Bijbel in Gewone Taal (BGT)
27

De macht van Babylonië

Jeremia krijgt een opdracht

271De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Sedekia, de zoon van Josia, koning van Juda geworden was.

2De Heer zei: ‘Jeremia, maak van hout en leer een tuig waarmee dieren een kar trekken. Hang dat tuig om je nek. 3Maak daarna nog vijf andere tuigen. Die zijn bestemd voor de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon. Hun boodschappers komen binnenkort naar Jeruzalem voor overleg met koning Sedekia. Geef alle boodschappers een tuig mee. 4Ze moeten dat naar hun eigen koning brengen en hem mijn boodschap doorgeven.’

De boodschap voor de vijf koningen

Alle boodschappers moesten tegen hun koning zeggen: ‘Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: 5‘Ik heb met mijn grote kracht de aarde gemaakt, en alle mensen en dieren. Ik bepaal wie er op aarde de macht krijgt.

6Ik heb bepaald dat koning Nebukadnessar van Babylonië, mijn dienaar, de macht krijgt over alle landen. Zelfs de wilde dieren moeten hem gehoorzamen.

7Alle volken moeten hem dienen als slaven. En na hem moeten ze ook zijn zoon en zijn kleinzoon dienen. Daarna zal er een eind komen aan de macht van de Babyloniërs. Dan zullen de Babyloniërs zelf slaven worden van machtige volken en sterke koningen.

8Maar eerst moeten alle volken en landen Nebukadnessar dus dienen. Ze moeten hem gehoorzamen, als slaven met een tuig om hun nek. Alle volken die zich verzetten, zal ik straffen. Ik laat ze vernietigen door het leger van Nebukadnessar. Ze zullen sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes.’

Wees gehoorzaam aan Nebukadnessar

9-10De Heer zegt: ‘Koningen, pas op! Luister niet naar jullie profeten, waarzeggers, tovenaars of wijze mannen die dromen uitleggen. Want zij vertellen leugens aan jullie! Ze zeggen steeds dat jullie de koning van Babylonië niet hoeven te dienen.

De volken die luisteren naar die leugens, zullen uit hun land weggehaald worden. Ik zal hen wegjagen naar verre landen, en daar zullen ze sterven.

11Maar de volken die de koning van Babylonië gehoorzaam zijn en hem als slaven dienen, zal ik met rust laten. Zij mogen in hun eigen land blijven wonen, en daar zullen ze leven.’’

Koning Sedekia hoort de boodschap

12Jeremia ging naar koning Sedekia van Juda. Sedekia kreeg dezelfde boodschap als de andere koningen. Jeremia zei: ‘Gehoorzaam de koning van Babylonië! U en uw volk moeten hem en zijn volk dienen als slaven. Dan zullen jullie in leven blijven.

13U weet hoe het zal aflopen met een volk dat de koning van Babylonië niet wil dienen. Dat volk zal sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes. Dat zegt de Heer. 14Luister dus niet naar de profeten die zeggen: ‘We hoeven de koning van Babylonië niet te dienen.’ Want die profeten vertellen leugens! 15Dit zegt de Heer over hen: ‘Ik heb die profeten niet gestuurd. Ze zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze vertellen leugens. Door hun leugens worden de inwoners van Juda weggejaagd uit hun land. Het loopt slecht af met het volk en met de profeten.’’

Luister niet naar de profeten

16Jeremia sprak ook tegen de priesters en tegen het volk. Hij zei namens de Heer: ‘Luister niet naar jullie profeten. Zij zeggen: ‘De heilige voorwerpen die de Babyloniërs uit de tempel meegenomen hebben, zullen daar weer snel terug zijn.’

Dat is een leugen! 17Als jullie de koning van Babylonië dienen als slaven, dan zullen jullie in leven blijven. Maar jullie weten hoe het afloopt als jullie naar de profeten luisteren: dan blijft er van Jeruzalem alleen een hoop stenen over.

