Bijbel in Gewone Taal (BGT)
48

Over Moab

Het land Moab wordt veroverd

481-2De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Het is afgelopen met de macht van Moab! De vijanden zijn in Chesbon. Ze nemen het besluit om Moab kapot te maken. ‘Kom,’ roepen ze, ‘we gaan dat volk vernietigen!’

Volk van Moab, huil maar om jullie stad Nebo, die verwoest wordt. Schaam je voor de stad Kirjataïm, die veroverd wordt. En voor de stad Misgab, die vernietigd wordt. Luister, inwoners van Madmen! Ook jullie stad wordt verwoest, het geweld komt ook naar jullie toe!

3In de stad Choronaïm klinkt geschreeuw. Alles wordt daar met geweld kapotgeslagen. 4-5Overal in Moab klinkt het geschreeuw van kinderen. Op de weg naar Luchit hoor je de mensen huilen. Op de weg naar Choronaïm hoor je hen jammeren.

Zo wordt Moab vernietigd.’

Moab wordt helemaal vernietigd

6De Heer zegt: ‘Vlucht, Moabieten! Vlucht weg als je in leven wilt blijven! Laat alles en iedereen achter. 7Jullie vertrouwden op al je bezit en al je rijkdom. Daarom wordt jullie land veroverd. Jullie god Kemos wordt meegenomen naar een ver land, samen met alle priesters en leiders.

8De vijanden zullen alle steden verwoesten. Geen stad wordt met rust gelaten. Het hele Jordaan-dal en het hele bergland worden veroverd en vernietigd.

9-10Luister, vijanden van Moab! Jullie zwaard mag niet stoppen met doden. Dat is de opdracht die ik, de Heer, aan jullie geef. Voer mijn opdracht helemaal uit. Anders zal ik jullie straffen. Want er mag niets van Moab overblijven. Verander de steden in een woestijn, zodat er niemand meer kan wonen. En zet een paar stenen neer, zodat de mensen later weten waar het land Moab lag.’

De Moabieten worden meegenomen

11De Heer zegt: ‘Eeuwenlang leefden de Moabieten zonder zorgen. Ze woonden veilig in hun land, ze werden niet meegenomen door vijanden. Zo leken ze op wijn die altijd in dezelfde vaten blijft. Zulke wijn blijft goed bewaard, hij houdt een goede smaak en een lekkere geur.

12Maar ik ga vijanden sturen om het land Moab te vernietigen en alle inwoners mee te nemen. Die vijanden lijken op wijnschenkers die de wijnvaten openbreken en leeggieten in andere vaten.

13Dan worden de Moabieten uitgelachen, omdat hun god Kemos hen niet kon helpen. Net zoals vroeger de Israëlieten uitgelachen werden, omdat ze vertrouwden op de god Betel. Dat was ook een god die niet kon helpen.’

Het einde van Moab komt

14-15De machtige Heer, de enige koning, zegt: ‘De mannen van Moab noemen zichzelf dappere helden en sterke soldaten. Ze zeggen dat ze klaarstaan om te vechten. Maar het zal heel anders gaan! Moab zal verwoest worden, de steden worden veroverd. En die sterke soldaten van Moab worden gedood.

16Het einde van de Moabieten is dichtbij gekomen. Nog even, dan loopt het slecht met hen af. 17Vroeger werd Moab door de andere volken bewonderd. Maar nu kunnen die volken beter meezingen met het klaaglied ‘Ach, Moab is vernietigd!’ Ja, dat machtige, beroemde volk is vernietigd.’

Moabs steden worden verwoest

18Luister, inwoners van Dibon! Jullie stad vol trots wordt een stad vol dorst! Want de vijanden die Moab komen vernietigen, vallen jullie aan. Ze halen de sterke muren van je stad omver.

19Luister, inwoners van Aroër! Ga bij de weg staan, en wacht op de vluchtelingen die langskomen. Vraag aan hen wat er gebeurd is. 20Dan zullen ze zeggen: ‘We zijn vernederd, we zijn totaal verslagen! Huil en schreeuw van verdriet, want Moab is vernietigd! Vertel het aan iedereen in het Arnon-dal.’

