Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De Heer wil zijn volk niet meer

31De Heer zegt: ‘Stel dat een man scheidt van zijn vrouw omdat zij hem ontrouw is. Zij gaat weg en ze wordt de vrouw van een ander. Kan ze daarna dan weer terugkomen bij haar eerste man? Nee! Als mensen zulke dingen zouden doen, dan zou het helemaal fout gaan met het land.

Zo is het ook met jullie, mijn volk. Jullie hebben mij verlaten om veel andere goden te vereren. Denk maar niet dat je dan zomaar bij mij kunt terugkomen!

2Kijk eens rond: op elke heuvel hebben jullie afgoden vereerd. Jullie lijken op een hoer die met iedereen seks heeft. Zo’n vrouw die langs de kant van de weg wacht op haar klanten, zoals een koopman langs de weg klaarzit met zijn handel. Jullie bleven maar andere goden vereren. Door jullie is het helemaal fout gegaan met dit land. 3Door jullie valt er geen regen meer.

Jullie kijken me brutaal aan, zoals een hoer die zich nergens voor schaamt. 4Nu het slecht gaat, zeggen jullie tegen mij: ‘U bent onze vader!’ en: ‘U hield toch van ons?’ 5En jullie denken: De Heer blijft niet boos, zijn woede gaat wel over.

Dat is wat jullie zeggen en denken. En intussen gaan jullie gewoon door met het doen van slechte dingen.’

Israëls ontrouw en Juda’s bedrog

6In de tijd van koning Josia zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, heb je gezien wat de inwoners van Israël gedaan hebben? Heb je hun ontrouw gezien? Overal in het land vereerden ze afgoden, op elke heuvel en onder elke groene boom. 7-8Ik dacht: Ze zullen daar wel mee stoppen, en mij weer gaan vereren. Maar dat deden ze niet. Daarom heb ik dat ontrouwe volk weggestuurd. Net zoals een man scheidt van zijn ontrouwe vrouw en haar wegstuurt.

De inwoners van Juda zagen wat ik deed met de inwoners van Israël. Maar de inwoners van Juda schrokken daar niet van. Nee, ze gingen zelf ook op zoek naar andere goden. 9-10Door hen is het helemaal fout gegaan in het land. Ze vereerden beelden van steen en hout, en schaamden zich daar helemaal niet voor. En intussen bleven ze mij vereren met mooie woorden, waar ze niets van meenden. Zo hebben ze mij bedrogen.

11De inwoners van Israël zijn mij ontrouw geweest. Maar wat de inwoners van Juda gedaan hebben, is nog veel erger: zij hebben mij bedrogen!’

Israël moet weer trouw worden

12Hier volgen de woorden die Jeremia moest zeggen tegen het volk van Israël.

Israël moet zijn fouten toegeven

Luister, jullie die naar het verre noorden gebracht zijn. De Heer zegt tegen jullie: ‘Ontrouw volk, kom bij me terug. Dan zal ik niet meer boos op jullie zijn. Ik ben een God van liefde, mijn woede duurt niet voor altijd.

13Maar jullie moeten wel toegeven dat je schuldig bent. Geef toe dat jullie in opstand gekomen zijn tegen mij, de Heer, jullie God. Geef toe dat jullie andere goden vereerd hebben, overal, onder elke groene boom. Geef toe dat jullie niet naar mij geluisterd hebben.’

Er komt een goede tijd

14De Heer zegt: ‘O, ontrouw volk! Jullie moeten weer trouw worden aan mij. Want jullie horen bij mij. Ik zal jullie allemaal terughalen, iedereen van mijn volk die overgebleven is. En ik zal jullie terugbrengen naar Jeruzalem. 15Ik zal jullie goede leiders geven. Zij zullen leiding geven op een wijze en verstandige manier.

16Als jullie terug zijn in dit land, zullen jullie weer een groot volk worden. Dan zeggen jullie niet meer dat de heilige kist de troon van de Heer is. Niemand zal nog aan die heilige kist denken, niemand zal hem missen, en er hoeft ook geen nieuwe gemaakt te worden. 17Want in die tijd zullen jullie zeggen: ‘Nu is Jeruzalem de troon van de Heer.’ Want ik, de Heer, zal in Jeruzalem zijn. Dan zullen alle volken daarheen komen om mij te eren. En ze zullen niet meer leven als slechte mensen.

18In die tijd komen de inwoners van Israël en de inwoners van Juda terug. Ze komen samen terug uit het verre noorden. En ze gaan weer naar het land dat ik aan hun voorouders gegeven heb.’

