Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Er komt een nieuwe tijd

41De Heer zegt: ‘Volk van Israël, kom bij me terug. Doe al je beelden van afgoden weg. Kom terug naar je land en wees mij weer trouw. 2Vereer alleen mij, en wees eerlijk en trouw. Dan zullen alle volken zeggen: ‘Heer, wat bent u goed voor uw volk! Wilt u voor ons ook zo goed zijn?’’

Er komt een ramp

Jeremia waarschuwt Juda en Jeruzalem

3Inwoners van Juda en Jeruzalem, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Voordat je gaat zaaien, moet je eerst de doornstruiken weghalen en de grond weer vruchtbaar maken.’ 4Dat betekent: doe het kwaad uit jezelf weg en open je hart voor Gods wil. Want als jullie verkeerde dingen blijven doen, zal de Heer woedend worden! Zijn woede is als een vuur dat nooit uitgaat en dat alles verbrandt.

Jeremia zegt dat er een ramp komt

5-6Waarschuw de inwoners van Juda, blaas overal in het land op de trompet! Laat iedereen naar de steden gaan en zich daar verzamelen. Waarschuw ook de inwoners van Jeruzalem. Iedereen moet meteen naar de stad vluchten. Want er gaat een ramp gebeuren!

De Heer stuurt de vijanden uit het verre noorden naar dit land. 7Ze vernietigen alles wat ze tegenkomen. Ze zijn naar jullie onderweg, ze komen eraan. Ineens zullen ze voor jullie staan, net zo plotseling als een leeuw die tevoorschijn springt uit de struiken. De vijanden zullen jullie land in een woestijn veranderen. In jullie steden zal niemand meer wonen, er zal niets van overblijven.

8Trek maar vast zwarte kleren aan. Begin maar vast te huilen en te jammeren. Want niemand kan de woede van de Heer tegenhouden.

Jeremia klaagt over de ramp

9De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, als die ramp komt, zullen de koning en de leiders alle moed verliezen. En de priesters en de profeten zullen vreselijk schrikken.’

10Toen zei ik: ‘Heer, mijn God, u hebt uw stad Jeruzalem en uw volk Israël bedrogen! Want u had beloofd dat wij in vrede zouden leven. Maar nu komen de vijanden ons doden!’

11-12Maar de Heer zei: ‘Zeg tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: ‘Er komen vijanden om jullie te doden. Ze vernietigen alles en iedereen. Net zoals een harde woestijnwind alles wegblaast. Zo zal de Heer jullie straffen.’’

Jeremia vertelt dat er vijanden komen

13Daar komen de vijanden! Opeens zijn ze er, net zoals wolken in de lucht. Hun wagens zijn sneller dan stormwinden, hun paarden zijn sneller dan adelaars.

Inwoners van Jeruzalem, jullie roepen: ‘Help ons toch! Het loopt slecht met ons af!’ 14Maar nee, inwoners van Jeruzalem! Jullie kunnen alleen gered worden als je het kwaad uit jezelf wegdoet. Maar dat doen jullie niet. Jullie hoofd zit vol kwade plannen.

15Slecht nieuws uit het noorden! Vreselijke berichten uit het gebied Dan en het bergland van Efraïm! 16Maak het overal bekend, vertel het aan iedereen in Jeruzalem. De vijanden uit het verre noorden zijn gekomen. Met veel geschreeuw komen ze naar de steden van Juda. 17Ze omsingelen de stad Jeruzalem, net als bewakers die een stuk land bewaken.

De Heer zegt: ‘Dat gebeurt omdat jullie tegen mij in opstand gekomen zijn. 18Het is de straf voor jullie misdaden. Want van binnen zitten jullie vol slechtheid.’

Jeremia schreeuwt het uit

19Mijn hart bonst, mijn hoofd bonkt! Ik ben ziek van angst, ik schreeuw het uit! Het is oorlog. Ik hoor het geschreeuw van de vijanden, het geluid van hun trompetten. 20Eén voor één worden de steden veroverd. De vijanden vernietigen alles: de huizen, de dorpen en de steden. Ze verwoesten het hele land. 21Hoe lang moet ik hun vlaggen nog zien? Hoe lang moet ik hun trompetten nog horen?

22De Heer zegt: ‘Mijn volk is dom. Ze weten niet wie ik ben. Ze weten niet hoe ze goed moeten leven. Het zijn mensen zonder verstand, zonder inzicht. Maar verkeerde dingen doen, dat kunnen ze goed!’

Jeremia ziet een verlaten aarde

23Ik zag dat de aarde leeg en verlaten was. Ik zag dat er geen licht aan de hemel meer was. 24Ik zag dat de bergen beefden en de heuvels trilden. 25Ik zag dat er geen mensen meer waren. En dat alle vogels verdwenen waren. 26Ik zag dat alle velden vernield waren en alle steden vernietigd.