21Gods straf is gekomen voor het bergland van Moab. Alle steden worden verwoest: Cholon, Jahas, Mefaät, 22Dibon, Nebo, Bet-Diblataïm, 23Kirjataïm, Bet-Gamul, Bet-Meon, 24Keriot, Bosra, en alle andere steden, overal in Moab.

De Heer straft Moab

25De Heer zegt: ‘Er komt een eind aan de macht van de Moabieten. Hun sterke leger wordt vernietigd. 26-27Ik zal hen straffen, want ze deden alsof ze machtiger waren dan ik. Ze lachten mijn volk uit, ze bespotten het. Ze scholden de Israëlieten uit, alsof het misdadigers waren. Maar nu zal Moab zelf door iedereen bespot worden. Moab zal lijken op een dronken man die in zijn eigen braaksel valt.

28Moabieten, verlaat jullie steden! Ga in de bergen wonen. Zoek net als de duiven een plekje tegen de steile rotsen.’

Moab vindt zichzelf geweldig

29Iedereen weet dat de Moabieten trots zijn. Ze zijn erg tevreden met zichzelf, ze vinden hun volk beter dan andere volken. Ze denken dat ze sterker zijn dan anderen. Ze vinden zichzelf geweldig!

30De Heer zegt: ‘Ik weet dat de Moabieten zichzelf beter vinden dan andere volken. Maar dat zijn ze niet. Hun daden stellen niets voor.’

Jeremia huilt om Moab

31Ik huil om wat er met Moab gebeurt. Ik huil en jammer om dat hele land. Ik huil om de inwoners van Kir-Cheres 32en ik jammer om de stad Jazer. Maar het grootste verdriet heb ik om de stad Sibma met haar prachtige wijngaarden. Overal groeiden de druiven, tot in het noorden van het land, en zelfs tot voorbij de Dode Zee. Maar nu is alles verwoest door de vijanden. Er zijn geen vruchten meer in de zomer, er is geen wijn meer in de herfst.

33Niemand juicht meer bij de fruitbomen, niemand zingt meer in het land. Er zijn geen druiven meer om wijn van te maken. Daar heeft de Heer voor gezorgd. Er wordt niet meer gezongen bij de oogst, er wordt alleen nog geschreeuwd van angst.

34De inwoners van Chesbon schreeuwen om hulp. Zelfs in Elale en in Jahas kun je hen horen huilen. Het gejammer van de Moabieten klinkt overal, van Soar tot in Choronaïm en Eglat-Selisia. Iedereen is wanhopig, want zelfs in de rivier de Nimrim staat geen water meer.

35De Heer zegt: ‘De priesters van Moab zullen geen offers meer brengen. Ze zullen geen wierook meer branden voor hun goden. Ik zorg ervoor dat dat allemaal ophoudt.’

Jeremia is bedroefd over Moab

36Ik huil om Moab, ik jammer om de inwoners van Kir-Cheres. Ik zing een klaaglied over de Moabieten, omdat ze al hun rijkdom kwijtgeraakt zijn. 37Alle Moabieten rouwen. Iedereen heeft zijn hoofd kaalgeschoren en zijn baard afgeknipt. Iedereen draagt rouwkleren, en snijdt in zijn handen als teken van rouw. 38Overal huilen de mensen: op de daken van de huizen en op de pleinen van de stad.

De Heer zegt: ‘Ik vernietig Moab. Ik sla het kapot, als een waardeloze kruik!’

39Zing daarom het klaaglied ‘Ach, Moab is vernietigd!’ Want de Moabieten zijn vernederd, ze durven zich niet meer te laten zien. Als de volken rondom Moab horen wat er gebeurd is, zullen ze schrikken en zeggen: ‘Wat een treurig einde!’

Het loopt slecht af met Moab

40De vijanden komen naar Moab toe, zo snel als adelaars. Ze zullen het land binnenkomen. 41Ze veroveren alle sterke plaatsen en steden. Dan zullen zelfs de dapperste helden van Moab beven van angst. Dan zijn ze in paniek, zoals een vrouw die gaat bevallen.

