Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Tweede toespraak van Sofar

Sofar voelt zich beledigd door Job

201Toen zei Sofar tegen Job:

2-3‘Luister, Job, nu kan ik niet langer zwijgen.

Je dwingt me om te antwoorden.

Met je woorden heb je mij beledigd,

maar ik weet precies wat ik terug moet zeggen.

Slechte mensen verliezen hun rijkdom

4Wat ik ga zeggen, zou je moeten weten,

want zo gaat het al eeuwen,

zo lang als er mensen bestaan:

5Een slecht mens is nooit lang gelukkig,

hij is nooit lang blij.

6Eerst voelt hij zich machtiger dan iedereen,

en niemand is zo bekend als hij.

7Maar hij verdwijnt voorgoed.

De mensen die hem gekend hebben,

vinden niets van hem terug.

8Hij is helemaal verdwenen,

zoals een droom verdwenen is in de ochtend.

9Niemand zal hem terugzien,

hij komt nooit meer naar zijn huis terug.

10Een slecht mens zal zijn rijkdom verliezen.

Zijn kinderen moeten bij de armen om eten vragen.

11Het ene moment is hij nog sterk en gezond,

het andere moment sterft hij, en ligt hij in zijn graf.

Slechte mensen genieten maar kort

12Een slecht mens geniet van zijn misdaden,

zoals iemand van lekker eten geniet.

13Hij houdt het eten lang in zijn mond,

zodat hij alles goed kan proeven.

14Maar als hij het heeft doorgeslikt,

lijkt het op het gif van een slang.

15Hij moet al het eten weer uitspugen,

want God duwt het uit zijn maag omhoog.

16Het voedsel dat hij eerst zo heerlijk vond,

is gif geworden, en hij wordt doodziek.

17Hij kan de lekkere hapjes niet meer zien,

hij geniet niet meer van de heerlijke dranken.

18Zo kan een slecht mens niet lang genieten van zijn rijkdom,

hij moet alles teruggeven.

19Want hij onderdrukt arme mensen,

en hij laat ze in de steek.

Hij zet ze uit hun eigen huis.

20Nooit is hij tevreden met wat hij bezit.

Hij wil altijd meer hebben,

21hij laat niets over voor een ander.

Daarom duurt zijn geluk niet lang.

Slechte mensen worden gestraft

22Want juist als een slecht mens heel rijk is,

krijgt hij het moeilijk.

Plotseling treft hem een grote ramp.

23Terwijl hij zijn buik vult,

wordt hij gestraft met ellende.

Want God laat merken hoe woedend hij is.

24De rijke man moet vluchten

omdat iemand hem wil doden met een zwaard.

Maar dan wordt hij door pijlen getroffen.

25De pijlen gaan dwars door zijn lichaam heen.

Hij probeert ze los te trekken, en ziet bloed.

Hij schrikt hevig, hij gaat dood!

26Zijn hele bezit wordt vernietigd,

al zijn rijkdom wordt verbrand.

Hij en zijn gezin sterven in de vlammen.

27Zo wordt duidelijk hoe slecht hij was,

al zijn misdaden worden bekend.

28Op de dag dat God zijn woede laat zien,

verliest de rijke man voor altijd zijn bezit.

29Zo loopt het af met slechte mensen.

God geeft hun de straf die ze verdienen.’

21

Tweede antwoord van Job aan Sofar

Job wil dat zijn vrienden luisteren

211Toen zei Job:

2‘Luister nu eens goed naar mij.

Dat zou me al troosten.

3Heb geduld met me, dan kan ik iets vertellen.

Als ik klaar ben, kunnen jullie me weer uitlachen.

4Ik klaag niet tegen mensen, ik klaag tegen God.

Van hem wil ik antwoord, nu!

5Stop toch met jullie gepraat,

kijk hoe verschrikkelijk ik eruitzie.

Met slechte mensen gaat het goed

6Als ik denk aan wat er gebeurt met slechte mensen,

dan word ik boos, dan tril ik van woede.

7Want slechte mensen hebben een mooi leven!

Ze blijven gezond en sterk, en ze leven lang.

8Ze hebben altijd kinderen om zich heen,

en ze zien ook hun kleinkinderen groot worden.

9Er is altijd vrede in hun huis,

God straft hen niet.

10Hun koeien krijgen elk jaar kalfjes,

en er gaat er niet één dood.

11Hun kinderen rennen buiten rond,

net zo blij als lammetjes en geitjes.

12Die mensen zingen elke dag vrolijke liedjes,

ze maken muziek op harpen, trommels en fluiten.

13Ze hebben een goed leven,

en ze sterven in vrede.

14Tegen God zeggen ze: ‘Ga weg!

Wij willen u niet kennen.

15Waarom zouden we u dienen?

Waarom zouden we tot u bidden?’

God straft slechte mensen niet

16Slechte mensen denken dat het goed met hen gaat

omdat ze daar zelf voor gezorgd hebben.

Maar ik denk daar heel anders over.

17Het gaat goed met slechte mensen

omdat God hen niet straft.

Zij gaan nooit plotseling dood,

ze worden niet getroffen door rampen.

18Ze worden niet vernietigd,

ze verdwijnen niet zomaar,

zoals stof dat door de wind wordt weggeblazen.