Israël heeft de Heer bedrogen

19De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik heb jullie een goed land gegeven. Ik heb voor jullie het mooiste land op aarde uitgekozen. Daar liet ik jullie wonen. Ik verwachtte dat jullie mij Vader zouden noemen en mij trouw zouden blijven. 20Maar nee! Net zoals een ontrouwe vrouw haar man bedriegt, zo hebben jullie mij bedrogen.

21Volk van Israël, jullie klagen en jammeren, jullie smeken om de hulp van jullie afgoden. Jullie zijn mij, jullie God, vergeten. Jullie zijn helemaal verkeerd bezig!’

Israël moet de Heer weer trouw worden

22De Heer zegt: ‘Ontrouw volk, kom bij me terug. Dan zal ik zorgen dat jullie mij weer trouw worden.

Dan zullen jullie zeggen: ‘Hier zijn we, we komen bij u terug. Want u bent de Heer, onze God. 23De goden die wij op de heuvels en de bergen vereerden, kunnen niets! U, Heer, onze God, hebt ons gered! 24Zolang ons volk bestaat, hebben wij de god Baäl vereerd. En die afschuwelijke god heeft ons alles afgenomen: ons bezit, onze dieren en zelfs onze kinderen. 25We schamen ons, ja, we schamen ons diep. Want wij hebben steeds dingen gedaan die u verkeerd vindt. En niet alleen wij, maar ook al onze voorouders. Ja, zolang ons volk bestaat, hebben we verkeerde dingen gedaan. Heer, onze God, we hebben niet naar u geluisterd.’’

4

Er komt een nieuwe tijd

41De Heer zegt: ‘Volk van Israël, kom bij me terug. Doe al je beelden van afgoden weg. Kom terug naar je land en wees mij weer trouw. 2Vereer alleen mij, en wees eerlijk en trouw. Dan zullen alle volken zeggen: ‘Heer, wat bent u goed voor uw volk! Wilt u voor ons ook zo goed zijn?’’

Er komt een ramp

Jeremia waarschuwt Juda en Jeruzalem

3Inwoners van Juda en Jeruzalem, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Voordat je gaat zaaien, moet je eerst de doornstruiken weghalen en de grond weer vruchtbaar maken.’ 4Dat betekent: doe het kwaad uit jezelf weg en open je hart voor Gods wil. Want als jullie verkeerde dingen blijven doen, zal de Heer woedend worden! Zijn woede is als een vuur dat nooit uitgaat en dat alles verbrandt.

Jeremia zegt dat er een ramp komt

5-6Waarschuw de inwoners van Juda, blaas overal in het land op de trompet! Laat iedereen naar de steden gaan en zich daar verzamelen. Waarschuw ook de inwoners van Jeruzalem. Iedereen moet meteen naar de stad vluchten. Want er gaat een ramp gebeuren!

De Heer stuurt de vijanden uit het verre noorden naar dit land. 7Ze vernietigen alles wat ze tegenkomen. Ze zijn naar jullie onderweg, ze komen eraan. Ineens zullen ze voor jullie staan, net zo plotseling als een leeuw die tevoorschijn springt uit de struiken. De vijanden zullen jullie land in een woestijn veranderen. In jullie steden zal niemand meer wonen, er zal niets van overblijven.

8Trek maar vast zwarte kleren aan. Begin maar vast te huilen en te jammeren. Want niemand kan de woede van de Heer tegenhouden.

Jeremia klaagt over de ramp

9De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, als die ramp komt, zullen de koning en de leiders alle moed verliezen. En de priesters en de profeten zullen vreselijk schrikken.’

10Toen zei ik: ‘Heer, mijn God, u hebt uw stad Jeruzalem en uw volk Israël bedrogen! Want u had beloofd dat wij in vrede zouden leven. Maar nu komen de vijanden ons doden!’

11-12Maar de Heer zei: ‘Zeg tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: ‘Er komen vijanden om jullie te doden. Ze vernietigen alles en iedereen. Net zoals een harde woestijnwind alles wegblaast. Zo zal de Heer jullie straffen.’’

Jeremia vertelt dat er vijanden komen

13Daar komen de vijanden! Opeens zijn ze er, net zoals wolken in de lucht. Hun wagens zijn sneller dan stormwinden, hun paarden zijn sneller dan adelaars.

Inwoners van Jeruzalem, jullie roepen: ‘Help ons toch! Het loopt slecht met ons af!’ 14Maar nee, inwoners van Jeruzalem! Jullie kunnen alleen gered worden als je het kwaad uit jezelf wegdoet. Maar dat doen jullie niet. Jullie hoofd zit vol kwade plannen.

