Bijbel in Gewone Taal (BGT)
44

De Judeeërs in Egypte

Juda en Jeruzalem zijn verwoest

441De Heer stuurde Jeremia naar alle Judeeërs die in Egypte waren gaan wonen. Ze woonden in de steden Migdol, Dafne en Memfis, en in het zuiden van Egypte. Jeremia moest het volgende tegen hen zeggen: 2‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Luister, Judeeërs in Egypte! Jullie hebben gezien welke rampen ik in Juda gebracht heb. Er is niets meer over van Jeruzalem, en ook niet van de andere steden in Juda. Er woont niemand meer, alle inwoners zijn weg. 3Dat is de straf voor hun slechte gedrag. Want ze hebben mij beledigd! Ze hebben wierook gebrand voor andere goden, goden die zij en hun voorouders nooit gekend hebben.

4Steeds opnieuw heb ik profeten naar de inwoners van Juda gestuurd. Die waarschuwden hen: ‘God haat al die afschuwelijke dingen die jullie doen. Stop daarmee!’ 5Maar zij wilden niet luisteren. Ze wilden niet stoppen met hun verkeerde gedrag. Ze bleven wierook branden voor andere goden.

6Toen heb ik hen gestraft. Ik was woedend. Ik heb de steden van Juda en de straten van Jeruzalem verwoest. Ze zijn veranderd in een woestijn. Zo is de situatie in Juda nu.’

De Judeeërs in Egypte vereren afgoden

7De Heer, de machtige God, de God van Israël, zegt: ‘En nu over jullie zelf, Judeeërs in Egypte! Waar zijn jullie mee bezig? Waarom maken jullie jezelf kapot? Straks is er niemand van jullie meer over! Jullie zullen allemaal sterven, alle mannen, vrouwen, kinderen en baby’s. 8Want daar in Egypte vereren jullie beelden die jullie zelf gemaakt hebben. En jullie branden er wierook voor andere goden. Zo beledigen jullie mij. En zo maken jullie jezelf kapot! Jullie zullen bespot worden door alle volken op aarde. Jullie naam wordt dan alleen nog als scheldwoord gebruikt.

9Zijn jullie soms het slechte gedrag van jullie voorouders vergeten? Jullie kennen toch de misdaden van jullie koningen en hun vrouwen? En jullie weten toch wat alle mannen en vrouwen van Juda deden, in de straten van Jeruzalem en in de rest van het land? 10Nooit hebben zij laten zien dat ze spijt hadden. Ze hadden geen eerbied voor mij. Ze hebben zich niet gehouden aan de wetten en regels die ik al aan hun voorouders gegeven had.’

De Judeeërs in Egypte worden gestraft

11De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb besloten om jullie te straffen, ik zal heel Juda vernietigen. 12Jullie waren als laatste groep in Juda overgebleven. Maar jullie besloten om in Egypte te gaan wonen. Nu zal ik ervoor zorgen dat jullie daar sterven. Jullie zullen allemaal doodgaan, door oorlog en hongersnood. Jong en oud, iedereen zal sterven. Het zal heel slecht met jullie aflopen. Jullie zullen door iedereen bespot worden, en jullie naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden.

13Judeeërs in Egypte, ik zal jullie straffen met oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Net zoals ik Jeruzalem gestraft heb. 14Jullie waren als laatste groep in Juda overgebleven. Maar jullie zijn naar Egypte gegaan, om daar te wonen. Jullie denken dat het maar tijdelijk is. Jullie denken dat jullie ooit teruggaan en weer in Juda gaan wonen. Maar dat zal niet gebeuren. Want als mijn straf komt, zal niemand van jullie ontsnappen. Niemand gaat terug naar Juda, behalve een paar mensen die kunnen vluchten.’’

De Judeeërs willen niet luisteren

15Alle Judeeërs waren bij elkaar gekomen, ook alle Judeeërs uit het zuiden van Egypte. De mannen wisten dat hun vrouwen wierook brandden voor andere goden. De Judeeërs zeiden tegen Jeremia: 16‘U hebt ons een boodschap van de Heer verteld, maar daar willen we niet naar luisteren. 17Wij blijven trouw aan de godin die wij vereren: de koningin van de hemel. We blijven wierook voor haar branden en wijn aan haar offeren.

