Bijbel in Gewone Taal (BGT)
35

De Rechabieten

De Rechabieten komen naar de tempel

351De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda was. De Heer zei: 2‘Jeremia, ga naar de Rechabieten. Vraag hun om met je mee te gaan naar de tempel. Breng ze naar één van de zalen in de tempel, en zet daar wijn voor hen neer.’

3Jeremia ging naar de Rechabieten toe en bracht hen naar de tempel. Hun leider heette Jaäzanja. Hij was een zoon van Jirmeja en een kleinzoon van Chabassinja. Hij ging mee, samen met al zijn broers en zonen, en hun families. Alle Rechabieten gingen mee.

4Jeremia bracht hen naar één van de zalen van de tempel. Het was de zaal waar de groep van de profeet Chanan, de zoon van Jigdaljahu, bij elkaar kwam. Die zaal lag naast de zaal van de bestuurders en boven de kamer van Maäseja. Maäseja was een zoon van Sallum, het hoofd van de tempelbewakers.

5Toen de Rechabieten zaten, bracht Jeremia kannen met wijn, en bekers. En hij zei: ‘Hier is wijn voor jullie.’

De regels van de Rechabieten

6Toen zeiden de Rechabieten: ‘Wij drinken geen wijn! Dat is een regel in onze familie. Onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft gezegd: ‘Nooit mag iemand van onze familie wijn drinken!’ 7En hij zei ook: ‘Jullie mogen geen huizen bouwen, en geen akkers bezitten. En jullie mogen geen wijngaarden aanleggen of kopen. Nee, jullie moeten voor altijd in tenten blijven wonen. Dan zullen jullie lang leven in het land waar jullie rondtrekken.’

8Wij zijn gehoorzaam aan onze voorvader Jonadab. Wij houden ons aan alle regels die hij ons gegeven heeft. En onze vrouwen en kinderen doen dat ook. Niemand van ons drinkt wijn. 9We bouwen geen huizen om in te wonen. En we bezitten geen wijngaarden of akkers. 10We hebben altijd in tenten gewoond. Zo hebben wij ons steeds gehouden aan alle regels die onze voorvader Jonadab ons gegeven heeft.

11Maar toen Nebukadnessar met al zijn legers het land Juda aanviel, besloten wij om naar Jeruzalem te gaan. Daarom wonen we nu in de stad.’

De Judeeërs gehoorzamen de Heer niet

12-13Toen stuurde de Heer Jeremia naar de inwoners van Juda en Jeruzalem, met deze boodschap: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Jullie willen steeds maar niet naar mij luisteren, jullie blijven eigenwijs!

Volg het voorbeeld van de Rechabieten! 14Jonadab, de zoon van Rechab, heeft zijn nakomelingen verboden om wijn te drinken. En naar zijn woorden werd geluisterd. Want zijn nakomelingen hebben zich aan de regels van hun voorvader gehouden. Ze hebben nooit wijn gedronken, en dat doen ze nog steeds niet.

Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd, hoe vaak ik ook tegen jullie sprak. 15Ik stuurde steeds opnieuw profeten naar jullie toe. Die zeiden: ‘Stop met jullie slechte gedrag! Ga leven als goede mensen. Vereer geen andere goden meer. Dan zullen jullie blijven wonen in het land dat de Heer aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heeft.’ Maar jullie luisterden niet. Jullie gehoorzaamden mij niet.

16De Rechabieten hebben zich altijd gehouden aan de regels van hun voorvader Jonadab. Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd. 17Daarom ga ik jullie straffen, inwoners van Juda en Jeruzalem. Ik, de Heer, de machtige God van Israël, laat alle rampen komen waarover ik gesproken heb. Want toen ik jullie waarschuwde, wilden jullie niet luisteren. Toen ik jullie riep, gaven jullie geen antwoord.’’

Gods belofte voor de Rechabieten

18Daarna bracht Jeremia deze boodschap aan de Rechabieten: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Jullie zijn gehoorzaam geweest aan jullie voorvader Jonadab. Jullie hebben je aan al zijn regels gehouden. Jullie deden precies wat hij tegen jullie gezegd heeft. 19Daarom zeg ik, de machtige Heer, de God van Israël: De familie van Jonadab, de zoon van Rechab, zal altijd blijven bestaan. En zijn nakomelingen zullen mij altijd dienen.’’

36

Het boek met Gods woorden

Jeremia schrijft Gods woorden op

361De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was.

De Heer zei: 2‘Schrijf in een boek alles op wat ik gezegd heb over Israël, Juda en de andere volken. Schrijf alle woorden op die ik tegen jou gezegd heb, vanaf de tijd van Josia tot nu. 3Misschien zal het volk van Juda dan luisteren. Misschien schrikken ze van alle rampen waarmee ik hen wil straffen. En misschien stoppen ze dan met hun slechte gedrag. Dan zal ik al hun zonden vergeven.’

4Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, bij zich. Jeremia vertelde Baruch precies wat hij moest opschrijven. En Baruch schreef alles op in een boek, alle woorden die de Heer tegen Jeremia gezegd had.

Baruch leest het boek voor

5Jeremia gaf Baruch een opdracht. Hij zei: ‘Het is voor mij niet mogelijk om naar de tempel te gaan. 6Daarom moet jij gaan. Ga op een dag dat er gevast wordt voor de Heer. Want dan zijn er mensen uit het hele land in de tempel.

Lees dan aan iedereen de woorden van de Heer voor uit het boek, alle woorden die ik je heb laten opschrijven. 7De Heer gaat het volk straffen omdat hij zo kwaad op hen is. Alle mensen moeten dat horen. Misschien smeken ze hem dan om vergeving, en stoppen ze met hun slechte gedrag.’

Micha waarschuwt de bestuurders

8Baruch deed wat Jeremia tegen hem gezegd had. In de tempel las hij alle woorden van de Heer voor uit het boek. 9Dat gebeurde toen Jojakim vijf jaar koning van Juda was. In de negende maand van dat jaar was er een dag uitgekozen om te vasten voor de Heer. Alle inwoners van Jeruzalem en Juda waren naar de tempel gekomen. 10En Baruch las hun alle woorden van Jeremia voor uit het boek. Dat gebeurde bij de Nieuwe Poort, op het hoogste gedeelte van het tempelplein. Baruch stond in de zaal van de schrijver Gemarja.

11Micha, de zoon van Gemarja, hoorde alles wat Baruch voorlas. 12Hij ging meteen naar het paleis, naar de zaal van de schrijver Elisama. Daar zaten de bestuurders bij elkaar: Elisama, de schrijver van de koning, Delaja, de zoon van Semaja, Elnatan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Sedekia, de zoon van Chananja, en de andere bestuurders.

13Micha vertelde hun wat hij gehoord had. Hij vertelde wat Baruch aan het volk voorgelezen had.

Baruch komt bij de bestuurders

14De bestuurders stuurden meteen Jehudi naar Baruch toe. Jehudi was een zoon van Netanja en een kleinzoon van Selemja, die een zoon was van Kusi. Jehudi moest tegen Baruch zeggen: ‘Kom direct naar de bestuurders met het boek dat je voorgelezen hebt.’

Baruch kwam met het boek bij de bestuurders. 15Die zeiden tegen hem: ‘Ga zitten en lees ons het boek voor.’ Baruch las hun het hele boek voor.

16Toen de bestuurders alles gehoord hadden, keken ze elkaar geschrokken aan. Ze zeiden tegen Baruch: ‘Dat moeten we beslist aan de koning vertellen. 17Maar zeg eens, hoe heb jij al die woorden van Jeremia kunnen opschrijven?’ 18Baruch zei: ‘Jeremia heeft al die dingen zelf tegen mij gezegd. En ik heb het allemaal direct opgeschreven in dit boek.’

De bestuurders gaan naar de koning

19Toen zeiden de bestuurders tegen Baruch: ‘Verberg je, samen met Jeremia. Niemand mag weten waar jullie zijn.’

20De bestuurders gingen naar de koning toe om hem alles te vertellen. Het boek legden ze neer in de zaal van Elisama.

Het boek wordt verbrand

21-22De koning stuurde Jehudi naar de zaal van Elisama om het boek te halen.

Het was winter, de negende maand van het jaar. De koning zat in de winterzaal, waar een vuur brandde. Jehudi kwam terug met het boek. Hij las het voor aan de koning en aan zijn dienaren, die om de koning heen stonden. 23-25De koning en zijn dienaren schrokken niet van wat er in het boek stond. Ze scheurden hun kleren niet.

Telkens als Jehudi een stuk voorgelezen had, sneed de koning dat met een mes uit het boek en gooide het in het vuur. Dat deed hij totdat het hele boek verbrand was. Elnatan, Delaja en Gemarja smeekten de koning om het boek niet te verbranden. Maar de koning luisterde niet.

26Daarna riep de koning drie mannen bij zich. Dat waren prins Jerachmeël, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdiël. Zij moesten de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangennemen. Maar de Heer zorgde ervoor dat ze Baruch en Jeremia niet konden vinden.

Jeremia krijgt een nieuwe opdracht

27Toen de koning het boek met de woorden van Jeremia verbrand had, zei de Heer tegen Jeremia: 28‘Pak een nieuw, leeg boek. Schrijf daarin alles op wat in het eerste boek stond.

29Ga daarna naar koning Jojakim. Zeg tegen hem: ‘Dit stond er in het boek: ‘De koning van Babylonië zal komen met zijn leger. Ze zullen het land Juda verwoesten, zodat er geen mens of dier meer zal wonen.’ Koning Jojakim, u was woedend over die woorden. Daarom hebt u dat boek verbrand.