Dat komt allemaal door de grote woede van de Heer. 27-28Want hij heeft gezegd: ‘Ik maak van dit land een woestijn. Dan zal er verdriet zijn in de hemel en op de aarde. Maar mijn besluit staat vast. Toch zal ik het land niet helemaal vernietigen.’

Jeruzalem zal veroverd worden

29Iedereen vlucht voor het geschreeuw van de soldaten. De mensen vluchten naar de bossen en de bergen. Alle steden zijn verlaten, er woont niemand meer.

30Luister, inwoners van Jeruzalem. Ook al doen jullie nog zo je best, jullie stad is niet meer te redden. Jullie stad lijkt op een vrouw die zich mooi gemaakt heeft. Ze draagt sieraden en een dure jurk. Ze is mooi opgemaakt en ziet er prachtig uit. Maar er is geen man die haar nog wil. Nee, de mannen willen haar juist doden. Net zo zijn de vijanden gekomen om jullie mooie stad te verwoesten.

31Ik hoor geschreeuw. Het lijkt wel alsof er een vrouw aan het bevallen is van haar eerste kind. Het geschreeuw komt uit Jeruzalem. De inwoners van de stad zijn in nood. Ze smeken om hulp en roepen: ‘Help ons toch! We worden vermoord!’

5

De straf van God

Iedereen in Jeruzalem is slecht

51-2De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, loop door de straten van Jeruzalem, kijk goed rond op alle pleinen. Zoek naar iemand die eerlijk is en de waarheid belangrijk vindt. Als je zo iemand vindt, zal ik de hele stad vergeven.

Maar alle inwoners van Jeruzalem zijn oneerlijk! Ze liegen altijd, zelfs als ze zeggen: ‘Dit is waar. Zo zeker als de Heer leeft!’’

3Toen zei ik: ‘Heer, u wilt dat uw volk de waarheid ziet. Maar als u de mensen van uw volk straft, dan schrikken ze niet eens. Als u vernietiging brengt, dan zeggen ze: ‘Wij hebben geen straf verdiend.’ Ze zijn keihard. Ze hebben gewoon nergens spijt van.’

Jeremia merkt hoe slecht het volk is

4Eerst dacht ik: Ach, de mensen van mijn volk weten niet veel. Ze doen verkeerde dingen, omdat ze niet weten wat de Heer van hen wil. Ze kennen de regels van hun God niet. 5Daarom bedacht ik: Ik zal met de leiders van het volk praten. Die weten precies wat de Heer wil. Die kennen de regels van hun God. Maar toen merkte ik dat ook de leiders zich aan geen enkele regel hielden. Ze gingen allemaal hun eigen gang!

6Alle mensen deden verkeerde dingen. Ze waren steeds ontrouw aan de Heer. Daarom heeft de Heer vijanden gestuurd. Die zullen als wilde dieren op de steden van Juda afkomen, om de inwoners te doden.

De Heer kan zijn volk niet vergeven

7Volk van Israël, de Heer zegt tegen jullie: ‘Ik kan jullie niet vergeven! Jullie hebben mij verlaten om afgoden te gaan vereren! Ik zorgde ervoor dat jullie het goed hadden, maar toch gingen jullie andere goden vereren. Telkens weer gingen jullie naar hun tempels toe. 8Jullie leken wel wilde paarden! Paarden die steeds weer op een ander vrouwtje springen om te paren. Zo gingen jullie achter andere goden aan.

9Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden. 10-11Ik geef jullie vijanden deze opdracht: ‘Val het land aan en verover het, maar vernietig het niet helemaal. Je moet de inwoners van Israël en Juda doden. Zij horen niet meer bij mij, want ze hebben me bedrogen.’’

Israël nam de Heer niet serieus

12Volk van Israël, jullie namen de Heer niet serieus. Jullie zeiden: ‘Zoiets doet de Heer niet. Die rampen zullen wij niet meemaken. Wij hoeven niet bang te zijn voor oorlog of voor hongersnood. 13De profeten die zeggen dat er rampen komen, die kletsen maar wat. Laat die rampen maar met henzelf gebeuren!’

14Maar God, de machtige Heer, zegt: ‘Omdat jullie dat gezegd hebben, ga ik jullie straffen. Mijn woorden zijn als vlammen van vuur. Als Jeremia ze uitspreekt, zullen die woorden jullie vernietigen.’

De Heer stuurt vijanden naar Israël

15De Heer zegt: ‘Let op, volk van Israël, ik stuur vijanden op jullie af. Ze komen uit een ver land. Ze horen bij een machtig volk, dat al eeuwenlang bestaat. Ze spreken een taal die jullie niet kennen. Je verstaat niet wat ze zeggen. 16Hun leger brengt dood en vernietiging. Al hun soldaten zijn geweldige vechters.

