Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

Boodschap over de tempel

Jeremia heeft slecht nieuws voor Juda

261De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda geworden was.

2De Heer zei: ‘Jeremia, ga naar het plein voor de tempel. Daar komen de inwoners van Juda om mij te vereren. Je moet tegen hen alles zeggen wat ik je verteld heb. Sla geen woord over. 3Misschien zullen de inwoners van Juda luisteren naar mijn woorden. En misschien stoppen ze dan met hun slechte gedrag. Dan zal ik hen niet straffen voor al hun misdaden.’

4Dit moest Jeremia zeggen: ‘De Heer zegt: ‘Ik wil dat jullie naar mij luisteren! Ik wil dat jullie je houden aan de wet die ik jullie gegeven heb. 5En ik wil dat jullie luisteren naar de profeten die ik steeds opnieuw naar jullie toe stuur.

Maar jullie luisteren niet! 6Daarom zal ik de tempel verwoesten. Net zoals ik vroeger de tempel van Silo verwoest heb. En met Jeruzalem zal het heel slecht aflopen. Alle volken op aarde zullen die naam alleen nog als scheldwoord gebruiken.’’

De Judeeërs willen Jeremia doden

7-8Jeremia deed wat de Heer van hem vroeg. In de tempel vertelde hij alles wat de Heer tegen hem gezegd had.

De priesters, de profeten en het hele volk hoorden wat Jeremia zei. Ze grepen hem vast en riepen: ‘Jij moet gedood worden! 9Hoe durf je te zeggen dat de tempel verwoest wordt? En dat de stad vernietigd zal worden, zodat er niemand meer kan wonen? Hoe durf je zoiets te zeggen namens de Heer?’ Alle mensen stonden om Jeremia heen.

De leiders beschermen Jeremia

10De leiders van Juda hoorden wat er gebeurd was. Ze kwamen uit het paleis van de koning en gingen naar de tempel. Daar gingen ze zitten in de Nieuwe Poort.

11De priesters en de profeten beschuldigden Jeremia. Ze zeiden tegen de leiders en tegen het hele volk: ‘Deze man moet gedood worden. Want hij zegt dat Jeruzalem vernietigd gaat worden. Jullie hebben het zelf gehoord.’

12Jeremia zei tegen de leiders en het volk: ‘De Heer heeft mij gestuurd. Hij heeft mij opdracht gegeven om al die dingen te zeggen over de tempel en de stad. 13Verander dus je gedrag! Ga leven als goede mensen. En luister naar de Heer, jullie God. Dan zal hij zijn besluit veranderen. Dan zal de straf waarover ik gesproken heb, niet komen.’

14Jeremia zei ook: ‘Ik ben in jullie macht. Jullie kunnen met mij doen wat jullie willen. 15Maar bedenk goed dat ik onschuldig ben. Als jullie mij doden, zullen jullie gestraft worden. Ja, dan zal de hele stad gestraft worden. Want de Heer heeft mij gestuurd. Dat is de waarheid. Hij wil dat ik al deze dingen tegen jullie zeg.’

16Toen zeiden de leiders en het volk tegen de profeten en de priesters: ‘Deze man mag niet gedood worden. Want hij heeft tegen ons gesproken namens de Heer, onze God.’

De profeet Micha werd niet gedood

17Een paar leiders van het volk gingen staan. Ze zeiden tegen de mensen die daar bij elkaar waren: 18‘Lang geleden, toen Hizkia koning van Juda was, was hier de profeet Micha uit Moreset. Namens de machtige Heer zei Micha tegen het hele volk van Juda: ‘De tempel op de berg Sion zal verwoest worden. Er zullen daar alleen nog struiken en bomen groeien. En van de stad Jeruzalem blijft alleen een hoop stenen over.’

19Wat gebeurde er toen Micha dat gezegd had? Werd hij toen gedood door koning Hizkia en het volk van Juda? Nee! Want koning Hizkia had veel eerbied voor de Heer. Hij zorgde ervoor dat de Heer niet langer boos was. En de Heer besloot om Jeruzalem niet te straffen.

Luister! Als wij Jeremia doden, dan zal de Heer ons heel zwaar straffen.’

De profeet Uria wordt wel gedood

20Er was in de tijd van Jeremia ook nog een andere profeet. Dat was Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjat-Jearim. Ook hij sprak namens de Heer, net als Jeremia. En ook hij vertelde dat het met de tempel en de stad slecht zou aflopen.

