al vluchten.

2Niemand durft hem wakker te maken,

niemand durft bij hem te komen.

3Niemand durft hem aan te vallen,

niemand op de hele wereld!

Want dat is levensgevaarlijk.

4Wat ziet de draak er machtig uit, wat is hij sterk!

Ik zal je vertellen over zijn prachtige lijf.

5Niemand kan de huid van zijn lichaam trekken.

Niemand kan een speer door zijn huid steken.

6Geen mens durft zijn bek open te breken,

die bek met verschrikkelijke tanden!

7Zijn rug lijkt wel een lange rij schilden

die elk wapen kunnen tegenhouden.

8Die schilden liggen dicht tegen elkaar aan,

er kan geen lucht tussen komen.

9Ze zitten stevig aan elkaar vast,

niemand kan ze losmaken.

De draak is nergens bang voor

10Als de draak niest, dan schittert er licht.

Zijn ogen gloeien als de opgaande zon.

11Vlammen komen uit zijn bek,

stukken vuur vliegen in het rond.

12Uit zijn neus komt rook,

zoals uit een kokende pot.

13Zijn hete adem zet alles in brand,

er komt vuur uit zijn bek.

14Zijn nek is enorm dik en sterk,

iedereen is bang voor hem!

15Het vlees onder zijn huid is stevig en hard,

het zit goed vast aan zijn botten.

16Het beest is nergens bang voor,

zijn hart is zo sterk als ijzer,

zo hard als steen.

De draak is het machtigste dier

17Als de draak uit het water komt,

dan worden zelfs de sterkste mensen bang.

Als de draak aanvalt, vluchten ze weg.

18Ze kunnen zich niet verdedigen,

want geen wapen kan het dier verwonden.

19IJzer is voor de draak zo slap als stro,

brons zo zacht als verrot hout.

20Als je een pijl op hem afschiet, vlucht hij niet.

Als een steen hem raakt, merkt hij het niet.

21Als je hem met een stok slaat, voelt hij het niet.

Als je een speer naar hem gooit, lacht hij erom.

22Onder zijn buik zitten scherpe punten.

Daarmee trekt hij een spoor door de modder.

23Hij brengt het diepste water in beweging,

hij maakt grote golven op de zee.

24Als hij zwemt, komt er schuim op het water.

Hij laat een wit spoor achter op de zee.

25Geen enkel dier op aarde is zo sterk als hij.

Hij is nergens bang voor.

26De draak is groter en sterker dan alle andere dieren,

hij is de koning van allemaal.’

42

Het antwoord van Job

Job wil liever zwijgen

421Toen zei Job tegen de Heer:

2‘Ik weet dat u alles kunt,

voor u is alles mogelijk.

3U vroeg: ‘Hoe durf je aan mijn wijsheid te twijfelen?

Je praat over zaken waar je niets van weet!’

U hebt gelijk, ik heb er geen verstand van.

Ik praatte over dingen die ik niet begrijp.

4-6U zei: ‘Luister naar wat ik te zeggen heb.

Ik ga je vragen stellen

en jij moet antwoord geven.’

Maar ik zwijg verder.

Want vroeger kende ik u alleen uit verhalen van anderen,

maar nu heb ik u zelf gezien.

Nu heb ik troost gevonden voor mijn moeilijke leven.’

Hoe het verdergaat met Job

God is boos op de vrienden van Job

7-8Nadat de Heer tegen Job gesproken had, zei hij tegen Elifaz: ‘Ik ben boos op jou en je twee vrienden. Want jullie hebben niet de waarheid gesproken over mij. Mijn dienaar Job heeft dat wel gedaan. Ieder van jullie moet zeven stieren en zeven rammen halen, en daarmee naar Job gaan. Dan moeten jullie voor jezelf die dieren offeren. Daarna moet Job voor jullie bidden, en dan zullen jullie niet gestraft worden. Want voor Job zal ik goed zijn, naar hem zal ik luisteren.’

9Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma deden wat de Heer gezegd had. En de Heer was goed voor Job, hij luisterde naar zijn gebed.

Het gaat met Job beter dan vroeger

10Nadat Job voor zijn vrienden gebeden had, liet de Heer een nieuwe tijd voor Job beginnen. Toen ging het veel beter met hem. De Heer gaf hem zelfs twee keer zo veel bezit als vroeger.

11Toen kwamen Jobs broers en zussen en zijn vrienden van vroeger bij hem thuis eten. Ze kwamen hem troosten, omdat de Heer zo veel ellende in zijn leven had laten gebeuren. Ze gaven hem allemaal een zilverstuk en een gouden ring.

12De Heer zorgde ervoor dat het met Job nog beter ging dan vroeger. Op het laatst had Job 14.000 schapen en geiten, zesduizend kamelen, tweeduizend koeien en duizend ezels.

13Job kreeg ook zeven zonen en drie dochters. 14Hij gaf zijn dochters mooie namen: de oudste heette Jemima, de tweede Kesia, en de jongste Keren-Happuch. 15De dochters van Job waren de mooiste vrouwen van het hele land. Zij kregen van Job net zo’n groot deel van de erfenis als hun broers.

De dood van Job

16Job leefde nog 140 jaar. Hij maakte mee dat zijn kleinkinderen werden geboren, en ook de kinderen van zijn kleinkinderen.

17Toen stierf Job. Hij had een lang en goed leven gehad.