Bijbel in Gewone Taal (BGT)
47

Over de Filistijnen

471Hier volgen de woorden die de Heer tegen de profeet Jeremia zei over de Filistijnen. De Heer gaf hem die boodschap voordat de farao van Egypte de stad Gaza veroverde.

De Filistijnen worden aangevallen

2De Heer zegt: ‘Uit het verre noorden komt een groot leger. Het lijkt op het water van een machtige rivier, op een overstroming die alles wegspoelt. Dat leger zal het hele land van de Filistijnen veroveren. Ze zullen alle steden aanvallen. De Filistijnen zullen om hulp roepen, overal in het land zullen de mensen huilen.

3De vijand komt eraan. Daar klinkt het gestamp van hun sterke paarden! Daar komen hun wagens. Hoor het lawaai van de wielen! De Filistijnen zijn zo bang dat ze zelfs hun eigen kinderen in de steek laten.’

God zal de Filistijnen vernietigen

4De dag dat de Filistijnen vernietigd worden, komt eraan. Dan verliezen de steden Tyrus en Sidon hun laatste vrienden. Want de Heer vernietigt de Filistijnen, dat volk dat ooit van het eiland Kreta kwam. 5De inwoners van Gaza hebben hun hoofd kaalgeschoren, als teken van rouw. In Askelon is het doodstil geworden. De Filistijnen die nog overgebleven zijn, rouwen allemaal. Ze snijden zichzelf met messen, en hun rouw is nog lang niet voorbij!

6Ach, hoe lang blijft het zwaard van de Heer nog tekeergaan? Het is te erg! Het zwaard moet ophouden met doden! 7Maar nee, het zwaard kan niet ophouden! Want het is gestuurd door de Heer. Het is gestuurd naar Askelon en de andere steden, om de Filistijnen te doden.

48

Over Moab

Het land Moab wordt veroverd

481-2De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Het is afgelopen met de macht van Moab! De vijanden zijn in Chesbon. Ze nemen het besluit om Moab kapot te maken. ‘Kom,’ roepen ze, ‘we gaan dat volk vernietigen!’

Volk van Moab, huil maar om jullie stad Nebo, die verwoest wordt. Schaam je voor de stad Kirjataïm, die veroverd wordt. En voor de stad Misgab, die vernietigd wordt. Luister, inwoners van Madmen! Ook jullie stad wordt verwoest, het geweld komt ook naar jullie toe!

3In de stad Choronaïm klinkt geschreeuw. Alles wordt daar met geweld kapotgeslagen. 4-5Overal in Moab klinkt het geschreeuw van kinderen. Op de weg naar Luchit hoor je de mensen huilen. Op de weg naar Choronaïm hoor je hen jammeren.

Zo wordt Moab vernietigd.’

Moab wordt helemaal vernietigd

6De Heer zegt: ‘Vlucht, Moabieten! Vlucht weg als je in leven wilt blijven! Laat alles en iedereen achter. 7Jullie vertrouwden op al je bezit en al je rijkdom. Daarom wordt jullie land veroverd. Jullie god Kemos wordt meegenomen naar een ver land, samen met alle priesters en leiders.

8De vijanden zullen alle steden verwoesten. Geen stad wordt met rust gelaten. Het hele Jordaan-dal en het hele bergland worden veroverd en vernietigd.

9-10Luister, vijanden van Moab! Jullie zwaard mag niet stoppen met doden. Dat is de opdracht die ik, de Heer, aan jullie geef. Voer mijn opdracht helemaal uit. Anders zal ik jullie straffen. Want er mag niets van Moab overblijven. Verander de steden in een woestijn, zodat er niemand meer kan wonen. En zet een paar stenen neer, zodat de mensen later weten waar het land Moab lag.’

De Moabieten worden meegenomen

11De Heer zegt: ‘Eeuwenlang leefden de Moabieten zonder zorgen. Ze woonden veilig in hun land, ze werden niet meegenomen door vijanden. Zo leken ze op wijn die altijd in dezelfde vaten blijft. Zulke wijn blijft goed bewaard, hij houdt een goede smaak en een lekkere geur.