21Koning Jojakim, de generaals van het leger en de leiders van Juda hoorden wat Uria allemaal zei. De koning besloot dat hij gedood moest worden. Toen Uria dat hoorde, schrok hij en vluchtte naar Egypte.

22Maar de koning stuurde Elnatan, de zoon van Achbor, achter hem aan met een groep mannen. 23Zij haalden Uria terug uit Egypte en brachten hem bij de koning. Die liet hem doden. Het lichaam van Uria werd in een graf buiten de stad gegooid.

24Het volk wilde ook Jeremia grijpen en doden. Maar Achikam, de zoon van Safan, beschermde hem.

27

De macht van Babylonië

Jeremia krijgt een opdracht

271De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Sedekia, de zoon van Josia, koning van Juda geworden was.

2De Heer zei: ‘Jeremia, maak van hout en leer een tuig waarmee dieren een kar trekken. Hang dat tuig om je nek. 3Maak daarna nog vijf andere tuigen. Die zijn bestemd voor de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon. Hun boodschappers komen binnenkort naar Jeruzalem voor overleg met koning Sedekia. Geef alle boodschappers een tuig mee. 4Ze moeten dat naar hun eigen koning brengen en hem mijn boodschap doorgeven.’

De boodschap voor de vijf koningen

Alle boodschappers moesten tegen hun koning zeggen: ‘Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: 5‘Ik heb met mijn grote kracht de aarde gemaakt, en alle mensen en dieren. Ik bepaal wie er op aarde de macht krijgt.

6Ik heb bepaald dat koning Nebukadnessar van Babylonië, mijn dienaar, de macht krijgt over alle landen. Zelfs de wilde dieren moeten hem gehoorzamen.

7Alle volken moeten hem dienen als slaven. En na hem moeten ze ook zijn zoon en zijn kleinzoon dienen. Daarna zal er een eind komen aan de macht van de Babyloniërs. Dan zullen de Babyloniërs zelf slaven worden van machtige volken en sterke koningen.

8Maar eerst moeten alle volken en landen Nebukadnessar dus dienen. Ze moeten hem gehoorzamen, als slaven met een tuig om hun nek. Alle volken die zich verzetten, zal ik straffen. Ik laat ze vernietigen door het leger van Nebukadnessar. Ze zullen sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes.’

Wees gehoorzaam aan Nebukadnessar

9-10De Heer zegt: ‘Koningen, pas op! Luister niet naar jullie profeten, waarzeggers, tovenaars of wijze mannen die dromen uitleggen. Want zij vertellen leugens aan jullie! Ze zeggen steeds dat jullie de koning van Babylonië niet hoeven te dienen.

De volken die luisteren naar die leugens, zullen uit hun land weggehaald worden. Ik zal hen wegjagen naar verre landen, en daar zullen ze sterven.

11Maar de volken die de koning van Babylonië gehoorzaam zijn en hem als slaven dienen, zal ik met rust laten. Zij mogen in hun eigen land blijven wonen, en daar zullen ze leven.’’

Koning Sedekia hoort de boodschap

12Jeremia ging naar koning Sedekia van Juda. Sedekia kreeg dezelfde boodschap als de andere koningen. Jeremia zei: ‘Gehoorzaam de koning van Babylonië! U en uw volk moeten hem en zijn volk dienen als slaven. Dan zullen jullie in leven blijven.

13U weet hoe het zal aflopen met een volk dat de koning van Babylonië niet wil dienen. Dat volk zal sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes. Dat zegt de Heer. 14Luister dus niet naar de profeten die zeggen: ‘We hoeven de koning van Babylonië niet te dienen.’ Want die profeten vertellen leugens! 15Dit zegt de Heer over hen: ‘Ik heb die profeten niet gestuurd. Ze zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze vertellen leugens. Door hun leugens worden de inwoners van Juda weggejaagd uit hun land. Het loopt slecht af met het volk en met de profeten.’’

Luister niet naar de profeten

16Jeremia sprak ook tegen de priesters en tegen het volk. Hij zei namens de Heer: ‘Luister niet naar jullie profeten. Zij zeggen: ‘De heilige voorwerpen die de Babyloniërs uit de tempel meegenomen hebben, zullen daar weer snel terug zijn.’

Dat is een leugen! 17Als jullie de koning van Babylonië dienen als slaven, dan zullen jullie in leven blijven. Maar jullie weten hoe het afloopt als jullie naar de profeten luisteren: dan blijft er van Jeruzalem alleen een hoop stenen over.

