Bijbel in Gewone Taal (BGT)
36

Het boek met Gods woorden

Jeremia schrijft Gods woorden op

361De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was.

De Heer zei: 2‘Schrijf in een boek alles op wat ik gezegd heb over Israël, Juda en de andere volken. Schrijf alle woorden op die ik tegen jou gezegd heb, vanaf de tijd van Josia tot nu. 3Misschien zal het volk van Juda dan luisteren. Misschien schrikken ze van alle rampen waarmee ik hen wil straffen. En misschien stoppen ze dan met hun slechte gedrag. Dan zal ik al hun zonden vergeven.’

4Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, bij zich. Jeremia vertelde Baruch precies wat hij moest opschrijven. En Baruch schreef alles op in een boek, alle woorden die de Heer tegen Jeremia gezegd had.

Baruch leest het boek voor

5Jeremia gaf Baruch een opdracht. Hij zei: ‘Het is voor mij niet mogelijk om naar de tempel te gaan. 6Daarom moet jij gaan. Ga op een dag dat er gevast wordt voor de Heer. Want dan zijn er mensen uit het hele land in de tempel.

Lees dan aan iedereen de woorden van de Heer voor uit het boek, alle woorden die ik je heb laten opschrijven. 7De Heer gaat het volk straffen omdat hij zo kwaad op hen is. Alle mensen moeten dat horen. Misschien smeken ze hem dan om vergeving, en stoppen ze met hun slechte gedrag.’

Micha waarschuwt de bestuurders

8Baruch deed wat Jeremia tegen hem gezegd had. In de tempel las hij alle woorden van de Heer voor uit het boek. 9Dat gebeurde toen Jojakim vijf jaar koning van Juda was. In de negende maand van dat jaar was er een dag uitgekozen om te vasten voor de Heer. Alle inwoners van Jeruzalem en Juda waren naar de tempel gekomen. 10En Baruch las hun alle woorden van Jeremia voor uit het boek. Dat gebeurde bij de Nieuwe Poort, op het hoogste gedeelte van het tempelplein. Baruch stond in de zaal van de schrijver Gemarja.

11Micha, de zoon van Gemarja, hoorde alles wat Baruch voorlas. 12Hij ging meteen naar het paleis, naar de zaal van de schrijver Elisama. Daar zaten de bestuurders bij elkaar: Elisama, de schrijver van de koning, Delaja, de zoon van Semaja, Elnatan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Sedekia, de zoon van Chananja, en de andere bestuurders.

13Micha vertelde hun wat hij gehoord had. Hij vertelde wat Baruch aan het volk voorgelezen had.

Baruch komt bij de bestuurders

14De bestuurders stuurden meteen Jehudi naar Baruch toe. Jehudi was een zoon van Netanja en een kleinzoon van Selemja, die een zoon was van Kusi. Jehudi moest tegen Baruch zeggen: ‘Kom direct naar de bestuurders met het boek dat je voorgelezen hebt.’

Baruch kwam met het boek bij de bestuurders. 15Die zeiden tegen hem: ‘Ga zitten en lees ons het boek voor.’ Baruch las hun het hele boek voor.

16Toen de bestuurders alles gehoord hadden, keken ze elkaar geschrokken aan. Ze zeiden tegen Baruch: ‘Dat moeten we beslist aan de koning vertellen. 17Maar zeg eens, hoe heb jij al die woorden van Jeremia kunnen opschrijven?’ 18Baruch zei: ‘Jeremia heeft al die dingen zelf tegen mij gezegd. En ik heb het allemaal direct opgeschreven in dit boek.’

De bestuurders gaan naar de koning

19Toen zeiden de bestuurders tegen Baruch: ‘Verberg je, samen met Jeremia. Niemand mag weten waar jullie zijn.’

20De bestuurders gingen naar de koning toe om hem alles te vertellen. Het boek legden ze neer in de zaal van Elisama.

Het boek wordt verbrand

21-22De koning stuurde Jehudi naar de zaal van Elisama om het boek te halen.

