Bijbel in Gewone Taal (BGT)
42

De Judeeërs gaan naar Egypte

De Judeeërs komen bij Jeremia

421Jochanan, de zoon van Kareach, en Jezanja, de zoon van Hosaäja, en de andere legerleiders gingen naar de profeet Jeremia. Alle Judeeërs, jong en oud, waren met hen meegekomen.

2Ze zeiden tegen Jeremia: ‘Alstublieft, wij smeken u om naar ons te luisteren. Bid voor ons tot de Heer, uw God. Kijk eens wat er over is van ons grote volk. U ziet zelf met hoe weinig we nog zijn! 3Wat moeten we doen? Waar moeten we heen? Vraag de Heer, uw God, om ons dat te vertellen.’

4Jeremia zei: ‘Goed, ik zal doen wat jullie vragen. Ik zal bidden tot de Heer, jullie God. En ik zal jullie precies vertellen wat hij antwoordt. Ik zal niets daarvan geheimhouden.’

De Judeeërs beloven om mee te werken

5De Judeeërs zeiden tegen Jeremia: ‘Wij zullen alles doen wat de Heer, uw God, wil. We zullen doen wat u namens hem tegen ons zegt. Dat beloven we.

We weten dat de Heer eerlijk en trouw is. Hij mag ons straffen als we hem niet gehoorzamen. 6Het maakt niet uit wat de Heer van ons vraagt, wij zullen hem zeker gehoorzamen. We zullen luisteren naar wat de Heer, onze God, zegt. Want alleen dan zal het goed met ons gaan.’

Het antwoord van de Heer

7Tien dagen later kreeg Jeremia een antwoord van de Heer. 8Jeremia riep Jochanan, de andere legerleiders, en de hele groep Judeeërs bij zich. 9Hij zei tegen hen: ‘Ik heb gebeden tot de Heer, de God van Israël. Ik heb gezegd dat jullie hem smeken om een antwoord.

Dit is het antwoord van de Heer: 10‘Blijf hier in Juda wonen. Dan zal er niets meer vernietigd worden. Alles zal weer opgebouwd worden. En jullie zullen niet sterven, maar leven. Want ik heb spijt van de rampen die ik jullie gebracht heb.

11En wees niet bang voor de koning van Babylonië. Ik weet dat jullie bang voor hem zijn, maar dat hoeft niet. Want ik ben bij jullie, ik bescherm jullie. Ik zal jullie redden uit zijn macht. 12Ik zal ervoor zorgen dat hij niet boos op jullie is. Hij zal medelijden met jullie hebben, en hij zal jullie weer in je land laten wonen.’

Wie naar Egypte gaat, zal sterven

13-14Maar stel dat jullie niet luisteren naar de Heer, jullie God. Stel dat jullie zeggen: ‘Wij blijven niet in dit land, nee, we gaan naar Egypte! Want daar is geen oorlog. Daar komen geen legers op ons af, en daar zullen we geen honger hebben. Daar gaan we wonen!’ 15Dan zal de machtige Heer, de God van Israël, tegen jullie zeggen: ‘Luister goed! Jullie zijn de laatste Judeeërs die nog overgebleven zijn. Als jullie echt besluiten om in Egypte te gaan wonen, dan zal ik jullie straffen. 16Dan komt de oorlog waar jullie voor vluchten, naar jullie toe. En dan komt de honger waar jullie voor vluchten, achter jullie aan. Dan zullen jullie in Egypte sterven!

17Zo zal het gaan met iedereen die besluit om in Egypte te gaan wonen: In Egypte zul je sterven door oorlog, hongersnood of vreselijke ziektes. Niemand zal ontsnappen aan de rampen die ik daar laat komen.’

18De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Als jullie inderdaad naar Egypte gaan, zal ik woedend zijn. Dan zal ik jullie zwaar straffen. Dan krijgen jullie dezelfde vreselijke straf als de inwoners van Jeruzalem. Dan zullen jullie het land Juda nooit terugzien. Het zal heel slecht met jullie aflopen. Jullie zullen bespot en beledigd worden. En jullie naam wordt dan alleen nog als scheldwoord gebruikt.’’