12Maar ik ga vijanden sturen om het land Moab te vernietigen en alle inwoners mee te nemen. Die vijanden lijken op wijnschenkers die de wijnvaten openbreken en leeggieten in andere vaten.

13Dan worden de Moabieten uitgelachen, omdat hun god Kemos hen niet kon helpen. Net zoals vroeger de Israëlieten uitgelachen werden, omdat ze vertrouwden op de god Betel. Dat was ook een god die niet kon helpen.’

Het einde van Moab komt

14-15De machtige Heer, de enige koning, zegt: ‘De mannen van Moab noemen zichzelf dappere helden en sterke soldaten. Ze zeggen dat ze klaarstaan om te vechten. Maar het zal heel anders gaan! Moab zal verwoest worden, de steden worden veroverd. En die sterke soldaten van Moab worden gedood.

16Het einde van de Moabieten is dichtbij gekomen. Nog even, dan loopt het slecht met hen af. 17Vroeger werd Moab door de andere volken bewonderd. Maar nu kunnen die volken beter meezingen met het klaaglied ‘Ach, Moab is vernietigd!’ Ja, dat machtige, beroemde volk is vernietigd.’

Moabs steden worden verwoest

18Luister, inwoners van Dibon! Jullie stad vol trots wordt een stad vol dorst! Want de vijanden die Moab komen vernietigen, vallen jullie aan. Ze halen de sterke muren van je stad omver.

19Luister, inwoners van Aroër! Ga bij de weg staan, en wacht op de vluchtelingen die langskomen. Vraag aan hen wat er gebeurd is. 20Dan zullen ze zeggen: ‘We zijn vernederd, we zijn totaal verslagen! Huil en schreeuw van verdriet, want Moab is vernietigd! Vertel het aan iedereen in het Arnon-dal.’

21Gods straf is gekomen voor het bergland van Moab. Alle steden worden verwoest: Cholon, Jahas, Mefaät, 22Dibon, Nebo, Bet-Diblataïm, 23Kirjataïm, Bet-Gamul, Bet-Meon, 24Keriot, Bosra, en alle andere steden, overal in Moab.

De Heer straft Moab

25De Heer zegt: ‘Er komt een eind aan de macht van de Moabieten. Hun sterke leger wordt vernietigd. 26-27Ik zal hen straffen, want ze deden alsof ze machtiger waren dan ik. Ze lachten mijn volk uit, ze bespotten het. Ze scholden de Israëlieten uit, alsof het misdadigers waren. Maar nu zal Moab zelf door iedereen bespot worden. Moab zal lijken op een dronken man die in zijn eigen braaksel valt.

28Moabieten, verlaat jullie steden! Ga in de bergen wonen. Zoek net als de duiven een plekje tegen de steile rotsen.’

Moab vindt zichzelf geweldig

29Iedereen weet dat de Moabieten trots zijn. Ze zijn erg tevreden met zichzelf, ze vinden hun volk beter dan andere volken. Ze denken dat ze sterker zijn dan anderen. Ze vinden zichzelf geweldig!

30De Heer zegt: ‘Ik weet dat de Moabieten zichzelf beter vinden dan andere volken. Maar dat zijn ze niet. Hun daden stellen niets voor.’

Jeremia huilt om Moab

31Ik huil om wat er met Moab gebeurt. Ik huil en jammer om dat hele land. Ik huil om de inwoners van Kir-Cheres 32en ik jammer om de stad Jazer. Maar het grootste verdriet heb ik om de stad Sibma met haar prachtige wijngaarden. Overal groeiden de druiven, tot in het noorden van het land, en zelfs tot voorbij de Dode Zee. Maar nu is alles verwoest door de vijanden. Er zijn geen vruchten meer in de zomer, er is geen wijn meer in de herfst.