Zo hebben wij dat altijd gedaan. Wij en onze voorouders, en alle koningen en leiders van ons volk. Altijd brachten we offers aan de godin, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. En altijd had ons volk meer dan genoeg te eten. We waren gelukkig en alles ging goed.

18-19Het is juist misgegaan toen wij de koningin van de hemel niet meer vereerden! Toen we stopten met het branden van wierook en het offeren van wijn. Vanaf dat moment ging het heel slecht met ons volk. Veel mensen zijn toen gestorven door oorlog en hongersnood. Daarom zijn wij de godin weer gaan vereren.’ En de vrouwen zeiden: ‘Ja, het klopt dat wij weer wierook voor haar branden en wijn aan haar offeren. Ook bakken we koeken ter ere van de godin. Onze mannen weten dat, en zij vinden het goed.’

De reden voor de straf van Juda

20Daarna zei Jeremia tegen alle Judeeërs, de mannen en de vrouwen: 21‘Jullie en jullie voorouders hebben wierook gebrand voor andere goden. Iedereen deed mee, de koningen, de leiders en het hele volk. Overal in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem werd wierook gebrand.

De Heer zag het, en het deed hem pijn. 22Op het laatst had hij genoeg van jullie slechte gedrag en al jullie afschuwelijke daden! Daarom heeft de Heer jullie gestraft. Jullie land is een woestijn geworden, een verschrikkelijk gebied waar niemand meer woont. De naam Juda wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt. Zo is het nu met jullie land.

23Waarom heeft die ramp jullie getroffen? Omdat jullie wierook gebrand hebben voor andere goden. Omdat jullie je tegen de Heer hebben verzet. Omdat jullie hem niet gehoorzaam geweest zijn. En omdat jullie je niet gehouden hebben aan zijn wetten en regels. Daarom!’

De straf voor de Judeeërs in Egypte

24-25Toen zei Jeremia tegen alle Judeeërs, de mannen en de vrouwen: ‘Judeeërs in Egypte, luister naar de woorden van de machtige Heer, de God van Israël! Hij zegt: ‘Samen vereren jullie de koningin van de hemel. Als de vrouwen haar iets beloven, dan voeren de mannen het uit. Jullie zeggen: ‘Wij blijven trouw aan de koningin van de hemel. We hebben beloofd om wierook voor haar te branden en om wijn aan haar te offeren. Dus dat blijven we doen!’

Ja, doe dat maar! Houd je vooral aan je beloftes!

26Maar luister goed, Judeeërs in Egypte. Want ik, de machtige Heer, doe nu ook een plechtige belofte. Ik beloof dat mijn naam in Egypte niet meer genoemd zal worden. Nooit meer zegt hier iemand: ‘Zo zeker als de Heer leeft!’ Want er zal hier geen Judeeër overblijven om dat nog te zeggen. 27Ik heb besloten dat het met alle Judeeërs in Egypte niet goed zal aflopen, maar juist heel slecht. Ze zullen allemaal sterven, door oorlog en hongersnood. Zo zullen alle Judeeërs in Egypte verdwijnen. 28Er zullen maar een paar mensen ontsnappen en teruggaan naar Juda.

Let maar op, Judeeërs die in Egypte zijn gaan wonen! Jullie zullen vanzelf merken wie er gelijk krijgt, jullie of ik. 29-30Ik zal jullie een teken geven. Als dat gebeurt, weten jullie zeker dat ik jullie in Egypte ga straffen. Dan weten jullie dat mijn woorden zullen uitkomen, en dat het dus slecht met jullie zal aflopen. Dit is het teken: Ik lever farao Chofra uit aan zijn vijanden, die hem willen doden. Net zoals ik ook koning Sedekia van Juda uitgeleverd heb aan zijn vijand, koning Nebukadnessar.’’