Jeremia waarschuwt de Judeeërs

19Jeremia zei: ‘Luister! Jullie zijn de laatste Judeeërs die nog overgebleven zijn. De Heer heeft tegen jullie gesproken. Ga niet naar Egypte! Vergeet niet dat ik jullie gewaarschuwd heb.

20-21Jullie hebben zelf gevraagd om een antwoord van de Heer. Jullie zeiden tegen mij: ‘Bid voor ons! Bid tot de Heer, onze God. En vertel ons alles wat hij zegt! Dan zullen wij doen wat hij wil.’

Nu heb ik jullie verteld wat God gezegd heeft. Maar jullie luisteren niet naar zijn boodschap! Jullie luisteren niet naar de stem van de Heer, jullie God. Jullie houden je dus niet aan je belofte, en daarom zullen jullie sterven. 22Denk maar aan wat ik gezegd heb: Jullie zullen sterven door oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Dat zal gebeuren in het land waar jullie willen gaan wonen.’

43

De Judeeërs luisteren niet

431Toen hield Jeremia op met spreken. Alles wat de Heer tegen hem gezegd had, had hij aan het hele volk verteld. Alle woorden van de Heer, hun God.

2Maar Azarja, de zoon van Hosaäja, en Jochanan en alle andere Judeeërs waren eigenwijs. Ze zeiden tegen Jeremia: ‘Jij vertelt leugens! Jij zegt dat je gestuurd bent door de Heer, onze God. Jij zegt dat de Heer ons verbiedt om in Egypte te gaan wonen. 3Maar het is Baruch, de zoon van Neria, die dat bedacht heeft! Hij liet jou dat zeggen. Want hij wil ons allemaal uitleveren aan de Babyloniërs. Zodat die ons kunnen doden of meenemen naar Babylonië.’

4Jochanan, de andere legerleiders en het hele volk wilden niet luisteren naar de boodschap van de Heer. Ze wilden niet in het land Juda blijven.

Alle Judeeërs gaan naar Egypte

5-6Toen namen Jochanan en de andere legerleiders alle Judeeërs mee. Dat waren de mensen die Nebuzaradan, de hoogste generaal, had achtergelaten bij Gedalja. (Gedalja was een zoon van Achikam en een kleinzoon van Safan.) En verder de mensen die eerst uit Juda waren weggevlucht, en daarna weer teruggekomen waren.

Iedereen ging mee: de mannen, de vrouwen en de kinderen, en de prinsessen. Ook Jeremia en Baruch werden meegenomen. 7De Judeeërs wilden niet luisteren naar de stem van de Heer. Ze gingen allemaal naar Egypte, en kwamen daar aan in de plaats Dafne.

Gods boodschap voor Egypte

8In Dafne kreeg Jeremia deze opdracht van de Heer: 9‘Jeremia, pak een paar grote stenen. Ga naar het plein voor het paleis van de farao. Begraaf de stenen daar in de grond. En zorg ervoor dat de Judeeërs zien wat je doet.

10Vertel hun dan dat ik, de machtige Heer, de God van Israël, koning Nebukadnessar van Babylonië op Egypte afstuur. Hij is mijn dienaar. En op de plaats waar die stenen begraven zijn, zal ik een troon voor hem neerzetten. Daar zal hij dan zijn koninklijke tent neerzetten.

11Nebukadnessar zal Egypte aanvallen. Dan zullen veel Egyptenaren sterven door de oorlog of door vreselijke ziektes. En anderen worden gevangengenomen. Iedereen krijgt de straf die voor hem bestemd is.

12-13Nebukadnessar zal alle tempels in Egypte in brand steken. Hij zal ze helemaal laten afbranden. De godenbeelden zal hij meenemen naar Babel. En de heilige stenen in de tempel van de zonnegod zal hij kapotslaan. Zo makkelijk maakt hij Egypte schoon, alsof hij een jas uitschudt. En daarna gaat hij rustig terug naar zijn land.’

