Bijbel in Gewone Taal (BGT)
37

De aanval op Jeruzalem

Sedekia vraagt om hulp

371Sedekia, de zoon van Josia, was koning van Juda geworden. Nebukadnessar, de koning van Babylonië, had Sedekia koning gemaakt in plaats van Jechonja, de zoon van Jojakim. 2In de tijd van Sedekia vertelde Jeremia steeds wat de Heer gezegd had. Maar Sedekia, zijn dienaren en het volk van Juda luisterden niet.

3-5Na een aantal jaren kwam het leger van de Babyloniërs naar Jeruzalem. Ze omsingelden de stad. Maar ze gingen weg toen ze hoorden dat de farao van Egypte eraan kwam met zijn leger.

Toen stuurde koning Sedekia twee boodschappers naar de profeet Jeremia. In die tijd kon Jeremia nog vrij rondlopen, hij zat nog niet gevangen. De boodschappers waren Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja. Zij moesten tegen Jeremia zeggen: ‘Bid toch voor ons! Bid tot de Heer, onze God.’

De Heer geeft Sedekia antwoord

6Toen gaf Jeremia de boodschappers een bericht voor de koning. Hij zei: ‘Dit zegt de Heer: 7‘Sedekia, jij vraagt mij wat er gaat gebeuren. En ik, de Heer, de God van Israël, zeg: Het leger van de farao, dat jullie zou helpen tegen de Babyloniërs, zal teruggaan naar Egypte. 8De Babyloniërs zullen dan opnieuw naar Jeruzalem komen. Ze zullen de stad aanvallen, veroveren en helemaal platbranden.

9Sedekia, denk maar niet dat de Babyloniërs weg zullen blijven! Ze komen terug, 10en dan zullen ze Jeruzalem verwoesten. Stel dat jullie de Babyloniërs zouden verslaan. En stel dat er van hen alleen een paar gewonden zouden overblijven. Dan laat ik die gewonden hun tent uit komen om Jeruzalem helemaal plat te branden!’’

Jeremia wordt gevangengenomen

11De Babyloniërs hadden Jeruzalem verlaten om te gaan vechten tegen het leger van Egypte. 12In die tijd wilde Jeremia naar het gebied Benjamin gaan. Hij probeerde Jeruzalem te verlaten, en hoopte dat hij in de drukte niet zou opvallen. 13Maar in de Benjamin-poort werd hij herkend door Jiria, een officier van het leger. Jiria was een zoon van Selemja en een kleinzoon van Chananja.

Jiria liet Jeremia oppakken, en hij zei tegen hem: ‘Jij kiest de kant van de Babyloniërs!’ 14Jeremia zei: ‘Dat is een leugen! Ik kies hun kant helemaal niet!’ Maar de officier luisterde niet en bracht hem bij de leiders van Jeruzalem.

15De leiders werden woedend op Jeremia. Ze lieten hem stokslagen geven, en sloten hem op in het huis van de schrijver Jonatan. Dat huis werd gebruikt als gevangenis. 16Jeremia zat opgesloten in een put onder het huis. Daar moest hij een hele tijd blijven.

Jeremia praat met koning Sedekia

17Op een dag liet koning Sedekia Jeremia uit de gevangenis halen. Jeremia werd naar het paleis gebracht. In het geheim vroeg de koning aan Jeremia: ‘Is er een boodschap van de Heer voor mij?’ ‘Ja,’ zei Jeremia, ‘u zult gevangen worden genomen door de koning van Babylonië.’

18Daarna zei Jeremia tegen koning Sedekia: ‘Waarom hebt u mij in de gevangenis gezet? Ik heb niets verkeerds gezegd! Ik heb u, uw dienaren en het volk alleen maar gewaarschuwd. 19Die profeten van u hadden ongelijk! Zij beweerden dat de koning van Babylonië ons niet zou aanvallen. 20Alstublieft, koning, ik smeek u om naar mij te luisteren. Stuur mij niet terug naar de gevangenis in het huis van Jonatan, want daar ga ik dood.’

21Toen liet de koning Jeremia naar de kazerne bij het paleis brengen. Daar moest hij blijven. Elke dag kreeg hij een brood van de bakkers uit Jeruzalem. Totdat al het brood in de hele stad op was. Al die tijd bleef Jeremia in de kazerne bij het paleis.

38

De leiders willen Jeremia doden

381-3Intussen bleef Jeremia aan het hele volk deze boodschap vertellen: ‘De Heer zegt: ‘Als je in Jeruzalem blijft, zul je sterven, door de oorlog, door hongersnood of door de pest. Maar als je de stad verlaat en naar de Babyloniërs gaat, blijf je leven. Alleen zo kun je je leven redden. Want Jeruzalem wordt aan de koning van Babylonië gegeven. Zijn leger zal de stad veroveren.’’