42Het volk van Moab zal vernietigd worden. Want ze deden alsof ze machtiger waren dan de Heer. 43De Heer zegt: ‘Overal dreigt gevaar voor jullie, Moabieten. Overal zijn kuilen waar je in kunt vallen, en netten waarin je vast komt te zitten. 44Als je vlucht voor het gevaar, val je in een kuil. En als je uit de kuil kunt klimmen, kom je vast te zitten in een net. Zo zal het gebeuren. Want ik heb besloten om Moab te straffen.’ Dat zegt de Heer.

Slot van de boodschap over Moab

45Veel vluchtelingen komen moe aan bij de sterke stad Chesbon. Maar ze blijven op een afstand staan. De stad staat in brand, en de brand verspreidt zich over het hele land. Moabieten, het is afgelopen met jullie trotse geschreeuw!

46Huil maar, Moabieten! Want jullie volk, het volk van Kemos, zal verdwijnen. Alle mannen en vrouwen worden als gevangenen meegenomen naar een ver land.

47De Heer zegt: ‘Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Moab.’

Dat is Gods besluit over Moab.

49

Over de Ammonieten

God gaat de Ammonieten straffen

491Dit zegt de Heer over de Ammonieten: ‘De Ammonieten hebben het gebied Gad met geweld in bezit genomen. Ze wonen in steden die van Israël zijn. Hoe durven ze! Alsof er geen Israëlieten meer over zijn! Alsof het land niet meer van Israël is!

2Daarom zal ik de Ammonieten straffen. In hun hoofdstad Rabba zal het geschreeuw van hun vijanden klinken. De stad wordt verwoest, er blijft alleen een hoop stenen over. En de steden en dorpen eromheen worden helemaal verbrand. Dan zullen de Israëlieten hun gebied weer in bezit nemen, het gebied dat de Ammonieten van hen hebben afgepakt.’

3Huil maar, inwoners van Chesbon! Want de stad Ai is al verwoest. Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba! Trek rouwkleren aan, laat zien dat je verdriet hebt! Ren maar rond buiten de stad, op zoek naar een schuilplaats. Want jullie god Milkom wordt meegenomen naar een ver land, samen met al jullie priesters en leiders.

Na de straf zal het weer goed komen

4Ammonieten, wat zijn jullie toch trots op je land, dat land vol vruchtbare velden en dalen. Eigenwijs volk! Jullie vertrouwen op je rijkdom en zeggen: ‘Niemand kan ons aanvallen!’

5Maar God, de machtige Heer, zegt: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie aangevallen worden. Van alle kanten zal er gevaar voor jullie dreigen. Dan zullen jullie allemaal wegvluchten, overal heen. En er zal niemand zijn die jullie weer bij elkaar brengt.

6Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met de Ammonieten.’ Dat zegt de Heer.

Over Edom

Het land Edom wordt vernietigd

7Dit zegt de machtige Heer over Edom: ‘De wijsheid van Edom is weg. De wijze mannen in Edom hebben geen verstand meer. Hun wijsheid is waardeloos geworden.

8Dedanieten, vlucht snel weg uit Edom, kruip diep weg tussen de rotsen! Want ik zal Edom vernietigen. Ik ga het volk van Edom straffen!

9Druivenplukkers laten altijd wel een paar druiven hangen. En dieven stelen wat ze mee willen nemen, de rest laten ze staan. 10Maar ik haal het land van Edom helemaal leeg! Ik open alle schuilplaatsen, niemand zal verborgen blijven. Ik vernietig het hele volk van Edom! Ook iedereen die bij hen hoort, of die bij hen in de buurt woont. 11Er blijft niemand over om voor de zwakke mensen te zorgen. Weduwen krijgen geen steun, kinderen zonder vader krijgen geen hulp.’

De straf voor Edom staat vast

12De Heer zegt: ‘Luister, volk van Edom! Denk je dat ik jullie niet zal straffen? Ik straf zelfs volken die geen straf verdiend hebben. Dus jullie zal ik zeker straffen, dat staat vast!

13Dit zeg ik, de Heer: Ik ga de stad Bosra vernietigen. Dat is zo zeker als ik leef. Het wordt een woestijn, een verschrikkelijke plek. Bosra zal door iedereen bespot worden, die naam wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt. Ja, Bosra en alle steden eromheen zullen voor altijd veranderen in een hoop stenen.’