18O, waren de profeten maar echte profeten! Konden ze maar echt namens de Heer spreken! Dan zouden ze hem smeken: ‘Heer, laat de heilige voorwerpen die nog over zijn, hier blijven. Laat de tempel, het paleis en de stad niet leegroven door de Babyloniërs!’’

Alle heilige voorwerpen gaan naar Babel

19-22Nebukadnessar had al veel heilige voorwerpen uit de tempel meegenomen naar Babel. Dat was gebeurd toen koning Jechonja, de zoon van Jojakim, naar Babel gebracht was, samen met alle belangrijke mensen uit Jeruzalem.

Maar de voorwerpen van brons waren niet meegenomen: de zuilen, de grote waterbak en de waskarren. En verder waren er ook nog veel andere voorwerpen achtergebleven in de tempel en in het paleis.

Toen zei Jeremia: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Alles wat hier nog is, wordt meegenomen naar Babel. Daar zal het blijven totdat ik het zeg. En dan zal ik er zelf voor zorgen dat alles teruggebracht wordt naar Jeruzalem.’’

28

De boodschap van Chananja

281De profeet Chananja, de zoon van Azzur, uit Gibeon, kwam met een heel andere boodschap dan Jeremia. Dat gebeurde toen Sedekia vier jaar koning van Juda was, in de vijfde maand van dat jaar. Chananja sprak in de tempel tegen Jeremia. En de priesters en het hele volk hoorden het.

Chananja zei: 2‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik maak een eind aan de macht van Babylonië! 3Nebukadnessar heeft veel heilige voorwerpen uit de tempel meegenomen naar Babel. Die heilige voorwerpen breng ik binnen twee jaar terug. 4En ik breng ook koning Jechonja terug, samen met alle Judeeërs die als gevangenen naar Babel gebracht zijn. Ik breng hen allemaal terug naar Jeruzalem. Want ik maak een eind aan de macht van Babylonië.’ Dat zegt de Heer.’

Jeremia geeft Chananja antwoord

5Toen gaf Jeremia antwoord aan Chananja. De priesters en het hele volk dat in de tempel aanwezig was, hoorden het. 6Jeremia zei: ‘Ja! Ik hoop dat de Heer zal doen wat jij zegt. Ik hoop dat hij alle heilige voorwerpen terugbrengt naar de tempel. En dat hij alle Judeeërs die naar Babel gebracht zijn, terugbrengt naar Jeruzalem.

7Maar luister nu naar wat ik te zeggen heb tegen jou en tegen het hele volk. 8Al eeuwenlang zijn er profeten geweest, lang voordat jij en ik er waren. En telkens vertelden die profeten dat het slecht zou aflopen met andere landen en machtige koninkrijken. Ze voorspelden oorlog, rampen en vreselijke ziektes. 9Maar stel nu dat een profeet voorspelt dat het met een machtig koninkrijk juist heel goed zal gaan. Als dat dan inderdaad gebeurt, weet iedereen dat die profeet echt door de Heer gestuurd is.’

Chananja breekt het tuig in stukken

10Jeremia droeg nog steeds een tuig om zijn nek. Hij had dat tuig gemaakt van hout en leer. Chananja trok het tuig van Jeremia’s nek en maakte het kapot. 11Hij zei: ‘De Heer zegt: ‘Kijk, zo maak ik binnen twee jaar de macht van Nebukadnessar kapot. Dan zal hij niet langer heersen over alle volken.’’

Het hele volk had gezien wat er gebeurde. En Jeremia ging weg uit de tempel.

Jeremia zegt dat Chananja zal sterven

12Kort daarna stuurde de Heer Jeremia weer op weg. 13Hij moest naar Chananja gaan en tegen hem zeggen: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Je hebt een tuig van hout in stukken gebroken. Maar daar komt een tuig van ijzer voor in de plaats! 14Want ik hang een tuig van ijzeren staven om de nek van alle volken. Alle mensen moeten koning Nebukadnessar van Babylonië dienen als slaven. Ja, zelfs de wilde dieren moeten hem gehoorzamen.’’

15Daarna zei Jeremia tegen Chananja: ‘Luister goed, Chananja! De Heer heeft jou niet gestuurd. Jij laat het volk vertrouwen op leugens. 16Daarom zegt de Heer tegen jou: ‘Deze keer zal ik je wel sturen, maar dan naar het land van de dood! Je zult nog dit jaar sterven. Want met jouw woorden heb je het volk tegen mij in opstand laten komen.’’

17En de profeet Chananja stierf nog in datzelfde jaar, in de zevende maand.