44

De Judeeërs in Egypte

Juda en Jeruzalem zijn verwoest

441De Heer stuurde Jeremia naar alle Judeeërs die in Egypte waren gaan wonen. Ze woonden in de steden Migdol, Dafne en Memfis, en in het zuiden van Egypte. Jeremia moest het volgende tegen hen zeggen: 2‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Luister, Judeeërs in Egypte! Jullie hebben gezien welke rampen ik in Juda gebracht heb. Er is niets meer over van Jeruzalem, en ook niet van de andere steden in Juda. Er woont niemand meer, alle inwoners zijn weg. 3Dat is de straf voor hun slechte gedrag. Want ze hebben mij beledigd! Ze hebben wierook gebrand voor andere goden, goden die zij en hun voorouders nooit gekend hebben.

4Steeds opnieuw heb ik profeten naar de inwoners van Juda gestuurd. Die waarschuwden hen: ‘God haat al die afschuwelijke dingen die jullie doen. Stop daarmee!’ 5Maar zij wilden niet luisteren. Ze wilden niet stoppen met hun verkeerde gedrag. Ze bleven wierook branden voor andere goden.

6Toen heb ik hen gestraft. Ik was woedend. Ik heb de steden van Juda en de straten van Jeruzalem verwoest. Ze zijn veranderd in een woestijn. Zo is de situatie in Juda nu.’

De Judeeërs in Egypte vereren afgoden

7De Heer, de machtige God, de God van Israël, zegt: ‘En nu over jullie zelf, Judeeërs in Egypte! Waar zijn jullie mee bezig? Waarom maken jullie jezelf kapot? Straks is er niemand van jullie meer over! Jullie zullen allemaal sterven, alle mannen, vrouwen, kinderen en baby’s. 8Want daar in Egypte vereren jullie beelden die jullie zelf gemaakt hebben. En jullie branden er wierook voor andere goden. Zo beledigen jullie mij. En zo maken jullie jezelf kapot! Jullie zullen bespot worden door alle volken op aarde. Jullie naam wordt dan alleen nog als scheldwoord gebruikt.

9Zijn jullie soms het slechte gedrag van jullie voorouders vergeten? Jullie kennen toch de misdaden van jullie koningen en hun vrouwen? En jullie weten toch wat alle mannen en vrouwen van Juda deden, in de straten van Jeruzalem en in de rest van het land? 10Nooit hebben zij laten zien dat ze spijt hadden. Ze hadden geen eerbied voor mij. Ze hebben zich niet gehouden aan de wetten en regels die ik al aan hun voorouders gegeven had.’

De Judeeërs in Egypte worden gestraft

11De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb besloten om jullie te straffen, ik zal heel Juda vernietigen. 12Jullie waren als laatste groep in Juda overgebleven. Maar jullie besloten om in Egypte te gaan wonen. Nu zal ik ervoor zorgen dat jullie daar sterven. Jullie zullen allemaal doodgaan, door oorlog en hongersnood. Jong en oud, iedereen zal sterven. Het zal heel slecht met jullie aflopen. Jullie zullen door iedereen bespot worden, en jullie naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden.

13Judeeërs in Egypte, ik zal jullie straffen met oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Net zoals ik Jeruzalem gestraft heb. 14Jullie waren als laatste groep in Juda overgebleven. Maar jullie zijn naar Egypte gegaan, om daar te wonen. Jullie denken dat het maar tijdelijk is. Jullie denken dat jullie ooit teruggaan en weer in Juda gaan wonen. Maar dat zal niet gebeuren. Want als mijn straf komt, zal niemand van jullie ontsnappen. Niemand gaat terug naar Juda, behalve een paar mensen die kunnen vluchten.’’

De Judeeërs willen niet luisteren

15Alle Judeeërs waren bij elkaar gekomen, ook alle Judeeërs uit het zuiden van Egypte. De mannen wisten dat hun vrouwen wierook brandden voor andere goden. De Judeeërs zeiden tegen Jeremia: 16‘U hebt ons een boodschap van de Heer verteld, maar daar willen we niet naar luisteren. 17Wij blijven trouw aan de godin die wij vereren: de koningin van de hemel. We blijven wierook voor haar branden en wijn aan haar offeren.