30Nu zegt de Heer dit over u: ‘Jojakim, je zonen zullen geen koning zijn. En als jij sterft, wordt je lichaam de stad uit gegooid. Het zal dag en nacht buiten liggen. 31Ik, de Heer, ga jou, je zonen en je dienaren straffen voor jullie slechtheid. Ik stuur rampen af op de inwoners van Jeruzalem en Juda. Want ik heb hen gewaarschuwd, maar zij wilden niet luisteren.’ Dat zegt de Heer.’’

Baruch schrijft alles opnieuw op

32Jeremia pakte een nieuw boek en gaf het aan de schrijver Baruch. Die schreef alles op wat Jeremia zei. Eerst alle woorden die in het boek stonden dat koning Jojakim verbrand had. En daarna nog evenveel nieuwe woorden van de Heer.

37

De aanval op Jeruzalem

Sedekia vraagt om hulp

371Sedekia, de zoon van Josia, was koning van Juda geworden. Nebukadnessar, de koning van Babylonië, had Sedekia koning gemaakt in plaats van Jechonja, de zoon van Jojakim. 2In de tijd van Sedekia vertelde Jeremia steeds wat de Heer gezegd had. Maar Sedekia, zijn dienaren en het volk van Juda luisterden niet.

3-5Na een aantal jaren kwam het leger van de Babyloniërs naar Jeruzalem. Ze omsingelden de stad. Maar ze gingen weg toen ze hoorden dat de farao van Egypte eraan kwam met zijn leger.

Toen stuurde koning Sedekia twee boodschappers naar de profeet Jeremia. In die tijd kon Jeremia nog vrij rondlopen, hij zat nog niet gevangen. De boodschappers waren Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja. Zij moesten tegen Jeremia zeggen: ‘Bid toch voor ons! Bid tot de Heer, onze God.’

De Heer geeft Sedekia antwoord

6Toen gaf Jeremia de boodschappers een bericht voor de koning. Hij zei: ‘Dit zegt de Heer: 7‘Sedekia, jij vraagt mij wat er gaat gebeuren. En ik, de Heer, de God van Israël, zeg: Het leger van de farao, dat jullie zou helpen tegen de Babyloniërs, zal teruggaan naar Egypte. 8De Babyloniërs zullen dan opnieuw naar Jeruzalem komen. Ze zullen de stad aanvallen, veroveren en helemaal platbranden.

9Sedekia, denk maar niet dat de Babyloniërs weg zullen blijven! Ze komen terug, 10en dan zullen ze Jeruzalem verwoesten. Stel dat jullie de Babyloniërs zouden verslaan. En stel dat er van hen alleen een paar gewonden zouden overblijven. Dan laat ik die gewonden hun tent uit komen om Jeruzalem helemaal plat te branden!’’

Jeremia wordt gevangengenomen

11De Babyloniërs hadden Jeruzalem verlaten om te gaan vechten tegen het leger van Egypte. 12In die tijd wilde Jeremia naar het gebied Benjamin gaan. Hij probeerde Jeruzalem te verlaten, en hoopte dat hij in de drukte niet zou opvallen. 13Maar in de Benjamin-poort werd hij herkend door Jiria, een officier van het leger. Jiria was een zoon van Selemja en een kleinzoon van Chananja.

Jiria liet Jeremia oppakken, en hij zei tegen hem: ‘Jij kiest de kant van de Babyloniërs!’ 14Jeremia zei: ‘Dat is een leugen! Ik kies hun kant helemaal niet!’ Maar de officier luisterde niet en bracht hem bij de leiders van Jeruzalem.

15De leiders werden woedend op Jeremia. Ze lieten hem stokslagen geven, en sloten hem op in het huis van de schrijver Jonatan. Dat huis werd gebruikt als gevangenis. 16Jeremia zat opgesloten in een put onder het huis. Daar moest hij een hele tijd blijven.

Jeremia praat met koning Sedekia

17Op een dag liet koning Sedekia Jeremia uit de gevangenis halen. Jeremia werd naar het paleis gebracht. In het geheim vroeg de koning aan Jeremia: ‘Is er een boodschap van de Heer voor mij?’ ‘Ja,’ zei Jeremia, ‘u zult gevangen worden genomen door de koning van Babylonië.’

18Daarna zei Jeremia tegen koning Sedekia: ‘Waarom hebt u mij in de gevangenis gezet? Ik heb niets verkeerds gezegd! Ik heb u, uw dienaren en het volk alleen maar gewaarschuwd. 19Die profeten van u hadden ongelijk! Zij beweerden dat de koning van Babylonië ons niet zou aanvallen. 20Alstublieft, koning, ik smeek u om naar mij te luisteren. Stuur mij niet terug naar de gevangenis in het huis van Jonatan, want daar ga ik dood.’

21Toen liet de koning Jeremia naar de kazerne bij het paleis brengen. Daar moest hij blijven. Elke dag kreeg hij een brood van de bakkers uit Jeruzalem. Totdat al het brood in de hele stad op was. Al die tijd bleef Jeremia in de kazerne bij het paleis.