18O, waren de profeten maar echte profeten! Konden ze maar echt namens de Heer spreken! Dan zouden ze hem smeken: ‘Heer, laat de heilige voorwerpen die nog over zijn, hier blijven. Laat de tempel, het paleis en de stad niet leegroven door de Babyloniërs!’’

Alle heilige voorwerpen gaan naar Babel

19-22Nebukadnessar had al veel heilige voorwerpen uit de tempel meegenomen naar Babel. Dat was gebeurd toen koning Jechonja, de zoon van Jojakim, naar Babel gebracht was, samen met alle belangrijke mensen uit Jeruzalem.

Maar de voorwerpen van brons waren niet meegenomen: de zuilen, de grote waterbak en de waskarren. En verder waren er ook nog veel andere voorwerpen achtergebleven in de tempel en in het paleis.

Toen zei Jeremia: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Alles wat hier nog is, wordt meegenomen naar Babel. Daar zal het blijven totdat ik het zeg. En dan zal ik er zelf voor zorgen dat alles teruggebracht wordt naar Jeruzalem.’’

28

De boodschap van Chananja

281De profeet Chananja, de zoon van Azzur, uit Gibeon, kwam met een heel andere boodschap dan Jeremia. Dat gebeurde toen Sedekia vier jaar koning van Juda was, in de vijfde maand van dat jaar. Chananja sprak in de tempel tegen Jeremia. En de priesters en het hele volk hoorden het.

Chananja zei: 2‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik maak een eind aan de macht van Babylonië! 3Nebukadnessar heeft veel heilige voorwerpen uit de tempel meegenomen naar Babel. Die heilige voorwerpen breng ik binnen twee jaar terug. 4En ik breng ook koning Jechonja terug, samen met alle Judeeërs die als gevangenen naar Babel gebracht zijn. Ik breng hen allemaal terug naar Jeruzalem. Want ik maak een eind aan de macht van Babylonië.’ Dat zegt de Heer.’

Jeremia geeft Chananja antwoord

5Toen gaf Jeremia antwoord aan Chananja. De priesters en het hele volk dat in de tempel aanwezig was, hoorden het. 6Jeremia zei: ‘Ja! Ik hoop dat de Heer zal doen wat jij zegt. Ik hoop dat hij alle heilige voorwerpen terugbrengt naar de tempel. En dat hij alle Judeeërs die naar Babel gebracht zijn, terugbrengt naar Jeruzalem.

7Maar luister nu naar wat ik te zeggen heb tegen jou en tegen het hele volk. 8Al eeuwenlang zijn er profeten geweest, lang voordat jij en ik er waren. En telkens vertelden die profeten dat het slecht zou aflopen met andere landen en machtige koninkrijken. Ze voorspelden oorlog, rampen en vreselijke ziektes. 9Maar stel nu dat een profeet voorspelt dat het met een machtig koninkrijk juist heel goed zal gaan. Als dat dan inderdaad gebeurt, weet iedereen dat die profeet echt door de Heer gestuurd is.’

Chananja breekt het tuig in stukken

10Jeremia droeg nog steeds een tuig om zijn nek. Hij had dat tuig gemaakt van hout en leer. Chananja trok het tuig van Jeremia’s nek en maakte het kapot. 11Hij zei: ‘De Heer zegt: ‘Kijk, zo maak ik binnen twee jaar de macht van Nebukadnessar kapot. Dan zal hij niet langer heersen over alle volken.’’

Het hele volk had gezien wat er gebeurde. En Jeremia ging weg uit de tempel.

Jeremia zegt dat Chananja zal sterven

12Kort daarna stuurde de Heer Jeremia weer op weg. 13Hij moest naar Chananja gaan en tegen hem zeggen: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Je hebt een tuig van hout in stukken gebroken. Maar daar komt een tuig van ijzer voor in de plaats! 14Want ik hang een tuig van ijzeren staven om de nek van alle volken. Alle mensen moeten koning Nebukadnessar van Babylonië dienen als slaven. Ja, zelfs de wilde dieren moeten hem gehoorzamen.’’

