Bijbel in Gewone Taal (BGT)
45

Baruch zal gered worden

451De profeet Jeremia kreeg een boodschap voor Baruch, de zoon van Neria. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was. Vlak daarvoor had Baruch alles wat Jeremia namens God gezegd had, opgeschreven in een boek.

2Jeremia zei: ‘Baruch, luister! De Heer, de God van Israël, heeft gehoord wat jij gezegd hebt. 3Jij zei: ‘Verschrikkelijk! Wat laat de Heer mij lijden, wat heb ik het zwaar! Ik ben moe van verdriet. En nooit krijg ik rust.’

4Baruch, luister! De Heer zegt: ‘Ik zal Juda vernietigen. Alles wat ik heb opgebouwd, zal ik afbreken. En het volk dat ik hier heb laten wonen, stuur ik weg. 5Maar jij, Baruch, jij blijft mij maar vragen om redding en machtige daden. Stop daarmee, Baruch! Ik zal Juda niet redden. Ik sta juist klaar om ellende te brengen over de hele wereld. Maar jouw leven zal ik redden, waar je ook heen gaat!’’

46

God spreekt over alle volken

461Hier volgen de woorden die de Heer tegen de profeet Jeremia sprak over alle volken.

Over Egypte

Egypte wordt verslagen

2Hier volgt de boodschap van de Heer over Egypte. Alles wat de Heer zei, is gebeurd.

Farao Necho, de koning van Egypte, ging met zijn leger naar Karkemis, bij de rivier de Eufraat. Daar werden de Egyptenaren verslagen door Nebukadnessar, de koning van Babylonië. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was.

Egypte zal de oorlog verliezen

3De Heer zegt: ‘Mannen van Egypte, sta klaar voor de strijd! Grijp jullie schilden, 4haal jullie paarden, spring op de wagens. Helm op, harnas aan, scherpe speer in de hand! Iedereen op zijn plaats!’

5-6Maar kijk eens wat er gebeurt! De soldaten trekken zich terug, ze zijn doodsbang! De dapperste helden vooraan zijn gedood, en het hele leger vlucht weg. Iedereen vlucht zonder om te kijken. Zelfs de snelste en dapperste soldaten kunnen niet ontsnappen. Daar in het verre noorden, bij de rivier de Eufraat, zullen ze allemaal sterven. De Heer zegt: ‘Overal is dood en vernietiging.’

Egypte vindt zichzelf enorm machtig

7De Egyptenaren zeggen: ‘Wij zijn zo machtig als de rivier de Nijl, de grote rivier die alles wegspoelt.’ 8Ja, de Egyptenaren vinden zichzelf enorm machtig. Ze zeggen: ‘Wij zullen de hele aarde veroveren, en alle steden met hun inwoners vernietigen. Ons leger lijkt op een rivier die alles wegspoelt. 9Vooruit, dappere helden! Val aan, vecht! Spring op je paarden, laat de wagens vliegen! Vooruit, soldaten uit Nubië en Libië, grijp jullie schilden! Vooruit, soldaten uit Lydië, pak jullie bogen en schiet!’

Egypte wordt vernietigd

10Maar de Heer, de machtige God, heeft iets anders besloten. Hij gaat de Egyptenaren straffen. Op de dag van de straf worden ze vernietigd. De Heer zorgt ervoor dat ze allemaal gedood worden. Zijn zwaard zal rood zijn van het bloed. Dat zal gebeuren in het verre noorden, bij de rivier de Eufraat.

11Egyptenaren, luister! Jullie worden vernietigd, er is voor jullie geen hoop meer. Net zoals er geen medicijn is voor iemand die dodelijk gewond is. 12De volken op aarde horen hoe jullie vernederd worden, jullie geschreeuw klinkt over de hele aarde. Jullie helden struikelen over elkaar heen, en vallen allemaal dood neer.

Nog een boodschap over Egypte

13De Heer vertelde aan de profeet Jeremia hoe het met Egypte zou gaan. Alles wat hij zei, is daarna ook gebeurd. Dat was toen Nebukadnessar, de koning van Babylonië, met zijn leger Egypte aanviel.

Egypte wordt verslagen

14Egyptenaren, waarschuw iedereen. Maak het in al jullie steden bekend: ‘De vijand komt eraan! Snel, bereid je voor. Want overal om ons heen wordt al gevochten en gemoord!’

15Hoe konden jullie machtige helden verslagen worden? Waarom hielden zij de Babyloniërs niet tegen? Dat kwam door de Heer. Hij liet de helden van Egypte vluchten. 16Hij zorgde ervoor dat ze verslagen werden.