Toen de leiders van Jeruzalem dat hoorden, gingen ze naar de koning. Het waren Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia. 4Zij zeiden tegen de koning: ‘Jeremia moet gedood worden! Zijn woorden hebben een gevaarlijke invloed op de mensen en op de soldaten die nog in de stad zijn. Hij zorgt ervoor dat iedereen de moed verliest! Hij wil helemaal niet het beste voor het volk, hij wil juist dat het slecht met hen afloopt!’

5‘Doe met Jeremia wat je wilt,’ zei de koning. ‘Ik kan jullie niet tegenhouden.’ 6Toen namen ze Jeremia mee. Ze brachten hem naar de put van prins Malkia, in de kazerne bij het paleis. Met touwen lieten ze Jeremia in de put zakken. In de put zat geen water, maar wel modder. En daar zakte Jeremia in weg.

Jeremia wordt uit de put gehaald

7-8Ebed-Melech, een Nubiër die voor de koning werkte, was op dat moment in het paleis. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, ging hij meteen naar de koning, bij de Benjamin-poort. Hij zei: 9‘Koning, die mannen hebben een zware misdaad gepleegd! Ze hebben Jeremia in een put gegooid om hem te laten sterven van de honger. Maar er is toch al geen eten meer in de stad! Waarom moet hij doodgaan op zo’n vreselijke plek?’

10Toen gaf de koning dit bevel aan Ebed-Melech: ‘Ga met dertig mannen naar die put toe, en haal Jeremia eruit, voordat hij sterft!’

11Ebed-Melech nam dertig mannen mee naar de put. Eerst ging hij naar de kelders van het paleis om oude lappen te halen. Die liet hij met touwen naar beneden zakken in de put. 12En hij zei tegen Jeremia: ‘Doe die lappen onder je armen, en doe dan de touwen eromheen.’

Toen Jeremia dat gedaan had, 13trokken ze hem omhoog. Zo werd Jeremia uit de put gehaald.

Daarna bleef hij weer in de kazerne bij het paleis.

Sedekia laat Jeremia bij zich komen

14Op een dag liet koning Sedekia Jeremia opnieuw bij zich komen, nu bij de derde poort van de tempel. Sedekia zei: ‘Vertel me wat Gods boodschap is. Houd het niet voor mij verborgen.’ 15Jeremia antwoordde: ‘Maar als ik het u vertel, laat u mij doden. En u luistert toch niet als ik u raad geef.’

16Toen deed de koning in het geheim deze plechtige belofte: ‘Jeremia, ik zal je niet doden. En ik zal je niet uitleveren aan de leiders die jou willen doden. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die ons het leven gegeven heeft.’

Jeremia geeft Sedekia raad

17Toen zei Jeremia tegen Sedekia: ‘Dit zegt de Heer, de machtige God, de God van Israël: ‘Ga de stad uit en geef je over aan de legerleiders van de Babyloniërs. Dan zul je in leven blijven, en zal Jeruzalem niet verbrand worden. Dan zullen jij en je familie blijven leven. 18Maar als je je niet overgeeft, dan wordt Jeruzalem aan de Babyloniërs gegeven. Zij zullen de stad helemaal platbranden. En dan kun jij ook niet ontsnappen.’’

Sedekia is bang

19Toen zei Sedekia tegen Jeremia: ‘Ik kan me niet overgeven! Ik ben bang voor de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hebben. Als ik aan die Judeeërs uitgeleverd word, zullen ze mij mishandelen.’

20Jeremia zei: ‘De Babyloniërs zullen u niet uitleveren aan die Judeeërs. Luister toch naar de stem van de Heer! Doe wat ik namens hem tegen u zeg. Dan zult u in leven blijven, en dan zal het goed met u gaan.

21Maar als u weigert om u over te geven, dan loopt het slecht af. De Heer heeft mij laten zien wat er dan zal gebeuren: 22Alle vrouwen die nog in het paleis wonen, zullen naar de legerleiders van de Babyloniërs gebracht worden. Dan zullen ze over u zeggen: ‘De koning is bedrogen door zijn vrienden. Ze dwongen hem om in opstand te komen. Nu zit hij diep in de ellende, en zijn vrienden hebben hem in de steek gelaten.’

23Luister, Sedekia. Al uw vrouwen en kinderen zullen naar de Babyloniërs gebracht worden. En ook uzelf zult niet kunnen ontsnappen. De koning van Babylonië zal u gevangennemen. En Jeruzalem zal helemaal platgebrand worden.’

Jeremia’s boodschap blijft geheim

24Toen zei Sedekia tegen Jeremia: ‘Niemand mag weten wat je mij verteld hebt. Anders zullen ze je doden.