33Niemand juicht meer bij de fruitbomen, niemand zingt meer in het land. Er zijn geen druiven meer om wijn van te maken. Daar heeft de Heer voor gezorgd. Er wordt niet meer gezongen bij de oogst, er wordt alleen nog geschreeuwd van angst.

34De inwoners van Chesbon schreeuwen om hulp. Zelfs in Elale en in Jahas kun je hen horen huilen. Het gejammer van de Moabieten klinkt overal, van Soar tot in Choronaïm en Eglat-Selisia. Iedereen is wanhopig, want zelfs in de rivier de Nimrim staat geen water meer.

35De Heer zegt: ‘De priesters van Moab zullen geen offers meer brengen. Ze zullen geen wierook meer branden voor hun goden. Ik zorg ervoor dat dat allemaal ophoudt.’

Jeremia is bedroefd over Moab

36Ik huil om Moab, ik jammer om de inwoners van Kir-Cheres. Ik zing een klaaglied over de Moabieten, omdat ze al hun rijkdom kwijtgeraakt zijn. 37Alle Moabieten rouwen. Iedereen heeft zijn hoofd kaalgeschoren en zijn baard afgeknipt. Iedereen draagt rouwkleren, en snijdt in zijn handen als teken van rouw. 38Overal huilen de mensen: op de daken van de huizen en op de pleinen van de stad.

De Heer zegt: ‘Ik vernietig Moab. Ik sla het kapot, als een waardeloze kruik!’

39Zing daarom het klaaglied ‘Ach, Moab is vernietigd!’ Want de Moabieten zijn vernederd, ze durven zich niet meer te laten zien. Als de volken rondom Moab horen wat er gebeurd is, zullen ze schrikken en zeggen: ‘Wat een treurig einde!’

Het loopt slecht af met Moab

40De vijanden komen naar Moab toe, zo snel als adelaars. Ze zullen het land binnenkomen. 41Ze veroveren alle sterke plaatsen en steden. Dan zullen zelfs de dapperste helden van Moab beven van angst. Dan zijn ze in paniek, zoals een vrouw die gaat bevallen.

42Het volk van Moab zal vernietigd worden. Want ze deden alsof ze machtiger waren dan de Heer. 43De Heer zegt: ‘Overal dreigt gevaar voor jullie, Moabieten. Overal zijn kuilen waar je in kunt vallen, en netten waarin je vast komt te zitten. 44Als je vlucht voor het gevaar, val je in een kuil. En als je uit de kuil kunt klimmen, kom je vast te zitten in een net. Zo zal het gebeuren. Want ik heb besloten om Moab te straffen.’ Dat zegt de Heer.

Slot van de boodschap over Moab

45Veel vluchtelingen komen moe aan bij de sterke stad Chesbon. Maar ze blijven op een afstand staan. De stad staat in brand, en de brand verspreidt zich over het hele land. Moabieten, het is afgelopen met jullie trotse geschreeuw!

46Huil maar, Moabieten! Want jullie volk, het volk van Kemos, zal verdwijnen. Alle mannen en vrouwen worden als gevangenen meegenomen naar een ver land.

47De Heer zegt: ‘Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Moab.’

Dat is Gods besluit over Moab.

49

Over de Ammonieten

God gaat de Ammonieten straffen

491Dit zegt de Heer over de Ammonieten: ‘De Ammonieten hebben het gebied Gad met geweld in bezit genomen. Ze wonen in steden die van Israël zijn. Hoe durven ze! Alsof er geen Israëlieten meer over zijn! Alsof het land niet meer van Israël is!

2Daarom zal ik de Ammonieten straffen. In hun hoofdstad Rabba zal het geschreeuw van hun vijanden klinken. De stad wordt verwoest, er blijft alleen een hoop stenen over. En de steden en dorpen eromheen worden helemaal verbrand. Dan zullen de Israëlieten hun gebied weer in bezit nemen, het gebied dat de Ammonieten van hen hebben afgepakt.’