15Slecht nieuws uit het noorden! Vreselijke berichten uit het gebied Dan en het bergland van Efraïm! 16Maak het overal bekend, vertel het aan iedereen in Jeruzalem. De vijanden uit het verre noorden zijn gekomen. Met veel geschreeuw komen ze naar de steden van Juda. 17Ze omsingelen de stad Jeruzalem, net als bewakers die een stuk land bewaken.

De Heer zegt: ‘Dat gebeurt omdat jullie tegen mij in opstand gekomen zijn. 18Het is de straf voor jullie misdaden. Want van binnen zitten jullie vol slechtheid.’

Jeremia schreeuwt het uit

19Mijn hart bonst, mijn hoofd bonkt! Ik ben ziek van angst, ik schreeuw het uit! Het is oorlog. Ik hoor het geschreeuw van de vijanden, het geluid van hun trompetten. 20Eén voor één worden de steden veroverd. De vijanden vernietigen alles: de huizen, de dorpen en de steden. Ze verwoesten het hele land. 21Hoe lang moet ik hun vlaggen nog zien? Hoe lang moet ik hun trompetten nog horen?

22De Heer zegt: ‘Mijn volk is dom. Ze weten niet wie ik ben. Ze weten niet hoe ze goed moeten leven. Het zijn mensen zonder verstand, zonder inzicht. Maar verkeerde dingen doen, dat kunnen ze goed!’

Jeremia ziet een verlaten aarde

23Ik zag dat de aarde leeg en verlaten was. Ik zag dat er geen licht aan de hemel meer was. 24Ik zag dat de bergen beefden en de heuvels trilden. 25Ik zag dat er geen mensen meer waren. En dat alle vogels verdwenen waren. 26Ik zag dat alle velden vernield waren en alle steden vernietigd.

Dat komt allemaal door de grote woede van de Heer. 27-28Want hij heeft gezegd: ‘Ik maak van dit land een woestijn. Dan zal er verdriet zijn in de hemel en op de aarde. Maar mijn besluit staat vast. Toch zal ik het land niet helemaal vernietigen.’

Jeruzalem zal veroverd worden

29Iedereen vlucht voor het geschreeuw van de soldaten. De mensen vluchten naar de bossen en de bergen. Alle steden zijn verlaten, er woont niemand meer.

30Luister, inwoners van Jeruzalem. Ook al doen jullie nog zo je best, jullie stad is niet meer te redden. Jullie stad lijkt op een vrouw die zich mooi gemaakt heeft. Ze draagt sieraden en een dure jurk. Ze is mooi opgemaakt en ziet er prachtig uit. Maar er is geen man die haar nog wil. Nee, de mannen willen haar juist doden. Net zo zijn de vijanden gekomen om jullie mooie stad te verwoesten.

31Ik hoor geschreeuw. Het lijkt wel alsof er een vrouw aan het bevallen is van haar eerste kind. Het geschreeuw komt uit Jeruzalem. De inwoners van de stad zijn in nood. Ze smeken om hulp en roepen: ‘Help ons toch! We worden vermoord!’

5

De straf van God

Iedereen in Jeruzalem is slecht

51-2De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, loop door de straten van Jeruzalem, kijk goed rond op alle pleinen. Zoek naar iemand die eerlijk is en de waarheid belangrijk vindt. Als je zo iemand vindt, zal ik de hele stad vergeven.

Maar alle inwoners van Jeruzalem zijn oneerlijk! Ze liegen altijd, zelfs als ze zeggen: ‘Dit is waar. Zo zeker als de Heer leeft!’’

3Toen zei ik: ‘Heer, u wilt dat uw volk de waarheid ziet. Maar als u de mensen van uw volk straft, dan schrikken ze niet eens. Als u vernietiging brengt, dan zeggen ze: ‘Wij hebben geen straf verdiend.’ Ze zijn keihard. Ze hebben gewoon nergens spijt van.’

Jeremia merkt hoe slecht het volk is

4Eerst dacht ik: Ach, de mensen van mijn volk weten niet veel. Ze doen verkeerde dingen, omdat ze niet weten wat de Heer van hen wil. Ze kennen de regels van hun God niet. 5Daarom bedacht ik: Ik zal met de leiders van het volk praten. Die weten precies wat de Heer wil. Die kennen de regels van hun God. Maar toen merkte ik dat ook de leiders zich aan geen enkele regel hielden. Ze gingen allemaal hun eigen gang!

6Alle mensen deden verkeerde dingen. Ze waren steeds ontrouw aan de Heer. Daarom heeft de Heer vijanden gestuurd. Die zullen als wilde dieren op de steden van Juda afkomen, om de inwoners te doden.