Het was winter, de negende maand van het jaar. De koning zat in de winterzaal, waar een vuur brandde. Jehudi kwam terug met het boek. Hij las het voor aan de koning en aan zijn dienaren, die om de koning heen stonden. 23-25De koning en zijn dienaren schrokken niet van wat er in het boek stond. Ze scheurden hun kleren niet.

Telkens als Jehudi een stuk voorgelezen had, sneed de koning dat met een mes uit het boek en gooide het in het vuur. Dat deed hij totdat het hele boek verbrand was. Elnatan, Delaja en Gemarja smeekten de koning om het boek niet te verbranden. Maar de koning luisterde niet.

26Daarna riep de koning drie mannen bij zich. Dat waren prins Jerachmeël, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdiël. Zij moesten de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangennemen. Maar de Heer zorgde ervoor dat ze Baruch en Jeremia niet konden vinden.

Jeremia krijgt een nieuwe opdracht

27Toen de koning het boek met de woorden van Jeremia verbrand had, zei de Heer tegen Jeremia: 28‘Pak een nieuw, leeg boek. Schrijf daarin alles op wat in het eerste boek stond.

29Ga daarna naar koning Jojakim. Zeg tegen hem: ‘Dit stond er in het boek: ‘De koning van Babylonië zal komen met zijn leger. Ze zullen het land Juda verwoesten, zodat er geen mens of dier meer zal wonen.’ Koning Jojakim, u was woedend over die woorden. Daarom hebt u dat boek verbrand.

30Nu zegt de Heer dit over u: ‘Jojakim, je zonen zullen geen koning zijn. En als jij sterft, wordt je lichaam de stad uit gegooid. Het zal dag en nacht buiten liggen. 31Ik, de Heer, ga jou, je zonen en je dienaren straffen voor jullie slechtheid. Ik stuur rampen af op de inwoners van Jeruzalem en Juda. Want ik heb hen gewaarschuwd, maar zij wilden niet luisteren.’ Dat zegt de Heer.’’

Baruch schrijft alles opnieuw op

32Jeremia pakte een nieuw boek en gaf het aan de schrijver Baruch. Die schreef alles op wat Jeremia zei. Eerst alle woorden die in het boek stonden dat koning Jojakim verbrand had. En daarna nog evenveel nieuwe woorden van de Heer.

37

De aanval op Jeruzalem

Sedekia vraagt om hulp

371Sedekia, de zoon van Josia, was koning van Juda geworden. Nebukadnessar, de koning van Babylonië, had Sedekia koning gemaakt in plaats van Jechonja, de zoon van Jojakim. 2In de tijd van Sedekia vertelde Jeremia steeds wat de Heer gezegd had. Maar Sedekia, zijn dienaren en het volk van Juda luisterden niet.

3-5Na een aantal jaren kwam het leger van de Babyloniërs naar Jeruzalem. Ze omsingelden de stad. Maar ze gingen weg toen ze hoorden dat de farao van Egypte eraan kwam met zijn leger.

Toen stuurde koning Sedekia twee boodschappers naar de profeet Jeremia. In die tijd kon Jeremia nog vrij rondlopen, hij zat nog niet gevangen. De boodschappers waren Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja. Zij moesten tegen Jeremia zeggen: ‘Bid toch voor ons! Bid tot de Heer, onze God.’

De Heer geeft Sedekia antwoord

6Toen gaf Jeremia de boodschappers een bericht voor de koning. Hij zei: ‘Dit zegt de Heer: 7‘Sedekia, jij vraagt mij wat er gaat gebeuren. En ik, de Heer, de God van Israël, zeg: Het leger van de farao, dat jullie zou helpen tegen de Babyloniërs, zal teruggaan naar Egypte. 8De Babyloniërs zullen dan opnieuw naar Jeruzalem komen. Ze zullen de stad aanvallen, veroveren en helemaal platbranden.

9Sedekia, denk maar niet dat de Babyloniërs weg zullen blijven! Ze komen terug, 10en dan zullen ze Jeruzalem verwoesten. Stel dat jullie de Babyloniërs zouden verslaan. En stel dat er van hen alleen een paar gewonden zouden overblijven. Dan laat ik die gewonden hun tent uit komen om Jeruzalem helemaal plat te branden!’’