19-20Misschien bewaart God de straf voor hun kinderen.

Maar dat is niet eerlijk.

Hij moet henzelf straffen, zij moeten het voelen!

De machtige God moet woedend op hen zijn!

21Zij voelen geen pijn als hun kinderen gestraft worden,

want dan zijn ze zelf allang dood.

22God weet hoe hij mensen moet straffen,

dat hoeven zij hem niet te leren.

Hij spreekt zelfs recht over engelen in de hemel!

23-24Sommige mensen sterven

terwijl ze een mooi leven hebben.

Ze zijn sterk, ze zien er goed uit.

Ze sterven in vrede, zonder zorgen.

25Andere mensen sterven heel teleurgesteld.

Zij zijn nooit gelukkig geweest.

26Alle mensen komen onder de grond te liggen,

bedekt door de wormen.

Slechte mensen krijgen respect

27Ik weet heel goed wat jullie nu denken.

Ik weet hoe jullie zullen reageren.

28Jullie zullen wel zeggen:

‘Waar zijn de huizen van die rijke mensen dan?

Waar wonen de mensen die zo veel slechte dingen deden?

Hun huizen zijn toch allang door God verwoest?’

29Maar ik zeg jullie:

Luister naar de verhalen van reizigers,

van mensen die veel van de wereld hebben gezien.

30Zij kunnen jullie vertellen

dat slechte mensen niet door God gestraft worden.

Ze worden niet door rampen getroffen.

31Slechte mensen horen nooit wat ze verkeerd doen,

niemand straft hen voor hun fouten.

32Nee, ze krijgen juist een mooie begrafenis,

hun graf wordt goed verzorgd.

33De aarde bedekt hen, ze liggen daar rustig.

En heel veel mensen huilen bij hun graf.

34Nee, vrienden, jullie troosten mij echt niet.

Alles wat jullie zeggen, is een leugen.’

22

Derde toespraak van Elifaz

Elifaz zegt dat Job slecht is

221Toen zei Elifaz tegen Job:

2‘Het is voor jezelf fijn als je wijs bent,

maar God heeft daar geen voordeel van.

3Je kunt wel een goed mens zijn,

maar de machtige God heeft daar niets aan.

Het helpt hem niet als jij geen fouten maakt.

4Of denk je soms dat God je straft

omdat je eerbied voor hem hebt?

5Nee, hij straft je juist omdat je slecht bent.

Want alles wat je deed, was helemaal verkeerd.

6Je leende geld aan arme mensen,

maar je wilde in ruil daarvoor hun jas.

Je pakte ook nog hun laatste kleren af.

7Je gaf geen water aan mensen die dorst hadden.

Je gaf geen eten aan mensen die honger hadden.

8Je gebruikte je macht en je invloed

om land van anderen af te pakken.

9Je hebt weduwen niet geholpen,

en kinderen zonder vader heb je weggejaagd.

10Daarom gaat het nu zo slecht met je.

Daarom ben je zo verschrikkelijk bang.

11Je weet niet meer wat je doen moet,

je bent totaal machteloos.

God woont in de hemel

12God woont in de hemel,

hoog boven de aarde,

hoger dan de hoogste sterren.

13Daarom denk je misschien:

God weet niet wat er op aarde gebeurt.

Hij ziet niet wat de mensen doen,

14want er zijn wolken om hem heen.

Zelfs als hij aan de rand van de hemel komt,

dan nog ziet hij niets van de aarde.

Job moet goed gaan leven

15Job, blijf niet leven zoals je voorouders,

die leefden als slechte mensen!

16Zij gingen dood toen ze nog jong waren.

Ze werden met geweld van de aarde weggenomen.

17Ze zeiden tegen God: ‘Ga weg!’

Ze dachten: De machtige God kan ons toch niets doen.

18Maar ze zagen niet dat hun rijkdom van God kwam.

Ik begrijp niets van slechte mensen,

en ik wil ook niet denken zoals zij.

19Als slechte mensen gestraft worden,

zijn goede mensen blij.

Ze lachen en zeggen:

20‘Onze vijanden zijn vernietigd,

al hun bezittingen zijn verbrand.’

Job kan beter vrede sluiten met God

21Job, wees niet langer een vijand van God,

sluit liever vrede met hem!

Dan zal het weer goed met je gaan.

22Luister naar de lessen van God,

en denk daar goed over na.

23Keer terug naar de machtige God,

dan komt alles weer goed met je.

Doe geen verkeerde dingen meer,

jij niet en je familie ook niet.

24Gooi al je goud maar weg,

het is toch waardeloos.

25Laat God voor jou belangrijker zijn dan zilver,

en waardevoller dan het zuiverste goud.

26Dan zul je de machtige God vertrouwen,

dan zul je blij zijn dat hij jouw God is.

27Hij zal je geven wat je aan hem vraagt,

en jij zult doen wat je aan hem belooft.

28Je zult al je plannen kunnen uitvoeren.

Alles wat je doet, zal je lukken.

29Als anderen veel ellende meemaken,

dan zul jij hun nieuwe moed geven.

Door jou zal God machteloze mensen helpen.

30Dan zal God jou ook redden,

zelfs als je schuldig bent.

Want hij redt mensen die goed leven.’