3Huil maar, inwoners van Chesbon! Want de stad Ai is al verwoest. Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba! Trek rouwkleren aan, laat zien dat je verdriet hebt! Ren maar rond buiten de stad, op zoek naar een schuilplaats. Want jullie god Milkom wordt meegenomen naar een ver land, samen met al jullie priesters en leiders.

Na de straf zal het weer goed komen

4Ammonieten, wat zijn jullie toch trots op je land, dat land vol vruchtbare velden en dalen. Eigenwijs volk! Jullie vertrouwen op je rijkdom en zeggen: ‘Niemand kan ons aanvallen!’

5Maar God, de machtige Heer, zegt: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie aangevallen worden. Van alle kanten zal er gevaar voor jullie dreigen. Dan zullen jullie allemaal wegvluchten, overal heen. En er zal niemand zijn die jullie weer bij elkaar brengt.

6Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met de Ammonieten.’ Dat zegt de Heer.

Over Edom

Het land Edom wordt vernietigd

7Dit zegt de machtige Heer over Edom: ‘De wijsheid van Edom is weg. De wijze mannen in Edom hebben geen verstand meer. Hun wijsheid is waardeloos geworden.

8Dedanieten, vlucht snel weg uit Edom, kruip diep weg tussen de rotsen! Want ik zal Edom vernietigen. Ik ga het volk van Edom straffen!

9Druivenplukkers laten altijd wel een paar druiven hangen. En dieven stelen wat ze mee willen nemen, de rest laten ze staan. 10Maar ik haal het land van Edom helemaal leeg! Ik open alle schuilplaatsen, niemand zal verborgen blijven. Ik vernietig het hele volk van Edom! Ook iedereen die bij hen hoort, of die bij hen in de buurt woont. 11Er blijft niemand over om voor de zwakke mensen te zorgen. Weduwen krijgen geen steun, kinderen zonder vader krijgen geen hulp.’

De straf voor Edom staat vast

12De Heer zegt: ‘Luister, volk van Edom! Denk je dat ik jullie niet zal straffen? Ik straf zelfs volken die geen straf verdiend hebben. Dus jullie zal ik zeker straffen, dat staat vast!

13Dit zeg ik, de Heer: Ik ga de stad Bosra vernietigen. Dat is zo zeker als ik leef. Het wordt een woestijn, een verschrikkelijke plek. Bosra zal door iedereen bespot worden, die naam wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt. Ja, Bosra en alle steden eromheen zullen voor altijd veranderen in een hoop stenen.’

Het loopt slecht af met Edom

14Ik, Jeremia, heb de woorden van de Heer gehoord. Hij stuurde boodschappers naar alle volken met dit bericht: ‘Kom allemaal met jullie legers, en val Edom aan.’

15De Heer zegt tegen het volk van Edom: ‘Ik zorg ervoor dat er weinig van jullie overblijft, en dat iedereen jullie bespot. 16Jullie zijn erg trots op jezelf! Jullie denken dat iedereen bang voor jullie is. Zo houden jullie jezelf voor de gek. Jullie denken: Wij wonen hier hoog, wij zijn veilig. We wonen tussen de rotsen en hoog in de bergen.

Maar al wonen jullie op de hoogste bergtoppen, tussen de nesten van adelaars, dan nog kom ik jullie halen!

17Ja, met Edom zal het heel slecht aflopen. Iedereen die het verwoeste land ziet, zal beven van angst en zich snel omdraaien. 18Ik zal Edom volledig verwoesten, net als Sodom en Gomorra en de steden daar vlakbij. Er zal niemand meer in Edom wonen, geen mens wil daar nog zijn.’ Dat zegt de Heer.

De aanval op Edom komt plotseling

19De Heer zegt: ‘Plotseling zal ik Edom aanvallen en alle Edomieten hun land uit jagen. Net zoals een leeuw plotseling uit de struiken tevoorschijn springt en alle schapen van een kudde wegjaagt.

Ik kan het volk van Edom wel een koning geven, maar kan die hen ook beschermen? Nee, want niemand is sterker dan ik, geen enkele koning kan mij tegenhouden!