15Daarna zei Jeremia tegen Chananja: ‘Luister goed, Chananja! De Heer heeft jou niet gestuurd. Jij laat het volk vertrouwen op leugens. 16Daarom zegt de Heer tegen jou: ‘Deze keer zal ik je wel sturen, maar dan naar het land van de dood! Je zult nog dit jaar sterven. Want met jouw woorden heb je het volk tegen mij in opstand laten komen.’’

17En de profeet Chananja stierf nog in datzelfde jaar, in de zevende maand.

29

De brief van Jeremia

Een brief voor de Judeeërs in Babel

291-2Koning Nebukadnessar had veel mensen uit Jeruzalem als gevangenen meegenomen naar Babel. Dat waren: koning Jechonja met zijn moeder en zijn dienaren, de leiders van Juda en Jeruzalem en iedereen die werkte als timmerman of smid, en ook nog andere mensen.

De profeet Jeremia schreef hun een brief. De brief was bestemd voor de leiders, de priesters, de profeten en alle andere Judeeërs. 3De brief werd meegenomen door Elasa, de zoon van Safan, en door Gemarja, de zoon van Chilkia. Zij waren boodschappers van koning Sedekia. Ze gingen namens hem naar koning Nebukadnessar van Babylonië.

Het begin van de brief

In de brief stond het volgende: 4‘Luister, Judeeërs in Babel. Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: ‘Ik heb jullie als gevangenen naar Babel laten brengen. 5Ik wil dat jullie daar huizen bouwen om in te wonen. En dat jullie daar het land gaan bewerken, zodat jullie van de opbrengst kunnen leven. 6Ik wil dat jullie trouwen en kinderen krijgen. En zorg ervoor dat ook je kinderen trouwen, zodat ook zij weer kinderen krijgen. Laat jullie groep niet kleiner worden, maar juist groter.

7Bid tot de Heer voor Babel, de stad waar jullie naartoe gebracht zijn. Doe er je best voor dat het goed gaat met die stad. Want als het goed gaat met Babel, dan gaat het ook goed met jullie!’

Waarschuwing voor de Judeeërs in Babel

8De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Laat je niet bedriegen door jullie profeten en waarzeggers. Luister niet naar de dromen waarover ze jullie vertellen. 9Want ze doen alsof ze namens mij spreken, maar dat is een leugen. Ik heb hen niet gestuurd!’

De macht van Babylonië duurt zeventig jaar

10De Heer zegt: ‘De macht van Babylonië zal zeventig jaar duren. Als die tijd om is, kom ik naar jullie toe. Dan laat ik gebeuren wat ik beloofd heb: dan breng ik jullie terug naar Jeruzalem.

11Dit is mijn besluit, dit is mijn plan met jullie: Het zal goed met jullie aflopen, niet slecht. Ik zorg dat er voor jullie een nieuwe tijd komt. Ik zal jullie nieuwe hoop geven.

12In die tijd zullen jullie weer tot mij bidden, en zal ik naar jullie luisteren. 13Jullie zullen mij zoeken. En als je mij zoekt met heel je hart, zul je mij vinden. 14Ja, jullie zullen mij weer vinden. En ik zal ervoor zorgen dat het weer goed met jullie gaat. Ik haal jullie allemaal terug, uit alle landen en alle plaatsen waar ik jullie heen gejaagd heb. Dan zullen jullie terugkomen in Jeruzalem.’

Eerst wordt Jeruzalem gestraft

15Judeeërs in Babel, luister! Jullie zeggen: ‘De Heer heeft ons in Babel onze eigen profeten gegeven. Die zeggen dat we weer snel teruggaan naar Jeruzalem!’ 16Maar met Jeruzalem zal het juist heel slecht aflopen!