Het loopt slecht af met Edom

14Ik, Jeremia, heb de woorden van de Heer gehoord. Hij stuurde boodschappers naar alle volken met dit bericht: ‘Kom allemaal met jullie legers, en val Edom aan.’

15De Heer zegt tegen het volk van Edom: ‘Ik zorg ervoor dat er weinig van jullie overblijft, en dat iedereen jullie bespot. 16Jullie zijn erg trots op jezelf! Jullie denken dat iedereen bang voor jullie is. Zo houden jullie jezelf voor de gek. Jullie denken: Wij wonen hier hoog, wij zijn veilig. We wonen tussen de rotsen en hoog in de bergen.

Maar al wonen jullie op de hoogste bergtoppen, tussen de nesten van adelaars, dan nog kom ik jullie halen!

17Ja, met Edom zal het heel slecht aflopen. Iedereen die het verwoeste land ziet, zal beven van angst en zich snel omdraaien. 18Ik zal Edom volledig verwoesten, net als Sodom en Gomorra en de steden daar vlakbij. Er zal niemand meer in Edom wonen, geen mens wil daar nog zijn.’ Dat zegt de Heer.

De aanval op Edom komt plotseling

19De Heer zegt: ‘Plotseling zal ik Edom aanvallen en alle Edomieten hun land uit jagen. Net zoals een leeuw plotseling uit de struiken tevoorschijn springt en alle schapen van een kudde wegjaagt.

Ik kan het volk van Edom wel een koning geven, maar kan die hen ook beschermen? Nee, want niemand is sterker dan ik, geen enkele koning kan mij tegenhouden!

20Luister daarom naar het besluit dat ik over Edom genomen heb. Hoor wat ik van plan ben met de mensen in dat land. Het zal heel slecht met hen aflopen. Zelfs de kinderen worden met geweld meegenomen. Mijn besluit staat vast. 21Als Edom verslagen wordt, zal de aarde beven van het lawaai. Het geschreeuw van de Edomieten zal klinken tot bij de Rode Zee.

22De vijanden zijn onderweg. Ze komen naar Edom toe, zo snel als adelaars. Ze zullen de stad Bosra aanvallen. Dan zullen zelfs de dapperste helden van Edom beven van schrik. Ze zullen in paniek zijn, zoals een vrouw die gaat bevallen.’

Over Damascus

De stad Damascus wordt vernietigd

23De inwoners van de steden Hamat en Arpad zijn wit van schrik. Ze hebben vreselijk nieuws over Damascus gehoord. Hun hart gaat tekeer als een woeste zee. En ze worden niet meer kalm. 24Alle inwoners van Damascus hebben de moed verloren. Ze vluchten weg, totaal in paniek. Ze schreeuwen en beven, zoals een vrouw die gaat bevallen.

25Want hun geweldige stad, waar ze zo veel van hielden, is helemaal verlaten! 26Dat komt door de machtige Heer. Hij heeft gezegd: ‘Ik zorg ervoor dat alle sterke mannen in de stad gedood worden. Alle soldaten van Damascus zullen sterven. 27Ik laat de muren van de stad en de paleizen van koning Benhadad helemaal afbranden.’

Over Kedar en Chasor

De opdracht van de Heer

28De volken van Kedar en Chasor werden verslagen door koning Nebukadnessar van Babylonië. Want de Heer had gezegd: ‘Vooruit, val het land Kedar aan, vernietig de volken van het oosten. 29Roof hun tenten, geiten en schapen. Neem alles mee wat ze bezitten. Pak hun kamelen af. Schreeuw tegen hen: ‘Overal is dood en vernietiging!’’

Het plan van Nebukadnessar

30De Heer zegt: ‘Mensen uit Chasor, vlucht! Vlucht ver weg, kruip diep weg tussen de rotsen. Koning Nebukadnessar is van plan om jullie aan te vallen. Zijn besluit staat vast.

31Want ik, de Heer, heb tegen hem gezegd: ‘Vooruit, ga met je leger naar die volken in de woestijn. Ze maken zich geen zorgen, ze leven in vrede. Ze wonen in tenten, ver weg van de andere volken. Ze hebben geen steden met muren en poorten.’

32Al hun kamelen zullen geroofd worden, al hun vee wordt meegenomen door de vijand. Ik ga die woestijnbewoners wegjagen, naar alle kanten. Ik breng voor hen overal vernietiging.