17Die vijanden zullen alles van jullie afpakken: de oogst van het land, jullie eten, je zonen en dochters, je geiten, schapen en koeien, je druiven en vijgen. Ze zullen jullie sterke steden vernietigen. De muren waar jullie op vertrouwen, zullen ze met geweld verwoesten.

18Maar toch zal ik jullie dan niet helemaal vernietigen.’

Israël heeft de Heer verlaten

19-20Luister, inwoners van Juda. Jullie vragen: ‘Waarom heeft de Heer ons al deze ellende gebracht?’ Dit is zijn antwoord: ‘Jullie hebben mij verlaten in je eigen land. Ik ben jullie eigen God. Maar jullie gingen andere goden dienen. Daarom moeten jullie nu in een land gaan wonen dat niet van jullie is. En daar moeten jullie de koning van een ander volk dienen. 21Jullie zijn dom, jullie hebben geen verstand. Jullie hebben wel ogen, maar jullie zien niets. Jullie hebben wel oren, maar jullie horen niets.

22Hoe kan het dat jullie geen eerbied voor mij hebben? Hoe kan het dat jullie niet bang voor mij zijn? Ik ben degene die macht heeft over de zee. Ik heb een grens van zand gemaakt, die de zee tegenhoudt. Ook al buldert de zee en bruisen de golven, die grens houdt al het water tegen.

23Maar jullie zijn eigenwijs en ongehoorzaam. Jullie gaan je eigen gang. 24Jullie denken niet: Wij moeten eerbied hebben voor de Heer, onze God. Want hij zorgt voor ons. Hij laat het op tijd regenen in de lente en in de herfst. En hij zorgt ervoor dat wij op vaste tijden in het jaar kunnen oogsten.

25Het is dus jullie eigen schuld dat het verkeerd gaat. Door jullie slechte gedrag krijgen jullie een slechte oogst.’

In Israël gebeuren vreselijke dingen

26De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zie vreselijke mensen daar bij jullie. Ze proberen anderen in de val te laten lopen. Ze lijken op jagers die netten ophangen om vogels in te vangen.

27Die vreselijke mensen stelen van iedereen, hun huizen staan vol gestolen spullen. Zo zijn ze rijk en machtig geworden, 28en dik en vet van al het eten.

Ze denken alleen aan hun eigen rechten. Het kan ze niets schelen als arme mensen oneerlijk behandeld worden. Ze zullen zwakke mensen nooit helpen. Ze zijn slechter dan slecht. 29Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden.

30Er gebeuren afschuwelijke dingen in het land. 31De profeten vertellen leugens aan jullie. De priesters geven jullie regels die ze zelf gemaakt hebben. En jullie vinden het allemaal prima. Wacht maar tot jullie einde komt!’

6

De ramp is dichtbij

Jeremia waarschuwt het volk

61Volk van Benjamin, vlucht weg uit Jeruzalem! Waarschuw iedereen! Blaas op de trompet in Tekoa, waarschuw met rook boven Bet-Hakkerem. Want uit het noorden komt een ramp die alles zal vernietigen.

2De Heer zegt: ‘Ik ga Jeruzalem vernietigen, die schitterende stad. 3Ik stuur koningen op Jeruzalem af. Ze zullen met hun legers de stad omsingelen. De soldaten nemen het gebied rondom de stad in bezit. 4Ze roepen: ‘Vlug, maak je klaar voor de strijd! Dan kunnen we de stad vanmiddag nog aanvallen! Nee, dat lukt niet meer, het is al bijna avond. 5Dan gaan we vannacht! We vallen de stad in het donker aan en we verwoesten alle paleizen.’’

6God, de machtige Heer, zegt tegen de vijanden: ‘Hak de bomen bij Jeruzalem om en val de stad aan. Ik geef Jeruzalem aan jullie, want het is een stad vol kwaad. 7Zoals water uit een bron stroomt, zo stroomt het kwaad uit Jeruzalem. Mensen worden daar neergeslagen, ze worden vertrapt. Ik zie het al gebeuren. Ik hoor het geschreeuw al van mensen die worden mishandeld en beroofd.

8Leer van deze straf, inwoners van Jeruzalem! Anders laat ik jullie alleen achter. Dan wordt Jeruzalem een woestijn, een gebied waar niemand woont.’

Niemand luistert naar Jeremia

9God, de machtige Heer, zei tegen mij: ‘Jeremia, kijk of er bij mijn volk nog mensen zijn die willen luisteren. Ga naar hen op zoek, net zoals een boer na de druivenoogst op zoek gaat naar de laatste druiven.’