25Als de leiders horen over onze ontmoeting, zullen ze naar je toe komen. Ze zullen je vragen: ‘Wat heb jij tegen de koning gezegd? En wat zei de koning tegen jou? Vertel op, anders doden we je!’ 26Zeg dan dat je mij om hulp gesmeekt hebt met de woorden: ‘Alstublieft, laat mij niet teruggaan naar de gevangenis in het huis van Jonatan. Want daar ga ik dood!’’

27De leiders kwamen inderdaad bij Jeremia en vroegen hem naar het gesprek met de koning. Jeremia zei precies wat hij van de koning moest zeggen. Toen lieten de leiders hem verder met rust. Want niemand van hen kwam te weten wat Jeremia echt tegen de koning gezegd had.

28Jeremia bleef in de kazerne bij het paleis totdat Jeruzalem veroverd werd door de Babyloniërs.

39

Jeruzalem wordt veroverd

De Babyloniërs veroveren Jeruzalem

391Nebukadnessar, de koning van Babylonië, kwam met zijn hele leger naar Jeruzalem. Hij omsingelde de stad. Dat gebeurde toen Sedekia negen jaar koning was, in de tiende maand van dat jaar. 2Na anderhalf jaar werd er een groot gat in de stadsmuur geslagen. Zo kwam het leger van de Babyloniërs Jeruzalem binnen. Dat gebeurde toen Sedekia elf jaar koning was, in de vierde maand van dat jaar.

3De hoge officieren van koning Nebukadnessar kwamen bij elkaar in de Middenpoort. De drie hoogste officieren waren Nergal-Sareser, Nebusarsechim en nog een andere Nergal-Sareser.

Sedekia wordt gevangengenomen

4Koning Sedekia en zijn soldaten zagen dat de stad veroverd werd. Ze besloten om de stad uit te vluchten. Ze ontsnapten ’s nachts via de koninklijke tuinen door de poort tussen de twee stadsmuren.

Sedekia vluchtte in de richting van de Jordaan. 5Maar het leger van de Babyloniërs ging achter hem aan. In de buurt van Jericho haalden ze hem in. Ze namen hem gevangen en brachten hem naar koning Nebukadnessar, in Ribla in het land Hamat. Nebukadnessar bepaalde welke straf Sedekia zou krijgen.

6Eerst moest Sedekia zien hoe zijn eigen zonen vermoord werden, en ook alle belangrijke Judeeërs. 7Toen werden zijn ogen uitgestoken. Daarna werd hij vastgebonden met kettingen, en naar Babel gebracht.

Jeruzalem wordt vernietigd

8De Babyloniërs staken het paleis in Jeruzalem in brand, en ook alle huizen. En ze braken de stadsmuren af.

9Alle inwoners van de stad die nog in leven waren, werden als gevangenen meegenomen naar Babylonië. Ook de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hadden, moesten mee. Dat gebeurde onder leiding van Nebuzaradan, de hoogste generaal van Nebukadnessar.

10Alleen de armste mensen, die niets hadden, mochten in Juda blijven. Zij kregen van Nebuzaradan alle wijngaarden en akkers in het land.

Jeremia wordt bevrijd

11Koning Nebukadnessar gaf aan Nebuzaradan de volgende opdracht: 12‘Haal Jeremia uit de gevangenis en bescherm hem. Doe hem geen kwaad. Laat hem zelf zeggen wat er met hem moet gebeuren.’

13Nebuzaradan deed wat Nebukadnessar gezegd had. Hij deed dat samen met Nebusazban, Nergal-Sareser en de andere hoge officieren van de koning.

14Jeremia werd uit de kazerne bij het paleis gehaald. Hij werd gebracht naar Gedalja, de zoon van Achikam en de kleinzoon van Safan. Die gaf hem een plek om te wonen. Vanaf toen leefde Jeremia weer vrij tussen de mensen.

Ebed-Melech wordt niet gedood

15Toen Jeremia nog gevangen zat in de kazerne bij het paleis, had de Heer tegen hem gezegd: 16‘Ga naar Ebed-Melech, de Nubiër, en vertel hem deze boodschap van mij: ‘Ik ben de machtige Heer, de God van Israël. Ik heb niet beloofd dat ik Jeruzalem zou redden. Nee, ik heb juist gezegd dat het slecht met de stad zou aflopen. En dat gaat nu gebeuren. En jij, Ebed-Melech, jij zult zien dat het gebeurt.

17Maar ik zal jou redden. Jij zult niet gegrepen worden door de Babyloniërs, voor wie je zo bang bent. 18Ik zal jou laten ontsnappen. Jij zult niet gedood worden. Jij zult gered worden, omdat je op mij vertrouwd hebt. Dat is mijn boodschap.’’