Zo hebben wij dat altijd gedaan. Wij en onze voorouders, en alle koningen en leiders van ons volk. Altijd brachten we offers aan de godin, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. En altijd had ons volk meer dan genoeg te eten. We waren gelukkig en alles ging goed.

18-19Het is juist misgegaan toen wij de koningin van de hemel niet meer vereerden! Toen we stopten met het branden van wierook en het offeren van wijn. Vanaf dat moment ging het heel slecht met ons volk. Veel mensen zijn toen gestorven door oorlog en hongersnood. Daarom zijn wij de godin weer gaan vereren.’ En de vrouwen zeiden: ‘Ja, het klopt dat wij weer wierook voor haar branden en wijn aan haar offeren. Ook bakken we koeken ter ere van de godin. Onze mannen weten dat, en zij vinden het goed.’

De reden voor de straf van Juda

20Daarna zei Jeremia tegen alle Judeeërs, de mannen en de vrouwen: 21‘Jullie en jullie voorouders hebben wierook gebrand voor andere goden. Iedereen deed mee, de koningen, de leiders en het hele volk. Overal in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem werd wierook gebrand.

De Heer zag het, en het deed hem pijn. 22Op het laatst had hij genoeg van jullie slechte gedrag en al jullie afschuwelijke daden! Daarom heeft de Heer jullie gestraft. Jullie land is een woestijn geworden, een verschrikkelijk gebied waar niemand meer woont. De naam Juda wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt. Zo is het nu met jullie land.

23Waarom heeft die ramp jullie getroffen? Omdat jullie wierook gebrand hebben voor andere goden. Omdat jullie je tegen de Heer hebben verzet. Omdat jullie hem niet gehoorzaam geweest zijn. En omdat jullie je niet gehouden hebben aan zijn wetten en regels. Daarom!’

De straf voor de Judeeërs in Egypte

24-25Toen zei Jeremia tegen alle Judeeërs, de mannen en de vrouwen: ‘Judeeërs in Egypte, luister naar de woorden van de machtige Heer, de God van Israël! Hij zegt: ‘Samen vereren jullie de koningin van de hemel. Als de vrouwen haar iets beloven, dan voeren de mannen het uit. Jullie zeggen: ‘Wij blijven trouw aan de koningin van de hemel. We hebben beloofd om wierook voor haar te branden en om wijn aan haar te offeren. Dus dat blijven we doen!’

Ja, doe dat maar! Houd je vooral aan je beloftes!

26Maar luister goed, Judeeërs in Egypte. Want ik, de machtige Heer, doe nu ook een plechtige belofte. Ik beloof dat mijn naam in Egypte niet meer genoemd zal worden. Nooit meer zegt hier iemand: ‘Zo zeker als de Heer leeft!’ Want er zal hier geen Judeeër overblijven om dat nog te zeggen. 27Ik heb besloten dat het met alle Judeeërs in Egypte niet goed zal aflopen, maar juist heel slecht. Ze zullen allemaal sterven, door oorlog en hongersnood. Zo zullen alle Judeeërs in Egypte verdwijnen. 28Er zullen maar een paar mensen ontsnappen en teruggaan naar Juda.

Let maar op, Judeeërs die in Egypte zijn gaan wonen! Jullie zullen vanzelf merken wie er gelijk krijgt, jullie of ik. 29-30Ik zal jullie een teken geven. Als dat gebeurt, weten jullie zeker dat ik jullie in Egypte ga straffen. Dan weten jullie dat mijn woorden zullen uitkomen, en dat het dus slecht met jullie zal aflopen. Dit is het teken: Ik lever farao Chofra uit aan zijn vijanden, die hem willen doden. Net zoals ik ook koning Sedekia van Juda uitgeleverd heb aan zijn vijand, koning Nebukadnessar.’’