Jeremia wordt gevangengenomen

11De Babyloniërs hadden Jeruzalem verlaten om te gaan vechten tegen het leger van Egypte. 12In die tijd wilde Jeremia naar het gebied Benjamin gaan. Hij probeerde Jeruzalem te verlaten, en hoopte dat hij in de drukte niet zou opvallen. 13Maar in de Benjamin-poort werd hij herkend door Jiria, een officier van het leger. Jiria was een zoon van Selemja en een kleinzoon van Chananja.

Jiria liet Jeremia oppakken, en hij zei tegen hem: ‘Jij kiest de kant van de Babyloniërs!’ 14Jeremia zei: ‘Dat is een leugen! Ik kies hun kant helemaal niet!’ Maar de officier luisterde niet en bracht hem bij de leiders van Jeruzalem.

15De leiders werden woedend op Jeremia. Ze lieten hem stokslagen geven, en sloten hem op in het huis van de schrijver Jonatan. Dat huis werd gebruikt als gevangenis. 16Jeremia zat opgesloten in een put onder het huis. Daar moest hij een hele tijd blijven.

Jeremia praat met koning Sedekia

17Op een dag liet koning Sedekia Jeremia uit de gevangenis halen. Jeremia werd naar het paleis gebracht. In het geheim vroeg de koning aan Jeremia: ‘Is er een boodschap van de Heer voor mij?’ ‘Ja,’ zei Jeremia, ‘u zult gevangen worden genomen door de koning van Babylonië.’

18Daarna zei Jeremia tegen koning Sedekia: ‘Waarom hebt u mij in de gevangenis gezet? Ik heb niets verkeerds gezegd! Ik heb u, uw dienaren en het volk alleen maar gewaarschuwd. 19Die profeten van u hadden ongelijk! Zij beweerden dat de koning van Babylonië ons niet zou aanvallen. 20Alstublieft, koning, ik smeek u om naar mij te luisteren. Stuur mij niet terug naar de gevangenis in het huis van Jonatan, want daar ga ik dood.’

21Toen liet de koning Jeremia naar de kazerne bij het paleis brengen. Daar moest hij blijven. Elke dag kreeg hij een brood van de bakkers uit Jeruzalem. Totdat al het brood in de hele stad op was. Al die tijd bleef Jeremia in de kazerne bij het paleis.

38

De leiders willen Jeremia doden

381-3Intussen bleef Jeremia aan het hele volk deze boodschap vertellen: ‘De Heer zegt: ‘Als je in Jeruzalem blijft, zul je sterven, door de oorlog, door hongersnood of door de pest. Maar als je de stad verlaat en naar de Babyloniërs gaat, blijf je leven. Alleen zo kun je je leven redden. Want Jeruzalem wordt aan de koning van Babylonië gegeven. Zijn leger zal de stad veroveren.’’

Toen de leiders van Jeruzalem dat hoorden, gingen ze naar de koning. Het waren Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia. 4Zij zeiden tegen de koning: ‘Jeremia moet gedood worden! Zijn woorden hebben een gevaarlijke invloed op de mensen en op de soldaten die nog in de stad zijn. Hij zorgt ervoor dat iedereen de moed verliest! Hij wil helemaal niet het beste voor het volk, hij wil juist dat het slecht met hen afloopt!’

5‘Doe met Jeremia wat je wilt,’ zei de koning. ‘Ik kan jullie niet tegenhouden.’ 6Toen namen ze Jeremia mee. Ze brachten hem naar de put van prins Malkia, in de kazerne bij het paleis. Met touwen lieten ze Jeremia in de put zakken. In de put zat geen water, maar wel modder. En daar zakte Jeremia in weg.

Jeremia wordt uit de put gehaald

7-8Ebed-Melech, een Nubiër die voor de koning werkte, was op dat moment in het paleis. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, ging hij meteen naar de koning, bij de Benjamin-poort. Hij zei: 9‘Koning, die mannen hebben een zware misdaad gepleegd! Ze hebben Jeremia in een put gegooid om hem te laten sterven van de honger. Maar er is toch al geen eten meer in de stad! Waarom moet hij doodgaan op zo’n vreselijke plek?’