20Luister daarom naar het besluit dat ik over Edom genomen heb. Hoor wat ik van plan ben met de mensen in dat land. Het zal heel slecht met hen aflopen. Zelfs de kinderen worden met geweld meegenomen. Mijn besluit staat vast. 21Als Edom verslagen wordt, zal de aarde beven van het lawaai. Het geschreeuw van de Edomieten zal klinken tot bij de Rode Zee.

22De vijanden zijn onderweg. Ze komen naar Edom toe, zo snel als adelaars. Ze zullen de stad Bosra aanvallen. Dan zullen zelfs de dapperste helden van Edom beven van schrik. Ze zullen in paniek zijn, zoals een vrouw die gaat bevallen.’

Over Damascus

De stad Damascus wordt vernietigd

23De inwoners van de steden Hamat en Arpad zijn wit van schrik. Ze hebben vreselijk nieuws over Damascus gehoord. Hun hart gaat tekeer als een woeste zee. En ze worden niet meer kalm. 24Alle inwoners van Damascus hebben de moed verloren. Ze vluchten weg, totaal in paniek. Ze schreeuwen en beven, zoals een vrouw die gaat bevallen.

25Want hun geweldige stad, waar ze zo veel van hielden, is helemaal verlaten! 26Dat komt door de machtige Heer. Hij heeft gezegd: ‘Ik zorg ervoor dat alle sterke mannen in de stad gedood worden. Alle soldaten van Damascus zullen sterven. 27Ik laat de muren van de stad en de paleizen van koning Benhadad helemaal afbranden.’

Over Kedar en Chasor

De opdracht van de Heer

28De volken van Kedar en Chasor werden verslagen door koning Nebukadnessar van Babylonië. Want de Heer had gezegd: ‘Vooruit, val het land Kedar aan, vernietig de volken van het oosten. 29Roof hun tenten, geiten en schapen. Neem alles mee wat ze bezitten. Pak hun kamelen af. Schreeuw tegen hen: ‘Overal is dood en vernietiging!’’

Het plan van Nebukadnessar

30De Heer zegt: ‘Mensen uit Chasor, vlucht! Vlucht ver weg, kruip diep weg tussen de rotsen. Koning Nebukadnessar is van plan om jullie aan te vallen. Zijn besluit staat vast.

31Want ik, de Heer, heb tegen hem gezegd: ‘Vooruit, ga met je leger naar die volken in de woestijn. Ze maken zich geen zorgen, ze leven in vrede. Ze wonen in tenten, ver weg van de andere volken. Ze hebben geen steden met muren en poorten.’

32Al hun kamelen zullen geroofd worden, al hun vee wordt meegenomen door de vijand. Ik ga die woestijnbewoners wegjagen, naar alle kanten. Ik breng voor hen overal vernietiging.

33Het land Chasor wordt een plaats voor wilde dieren, het wordt voor altijd een woest gebied. Er zal niemand meer wonen, geen mens wil daar nog zijn.’

Over Elam

34De Heer gaf de profeet Jeremia een boodschap over het land Elam. Dat gebeurde toen Sedekia koning van Juda geworden was.

Het land Elam wordt vernietigd

35De machtige Heer zegt: ‘Ik zal het leger van Elam vernietigen. Zo maak ik een eind aan Elams macht. 36Ik stuur van alle kanten stormen op Elam af. Zo jaag ik de Elamieten weg naar alle kanten, ze zullen zich als vluchtelingen verspreiden over de hele aarde.

37Ik laat de Elamieten beven van angst. Ze zullen doodsbang zijn voor hun vijanden, die hen willen doden. Ik stuur rampen op hen af, omdat ik woedend ben. En ik kom met mijn zwaard achter hen aan, tot ik ze allemaal gedood heb.

38Ik zal zelf over Elam gaan heersen, ik zal de koning en de leiders van dat land doden. 39Maar ooit zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Elam.’ Dat zegt de Heer.