Dit zegt de machtige Heer over de koning op de troon van David, en over het volk dat nog in Jeruzalem woont: 17-18‘Ik zorg ervoor dat ze sterven, door oorlog, honger en vreselijke ziektes. Ik doe ze allemaal weg, net zoals je rotte vijgen weggooit.

Ik zorg ervoor dat het heel slecht met hen afloopt. Alle volken op aarde zullen het horen, en beven van schrik! De inwoners van Jeruzalem zullen bespot en beledigd worden door alle volken waar ik hen heen jaag. Hun naam wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt.

19Want zij hebben niet naar mij geluisterd. Ik heb steeds opnieuw profeten naar hen toe gestuurd, maar ze wilden niet luisteren.’

Het einde van de brief

20Judeeërs in Babel, luister! Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël, die jullie naar Babel gebracht heeft: 21‘Pas op voor de profeten Achab, de zoon van Kolaja, en Sedekia, de zoon van Maäseja. Zij zeggen dat ze mijn boodschap vertellen, maar ze vertellen leugens!

Daarom lever ik die profeten uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, en hij zal hen doden. Jullie zullen het allemaal zien. 22Vanaf dan zullen jullie hun naam gebruiken als jullie iemand vervloeken. Dan zeggen jullie: ‘Ik hoop dat God je net zo zwaar straft als Achab en Sedekia, die levend verbrand werden.’

23Ja, zo zullen ze sterven. Dat komt doordat ze afschuwelijke dingen gedaan hebben: Ten eerste gingen ze naar bed met vrouwen van andere mannen. En ten tweede vertelden ze leugens. Want ze zeiden dat ze namens mij spraken, maar ik had hun geen opdracht gegeven.

Ik weet wat ze gedaan hebben, ik heb het zelf gezien.’ Dat zegt de Heer.’

Hier eindigt de brief van Jeremia aan de Judeeërs in Babel.

Semaja stuurt een brief naar Jeruzalem

24-29Semaja uit Nachlam, één van de Judeeërs in Babel, stuurde een brief naar Jeruzalem. De brief was gericht aan de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, en aan de andere priesters en de inwoners van Jeruzalem.

Dit stond erin: ‘Sefanja, de Heer heeft jou als priester aangesteld. Jij bent de opvolger van Jojada, jij bewaakt de orde in de tempel. Telkens als er een gek naar de tempel komt die doet alsof hij een profeet is, dan laat jij hem oppakken en opsluiten.

Jeremia is ook zo’n gek die doet alsof hij een profeet is! Hij heeft een brief gestuurd naar de Judeeërs in Babel, met de tekst: ‘Jullie zullen nog lang in Babel wonen. Bouw daar huizen om in te wonen. En bewerk daar het land, zodat jullie van de opbrengst kunnen leven.’

Sefanja, waarom heb jij niets gedaan tegen die Jeremia uit Anatot?’

De priester Sefanja las die brief voor aan Jeremia. Daarna gaf de Heer deze boodschap aan Jeremia: ‘Ik, de machtige Heer, de God van Israël, zeg: Ik zal Semaja straffen omdat hij tegen mijn wil deze brief heeft gestuurd!’

Jeremia stuurt nog een brief naar Babel

30-31Daarna gaf de Heer aan Jeremia de opdracht om opnieuw een brief te sturen naar de Judeeërs in Babel. Dit moest hij schrijven: ‘Semaja uit Nachlam zei dat hij jullie een boodschap vertelde namens de Heer, maar dat is niet waar. Semaja is niet door de Heer gestuurd. Hij heeft jullie laten vertrouwen op leugens.

32Daarom zegt de Heer: ‘Ik ga Semaja straffen, samen met zijn hele familie. Er zal niemand van zijn familie overblijven. Hij zal niet meemaken dat ik mijn volk weer gelukkig maak. Want hij heeft de Judeeërs in Babel tegen mij in opstand laten komen.’’