33Het land Chasor wordt een plaats voor wilde dieren, het wordt voor altijd een woest gebied. Er zal niemand meer wonen, geen mens wil daar nog zijn.’

Over Elam

34De Heer gaf de profeet Jeremia een boodschap over het land Elam. Dat gebeurde toen Sedekia koning van Juda geworden was.

Het land Elam wordt vernietigd

35De machtige Heer zegt: ‘Ik zal het leger van Elam vernietigen. Zo maak ik een eind aan Elams macht. 36Ik stuur van alle kanten stormen op Elam af. Zo jaag ik de Elamieten weg naar alle kanten, ze zullen zich als vluchtelingen verspreiden over de hele aarde.

37Ik laat de Elamieten beven van angst. Ze zullen doodsbang zijn voor hun vijanden, die hen willen doden. Ik stuur rampen op hen af, omdat ik woedend ben. En ik kom met mijn zwaard achter hen aan, tot ik ze allemaal gedood heb.

38Ik zal zelf over Elam gaan heersen, ik zal de koning en de leiders van dat land doden. 39Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Elam.’ Dat zegt de Heer.

50

Over Babylonië

501Hier volgt wat de profeet Jeremia zei over de stad Babel en het land Babylonië. Hij vertelde wat de Heer tegen hem gezegd had.

Op een dag is er nieuws over Babel

2Op een dag zal er groot nieuws zijn over Babel. Iedereen zal het horen. Het zal overal op aarde bekendgemaakt worden. Het mag niet verborgen blijven, alle volken moeten het horen. Dit zal het nieuws zijn: ‘De stad Babel is veroverd! De god Bel wordt bespot, net als de andere goden van Babylonië. Alle afgodsbeelden zijn aan stukken geslagen!’

3Ja, Babel zal aangevallen worden door de volken uit het verre noorden. Het hele land zal veranderen in een woestijn. Dan woont er niemand meer, alle mensen en dieren zijn weggevlucht.

Het einde van Babel als nieuw begin

4De Heer zegt: ‘Op een dag zullen al die dingen gebeuren. Dan zullen de Israëlieten en de Judeeërs de stad Babel verlaten. Ze zullen huilend op weg gaan, terug naar hun eigen land. Dan willen ze weer dat ik, de Heer, hun God ben.

5Ze vragen de weg naar Jeruzalem, daar willen ze naartoe. Als ze daar komen, zullen ze mij weer gaan vereren. Dan maak ik met mijn volk een nieuwe afspraak. Die afspraak blijft eeuwig gelden, en mijn volk zal zich er altijd aan houden.’

Het ging slecht met Gods volk

6-7De Heer zegt: ‘Mijn volk leek op een kudde verdwaalde schapen. En hun koningen leken op slechte herders, die hun schapen expres laten verdwalen. Mijn volk was de weg kwijt, ze dachten niet meer aan mij. Ze leken op schapen die hun stal niet meer kunnen vinden, en die gegrepen worden door wilde dieren. Net zo werd mijn volk gegrepen door vijanden.

Die vijanden zeiden: ‘Wij hebben geen schuld! Want dat volk is zelf in opstand gekomen tegen de Heer. Terwijl hij de enige is bij wie ze echt veilig zijn! Hij is de Heer op wie hun voorouders vertrouwden.’’

Er komt een aanval op Babel

8De Heer zegt: ‘Judeeërs, vlucht weg uit de stad Babel, verlaat het land Babylonië! Zorg dat jullie de eersten zijn die het land uit vluchten.

9Want ik zal de machtige volken uit het verre noorden bij elkaar brengen. Ik stuur hun legers naar Babel. Het zijn dappere soldaten, hun pijlen raken altijd het doel. Ze zullen de stad aanvallen en veroveren. 10Daarna zullen ze het hele land leegroven. Ze zullen alles meenemen wat ze willen.’

Babylonië zal bespot worden

11De Heer zegt: ‘Babyloniërs, jullie hebben mijn land leeggeroofd. O, wat waren jullie toen vrolijk, wat juichten jullie hard! Jullie konden je gang gaan, en jullie genoten ervan.