Alle buitenlandse soldaten die vochten voor Egypte, riepen: ‘Weg hier! Terug naar ons eigen volk, naar ons eigen land. Weg van dit dodelijke geweld! 17De farao vond zijn eigen plannen geweldig! Maar wat hij wilde, is totaal mislukt.’

De Babyloniërs komen naar Egypte

18Er is maar één koning. Zijn naam is: Machtige Heer. Hij zegt: ‘De berg Tabor ligt in het bergland, en de berg Karmel ligt aan zee. Ik heb dat zo bepaald. Net zo heb ik bepaald dat de Babyloniërs naar Egypte komen. Dat is zo zeker als ik leef!’

19Inwoners van Egypte, blijf niet rustig zitten. Pak je spullen. Want jullie worden als gevangenen meegenomen. De stad Memfis zal verwoest worden en helemaal afbranden. Er zal niemand meer wonen.

Egypte wordt verwoest

20De Heer zegt: ‘Het land Egypte is prachtig en vruchtbaar. Maar uit het verre noorden komt een leger om het te verwoesten.

21In Egypte hebben ook de buitenlandse soldaten een goed leven. Toch vluchten ze allemaal weg als de vijanden komen. Niet één blijft er staan om te vechten. Want de vijanden komen iedereen vernietigen. Dat is de straf voor Egypte.

22-23De Egyptenaren zijn doodsbang. Ze willen wegkruipen, als bange slangen. Want het leger dat eraan komt, is enorm. Dat leger komt heel Egypte vernietigen, net zoals een groep houthakkers alle bomen van het bos komt omhakken. Het leger van de vijand is groter dan een zwerm sprinkhanen, de soldaten zijn niet te tellen.’ Dat zegt de Heer.

24Zo worden de Egyptenaren verslagen door de Babyloniërs, zo worden ze vernederd.

Gods besluit over Egypte

25De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik ga Amon, de god van Thebe, straffen. En ook de farao, en iedereen die op de farao vertrouwt. Ja, ik ga heel Egypte straffen, met al zijn goden en machthebbers. 26Ik lever de Egyptenaren uit aan hun vijanden, aan koning Nebukadnessar en zijn leger. Nebukadnessar wordt de baas in Egypte.

Maar als de tijd van de straf voorbij is, zal het weer goed gaan met Egypte, net als vroeger.’

God brengt zijn volk terug naar huis

27De Heer zegt: ‘Wees niet bang, Israël, mijn volk. Want ik zal jullie bevrijden uit het verre land waar jullie naartoe gebracht zijn. Ik breng jullie terug naar huis, ik laat jullie teruggaan naar je eigen land.

Daar zullen jullie in vrede leven, zonder zorgen. Dan hoeven jullie voor niemand meer bang te zijn. 28Wees niet bang, Israël, mijn volk. Want ik ben bij jullie. Ik heb jullie verjaagd naar allerlei volken, maar ik ga al die volken vernietigen.

Dit is mijn boodschap voor jullie, Israëlieten: Jullie krijgen de straf die jullie verdienen, maar ik zal jullie niet vernietigen.’

47

Over de Filistijnen

471Hier volgen de woorden die de Heer tegen de profeet Jeremia zei over de Filistijnen. De Heer gaf hem die boodschap voordat de farao van Egypte de stad Gaza veroverde.

De Filistijnen worden aangevallen

2De Heer zegt: ‘Uit het verre noorden komt een groot leger. Het lijkt op het water van een machtige rivier, op een overstroming die alles wegspoelt. Dat leger zal het hele land van de Filistijnen veroveren. Ze zullen alle steden aanvallen. De Filistijnen zullen om hulp roepen, overal in het land zullen de mensen huilen.

3De vijand komt eraan. Daar klinkt het gestamp van hun sterke paarden! Daar komen hun wagens. Hoor het lawaai van de wielen! De Filistijnen zijn zo bang dat ze zelfs hun eigen kinderen in de steek laten.’

God zal de Filistijnen vernietigen

4De dag dat de Filistijnen vernietigd worden, komt eraan. Dan verliezen de steden Tyrus en Sidon hun laatste vrienden. Want de Heer vernietigt de Filistijnen, dat volk dat ooit van het eiland Kreta kwam. 5De inwoners van Gaza hebben hun hoofd kaalgeschoren, als teken van rouw. In Askelon is het doodstil geworden. De Filistijnen die nog overgebleven zijn, rouwen allemaal. Ze snijden zichzelf met messen, en hun rouw is nog lang niet voorbij!

6Ach, hoe lang blijft het zwaard van de Heer nog tekeergaan? Het is te erg! Het zwaard moet ophouden met doden! 7Maar nee, het zwaard kan niet ophouden! Want het is gestuurd door de Heer. Het is gestuurd naar Askelon en de andere steden, om de Filistijnen te doden.