10Ik zei tegen de Heer: ‘Tegen wie moet ik spreken? Als ik waarschuw, luistert niemand! Ze stoppen allemaal hun oren dicht. Ze willen niets van u weten. Ze lachen om alles wat ik namens u zeg. Ze hebben geen zin om te luisteren.’

Jeremia voelt de woede van de Heer

11Ik voel de woede van de Heer in mij. Ik kan me niet langer inhouden. Gods woede treft iedereen, ook de kinderen op straat en alle jonge mannen. De vijanden zullen iedereen grijpen: alle mannen en vrouwen, ook alle oude mensen. 12De inwoners van Juda zullen hun huizen kwijtraken, en ook hun akkers en hun vrouwen.

De Heer zegt: ‘Ik ga de inwoners van Juda straffen. 13Want iedereen, arm en rijk, denkt alleen maar aan zichzelf. En de priesters en profeten liegen allemaal. 14Ze zeggen dat er niets aan de hand is, maar mijn volk gaat een vreselijke ramp meemaken! ‘Alles gaat goed,’ zeggen ze, ‘alles gaat goed!’ Maar het gaat helemaal niet goed!

15Schamen de priesters en de profeten zich voor hun misdaden? Nee, ze schamen zich nergens voor. Ze weten niet eens wat schaamte is. Daarom zal ik hen straffen. Als de oorlog komt, zullen ook zij sterven.’

De Heer straft zijn ongehoorzame volk

16De Heer zegt: ‘Volk van Israël, denk eens na over hoe jullie leven. Denk eens aan de wet die ik jullie lang geleden gaf. Ik heb jullie de weg gewezen. Ik beloofde dat jullie in vrede zouden leven als jullie het goede zouden doen. Maar jullie zeiden: ‘Dat doen we niet.’

17Ik stuurde mijn profeten naar jullie toe. Ik zei: ‘Luister naar de waarschuwingen die ze geven.’ Maar jullie zeiden: ‘Dat doen we niet.’

18Daarom zeg ik nu tegen alle volken op aarde: ‘Luister goed, kom kijken wat hier gaat gebeuren. 19Ik ga een ramp op mijn volk afsturen. Zo straf ik hen voor hun misdaden. Want zij wilden niet luisteren naar mijn woorden. Ik gaf hun mijn wet, maar die wilden zij niet.’’

De Heer wil geen offers van zijn volk

20De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie brengen mij wierook uit Seba, jullie brengen mij geurige kruiden uit verre landen. Maar wat heb ik daaraan? Ik ben niet blij als jullie dieren slachten voor mij. Jullie offers wil ik niet.

21Ik leg stenen neer waarover jullie zullen struikelen. Dat betekent: Als de vijanden komen, zullen jullie allemaal sterven. Vaders en zonen, buren en vrienden, iedereen wordt gedood.’

De vijanden komen naar Jeruzalem

22De Heer zegt: ‘Er komen machtige legers aan uit het verre noorden. Ze komen van de andere kant van de aarde. Ze staan klaar voor de strijd. 23Ze zijn hard, ze kennen geen medelijden. Hun geschreeuw klinkt als het gebulder van de zee. Ze komen eraan op hun snelle paarden, klaar om te vechten met hun bogen en zwaarden. Ze zullen vechten tegen jullie, inwoners van Jeruzalem!’

24Jullie zeggen: ‘We hebben gehoord dat de vijanden komen. We hebben de moed verloren, en we zijn bang, ja, doodsbang! 25Ga niet naar je akker, ga niet op reis. Blijf in de stad! Want buiten de stad zijn de vijanden. Overal is dood en vernietiging.’

26Ach, mijn volk! Trek zwarte kleren aan en ga in het stof op de grond liggen. Huil maar, en jammer alsof je enige kind is doodgegaan. Want wat er gaat gebeuren, is verschrikkelijk. Opeens zullen de vijanden voor je staan om je te doden.

De Heer vindt zijn volk waardeloos

27De Heer zei: ‘Jeremia, ik geef jou de opdracht om dit volk te testen. Jij moet hun gedrag onderzoeken. 28Je zult merken dat ze ongehoorzaam zijn. Ja, ze zijn verschrikkelijk ongehoorzaam! Liegen is voor hen normaal, en ze doen allemaal expres het verkeerde. Ze zijn slechter dan slecht.

29-30Ik heb alles geprobeerd. Ik lijk op een smid die probeert om zilver zuiver te maken. Die smid maakt het vuur heter en heter. Maar hoe hij ook zijn best doet, het zilver wordt niet zuiver. Dat zilver is waardeloos en de smid gooit het weg. Zo gaat het ook met mijn volk: ik doe het weg, want het is waardeloos.’