12Maar straks wordt jullie eigen volk door iedereen bespot. Ja, dan wordt jullie volk vernederd. Het wordt het onbelangrijkste volk op aarde. En jullie land wordt een dorre en droge woestijn.’

13Er zal niemand meer wonen in Babel, de stad wordt één grote woestijn. Want de Heer is woedend op Babel. Iedereen die de verwoeste stad ziet, zal beven van angst en zich snel omdraaien.

Gods opdracht voor de vijanden

14Vooruit, volken uit het verre noorden, maak je klaar voor de aanval op Babel! Pak allemaal je boog, en schiet. Schiet zo veel pijlen af als je kunt. Want de inwoners van Babel zijn tegen de Heer in opstand gekomen.

15Vooruit, vijanden van Babel! Omsingel de stad en roep: ‘Aanvallen!’ Dan zal de stad zich overgeven. Laat de torens omvallen, haal de muren omver. Doe met de Babyloniërs wat zij zelf met anderen gedaan hebben. Dat is de straf die de Heer heeft bepaald. 16Dood iedereen die op de akkers werkt, zodat er geen voedsel meer is in het land.

Dan zullen alle vreemdelingen in Babylonië vluchten voor het dodelijke geweld. Ze zullen wegvluchten naar hun eigen volk en naar hun eigen land.

God brengt zijn volk terug

17Het volk van Israël leek op een opgejaagd schaap dat door twee leeuwen gegrepen werd. De eerste leeuw verscheurde het schaap. Dat was de koning van Assyrië, die Israël veroverde. Toen kwam de tweede leeuw, die de resten van het schaap opvrat. Dat was Nebukadnessar, de koning van Babylonië, die Israël helemaal vernietigde.

18Maar de Heer, de machtige God van Israël, zegt: ‘Ik ga Nebukadnessar en zijn land straffen. Net zoals ik vroeger de koning van Assyrië gestraft heb. 19En ik zal de Israëlieten terugbrengen naar hun eigen land. Ze zullen wonen in de vruchtbare gebieden: in het bergland van Karmel en Basan, in het bergland van Efraïm, en in Gilead. Ze zullen weer genoeg te eten hebben.

20In die tijd zal de schuld van Israël verdwenen zijn. Ook de misdaden van Juda zullen er niet meer zijn. Want ik zal alle mensen die ik in leven laat, vergeven.’

Gods besluit over Babylonië

21De Heer zegt tegen de volken uit het verre noorden: ‘Val Babylonië aan, want dat land is tegen mij in opstand gekomen. Grijp de Babyloniërs, want ze verdienen straf. Sla ze neer, achtervolg ze, dood ze allemaal! Doe alles wat ik jullie gezegd heb.’

22Overal klinkt het lawaai van de oorlog. Alles in het land wordt met geweld vernietigd.

23Ach, Babyloniërs! Jullie gingen met geweld tekeer tegen alle volken op aarde, net als een hamer die alles kapotslaat. Maar nu worden jullie zelf helemaal vernietigd! Alle volken zullen schrikken als ze zien wat er met jullie gebeurt.

24Luister, Babyloniërs! Jullie zijn in de val gelopen zonder dat jullie het merkten. En nu kunnen jullie niet meer ontsnappen. Jullie hebben het jezelf aangedaan. Want jullie hebben ruzie gezocht met de Heer, 25en nu is hij woedend op jullie. Hij heeft al zijn legers op jullie afgestuurd. God, de machtige Heer, heeft besloten om jullie te straffen.

De straf voor Babel

26De Heer zegt: ‘Val Babel aan, van alle kanten! Breek alle poorten open en haal de stad leeg. Gooi alles op grote hopen en vernietig het! Alles en iedereen moet vernietigd worden. Er mag niets overblijven.

27Breng alle leiders van Babel de stad uit, en steek ze neer. Het moment van hun straf is gekomen. Dit is de dag van hun dood.’

28De Judeeërs die uit Babylonië wegvluchten, gaan naar Jeruzalem. Hoor wat ze daar roepen: ‘De Heer, onze God, heeft wraak genomen op de Babyloniërs. Hij heeft hen gestraft omdat ze zijn tempel verwoest hebben!’