10Toen gaf de koning dit bevel aan Ebed-Melech: ‘Ga met dertig mannen naar die put toe, en haal Jeremia eruit, voordat hij sterft!’

11Ebed-Melech nam dertig mannen mee naar de put. Eerst ging hij naar de kelders van het paleis om oude lappen te halen. Die liet hij met touwen naar beneden zakken in de put. 12En hij zei tegen Jeremia: ‘Doe die lappen onder je armen, en doe dan de touwen eromheen.’

Toen Jeremia dat gedaan had, 13trokken ze hem omhoog. Zo werd Jeremia uit de put gehaald.

Daarna bleef hij weer in de kazerne bij het paleis.

Sedekia laat Jeremia bij zich komen

14Op een dag liet koning Sedekia Jeremia opnieuw bij zich komen, nu bij de derde poort van de tempel. Sedekia zei: ‘Vertel me wat Gods boodschap is. Houd het niet voor mij verborgen.’ 15Jeremia antwoordde: ‘Maar als ik het u vertel, laat u mij doden. En u luistert toch niet als ik u raad geef.’

16Toen deed de koning in het geheim deze plechtige belofte: ‘Jeremia, ik zal je niet doden. En ik zal je niet uitleveren aan de leiders die jou willen doden. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die ons het leven gegeven heeft.’

Jeremia geeft Sedekia raad

17Toen zei Jeremia tegen Sedekia: ‘Dit zegt de Heer, de machtige God, de God van Israël: ‘Ga de stad uit en geef je over aan de legerleiders van de Babyloniërs. Dan zul je in leven blijven, en zal Jeruzalem niet verbrand worden. Dan zullen jij en je familie blijven leven. 18Maar als je je niet overgeeft, dan wordt Jeruzalem aan de Babyloniërs gegeven. Zij zullen de stad helemaal platbranden. En dan kun jij ook niet ontsnappen.’’

Sedekia is bang

19Toen zei Sedekia tegen Jeremia: ‘Ik kan me niet overgeven! Ik ben bang voor de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hebben. Als ik aan die Judeeërs uitgeleverd word, zullen ze mij mishandelen.’

20Jeremia zei: ‘De Babyloniërs zullen u niet uitleveren aan die Judeeërs. Luister toch naar de stem van de Heer! Doe wat ik namens hem tegen u zeg. Dan zult u in leven blijven, en dan zal het goed met u gaan.

21Maar als u weigert om u over te geven, dan loopt het slecht af. De Heer heeft mij laten zien wat er dan zal gebeuren: 22Alle vrouwen die nog in het paleis wonen, zullen naar de legerleiders van de Babyloniërs gebracht worden. Dan zullen ze over u zeggen: ‘De koning is bedrogen door zijn vrienden. Ze dwongen hem om in opstand te komen. Nu zit hij diep in de ellende, en zijn vrienden hebben hem in de steek gelaten.’

23Luister, Sedekia. Al uw vrouwen en kinderen zullen naar de Babyloniërs gebracht worden. En ook uzelf zult niet kunnen ontsnappen. De koning van Babylonië zal u gevangennemen. En Jeruzalem zal helemaal platgebrand worden.’

Jeremia’s boodschap blijft geheim

24Toen zei Sedekia tegen Jeremia: ‘Niemand mag weten wat je mij verteld hebt. Anders zullen ze je doden.

25Als de leiders horen over onze ontmoeting, zullen ze naar je toe komen. Ze zullen je vragen: ‘Wat heb jij tegen de koning gezegd? En wat zei de koning tegen jou? Vertel op, anders doden we je!’ 26Zeg dan dat je mij om hulp gesmeekt hebt met de woorden: ‘Alstublieft, laat mij niet teruggaan naar de gevangenis in het huis van Jonatan. Want daar ga ik dood!’’

27De leiders kwamen inderdaad bij Jeremia en vroegen hem naar het gesprek met de koning. Jeremia zei precies wat hij van de koning moest zeggen. Toen lieten de leiders hem verder met rust. Want niemand van hen kwam te weten wat Jeremia echt tegen de koning gezegd had.

28Jeremia bleef in de kazerne bij het paleis totdat Jeruzalem veroverd werd door de Babyloniërs.