De Heer kan zijn volk niet vergeven

7Volk van Israël, de Heer zegt tegen jullie: ‘Ik kan jullie niet vergeven! Jullie hebben mij verlaten om afgoden te gaan vereren! Ik zorgde ervoor dat jullie het goed hadden, maar toch gingen jullie andere goden vereren. Telkens weer gingen jullie naar hun tempels toe. 8Jullie leken wel wilde paarden! Paarden die steeds weer op een ander vrouwtje springen om te paren. Zo gingen jullie achter andere goden aan.

9Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden. 10-11Ik geef jullie vijanden deze opdracht: ‘Val het land aan en verover het, maar vernietig het niet helemaal. Je moet de inwoners van Israël en Juda doden. Zij horen niet meer bij mij, want ze hebben me bedrogen.’’

Israël nam de Heer niet serieus

12Volk van Israël, jullie namen de Heer niet serieus. Jullie zeiden: ‘Zoiets doet de Heer niet. Die rampen zullen wij niet meemaken. Wij hoeven niet bang te zijn voor oorlog of voor hongersnood. 13De profeten die zeggen dat er rampen komen, die kletsen maar wat. Laat die rampen maar met henzelf gebeuren!’

14Maar God, de machtige Heer, zegt: ‘Omdat jullie dat gezegd hebben, ga ik jullie straffen. Mijn woorden zijn als vlammen van vuur. Als Jeremia ze uitspreekt, zullen die woorden jullie vernietigen.’

De Heer stuurt vijanden naar Israël

15De Heer zegt: ‘Let op, volk van Israël, ik stuur vijanden op jullie af. Ze komen uit een ver land. Ze horen bij een machtig volk, dat al eeuwenlang bestaat. Ze spreken een taal die jullie niet kennen. Je verstaat niet wat ze zeggen. 16Hun leger brengt dood en vernietiging. Al hun soldaten zijn geweldige vechters.

17Die vijanden zullen alles van jullie afpakken: de oogst van het land, jullie eten, je zonen en dochters, je geiten, schapen en koeien, je druiven en vijgen. Ze zullen jullie sterke steden vernietigen. De muren waar jullie op vertrouwen, zullen ze met geweld verwoesten.

18Maar toch zal ik jullie dan niet helemaal vernietigen.’

Israël heeft de Heer verlaten

19-20Luister, inwoners van Juda. Jullie vragen: ‘Waarom heeft de Heer ons al deze ellende gebracht?’ Dit is zijn antwoord: ‘Jullie hebben mij verlaten in je eigen land. Ik ben jullie eigen God. Maar jullie gingen andere goden dienen. Daarom moeten jullie nu in een land gaan wonen dat niet van jullie is. En daar moeten jullie de koning van een ander volk dienen. 21Jullie zijn dom, jullie hebben geen verstand. Jullie hebben wel ogen, maar jullie zien niets. Jullie hebben wel oren, maar jullie horen niets.

22Hoe kan het dat jullie geen eerbied voor mij hebben? Hoe kan het dat jullie niet bang voor mij zijn? Ik ben degene die macht heeft over de zee. Ik heb een grens van zand gemaakt, die de zee tegenhoudt. Ook al buldert de zee en bruisen de golven, die grens houdt al het water tegen.

23Maar jullie zijn eigenwijs en ongehoorzaam. Jullie gaan je eigen gang. 24Jullie denken niet: Wij moeten eerbied hebben voor de Heer, onze God. Want hij zorgt voor ons. Hij laat het op tijd regenen in de lente en in de herfst. En hij zorgt ervoor dat wij op vaste tijden in het jaar kunnen oogsten.

25Het is dus jullie eigen schuld dat het verkeerd gaat. Door jullie slechte gedrag krijgen jullie een slechte oogst.’

In Israël gebeuren vreselijke dingen

26De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zie vreselijke mensen daar bij jullie. Ze proberen anderen in de val te laten lopen. Ze lijken op jagers die netten ophangen om vogels in te vangen.

27Die vreselijke mensen stelen van iedereen, hun huizen staan vol gestolen spullen. Zo zijn ze rijk en machtig geworden, 28en dik en vet van al het eten.

Ze denken alleen aan hun eigen rechten. Het kan ze niets schelen als arme mensen oneerlijk behandeld worden. Ze zullen zwakke mensen nooit helpen. Ze zijn slechter dan slecht. 29Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden.

30Er gebeuren afschuwelijke dingen in het land. 31De profeten vertellen leugens aan jullie. De priesters geven jullie regels die ze zelf gemaakt hebben. En jullie vinden het allemaal prima. Wacht maar tot jullie einde komt!’