De aanval op Babel

29De Heer zegt: ‘Verzamel alle soldaten die met pijl en boog schieten. Ze moeten Babel van alle kanten aanvallen. Laat niemand uit de stad ontsnappen. Straf de inwoners van Babel voor hun misdaden. Doe met hen wat zij zelf met anderen gedaan hebben.

Ze deden alsof ze machtiger waren dan ik, de Heer, de heilige God van Israël. 30Daarom zorg ik ervoor dat alle sterke mannen in de stad gedood worden. Alle soldaten van Babel zullen sterven.’

31God, de machtige Heer, zegt: ‘Ik ga Babel straffen, die trotse stad! Het einde is gekomen, dit is het moment van de straf. 32Babel zal veroverd en verwoest worden. Niemand zal die trotse stad te hulp komen. En alle steden rond Babel laat ik afbranden. De hele omgeving zal door vuur verwoest worden.’

God komt zijn volk bevrijden

33De machtige Heer zegt: ‘De Israëlieten en de Judeeërs worden onderdrukt. Vijanden hebben hen meegenomen naar een ver land. Daar zitten ze gevangen, hun vijanden laten hen niet gaan.

34Maar ze hebben een sterke bevrijder. Dat ben ik, de machtige Heer. Ik ga ervoor zorgen dat ze weer goed behandeld worden. Ik zal rust brengen op aarde. Maar voor de inwoners van Babel breng ik grote paniek.’

Oorlog voor Babylonië

35De Heer zegt: ‘De oorlog zal Babylonië treffen! De oorlog zal de inwoners van Babel treffen, en al hun leiders en wijze mannen. 36De oorlog zal hun waarzeggers treffen, zodat die uitgelachen worden. De oorlog zal hun dappere helden treffen, zodat die beven van angst. 37De oorlog zal al hun paarden en wagens treffen. De oorlog zal al hun buitenlandse soldaten treffen, zodat die zo zwak worden als vrouwen. De oorlog zal al hun schatkamers treffen, zodat die leeggeroofd worden.

38En droogte zal hun rivieren treffen, zodat daar geen water meer in staat.’

Een plek voor wilde dieren

De Heer zegt: ‘Babylonië is een land vol afgodsbeelden. Door die vreselijke beelden zijn alle mensen daar gek geworden. 39Het zal slecht aflopen met dat land. Het wordt een plek waar wilde dieren leven, een plek voor woestijndieren, wilde honden en struisvogels. Nooit meer zullen er mensen wonen. Het land blijft voor eeuwig onbewoond.

40Ik ga Babylonië volledig verwoesten, net zoals ik deed met Sodom en Gomorra, en de steden daar vlakbij. Dan woont er niemand meer in Babylonië, geen mens wil daar nog zijn.’ Dat heeft de Heer gezegd.

De aanval op Babel

41Er komen veel koningen met hun legers naar Babel toe. Ze komen uit het verre noorden, van de andere kant van de aarde. Hun soldaten staan klaar voor de strijd. 42Ze zijn hard, ze kennen geen medelijden. Hun geschreeuw klinkt als het gebulder van de zee. Ze komen eraan op hun snelle paarden, klaar om te vechten met hun bogen en zwaarden. Ze zullen vechten tegen de inwoners van Babel!

43De koning van Babylonië hoort dat de vijanden komen. Hij verliest de moed en wordt bang, doodsbang!

De aanval komt plotseling

44De Heer zegt: ‘Plotseling zal ik Babylonië aanvallen en alle Babyloniërs hun land uit jagen. Net zoals een leeuw plotseling uit de struiken tevoorschijn springt en alle schapen van een kudde wegjaagt.

Ik kan de Babyloniërs wel een koning geven, maar kan die hen ook beschermen? Nee, want niemand is sterker dan ik, geen enkele koning kan mij tegenhouden!

45Luister daarom naar het besluit dat ik over Babylonië genomen heb. Hoor wat ik van plan ben met de mensen in dat land. Het zal heel slecht met hen aflopen. Zelfs de kinderen zullen met geweld meegenomen worden. Mijn besluit staat vast.

46Wacht maar tot bekend wordt dat Babel veroverd is! Dan zal de aarde beven. Het geschreeuw van de Babyloniërs zal over de hele wereld te horen zijn.’