Bijbel in Gewone Taal (BGT)

De macht van Babylonië

Jeremia krijgt een opdracht

271De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Sedekia, de zoon van Josia, koning van Juda geworden was.

2De Heer zei: ‘Jeremia, maak van hout en leer een tuig waarmee dieren een kar trekken. Hang dat tuig om je nek. 3Maak daarna nog vijf andere tuigen. Die zijn bestemd voor de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon. Hun boodschappers komen binnenkort naar Jeruzalem voor overleg met koning Sedekia. Geef alle boodschappers een tuig mee. 4Ze moeten dat naar hun eigen koning brengen en hem mijn boodschap doorgeven.’

De boodschap voor de vijf koningen

Alle boodschappers moesten tegen hun koning zeggen: ‘Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: 5‘Ik heb met mijn grote kracht de aarde gemaakt, en alle mensen en dieren. Ik bepaal wie er op aarde de macht krijgt.

6Ik heb bepaald dat koning Nebukadnessar van Babylonië, mijn dienaar, de macht krijgt over alle landen. Zelfs de wilde dieren moeten hem gehoorzamen.

7Alle volken moeten hem dienen als slaven. En na hem moeten ze ook zijn zoon en zijn kleinzoon dienen. Daarna zal er een eind komen aan de macht van de Babyloniërs. Dan zullen de Babyloniërs zelf slaven worden van machtige volken en sterke koningen.

8Maar eerst moeten alle volken en landen Nebukadnessar dus dienen. Ze moeten hem gehoorzamen, als slaven met een tuig om hun nek. Alle volken die zich verzetten, zal ik straffen. Ik laat ze vernietigen door het leger van Nebukadnessar. Ze zullen sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes.’

Wees gehoorzaam aan Nebukadnessar

9-10De Heer zegt: ‘Koningen, pas op! Luister niet naar jullie profeten, waarzeggers, tovenaars of wijze mannen die dromen uitleggen. Want zij vertellen leugens aan jullie! Ze zeggen steeds dat jullie de koning van Babylonië niet hoeven te dienen.

De volken die luisteren naar die leugens, zullen uit hun land weggehaald worden. Ik zal hen wegjagen naar verre landen, en daar zullen ze sterven.

11Maar de volken die de koning van Babylonië gehoorzaam zijn en hem als slaven dienen, zal ik met rust laten. Zij mogen in hun eigen land blijven wonen, en daar zullen ze leven.’’

Koning Sedekia hoort de boodschap

12Jeremia ging naar koning Sedekia van Juda. Sedekia kreeg dezelfde boodschap als de andere koningen. Jeremia zei: ‘Gehoorzaam de koning van Babylonië! U en uw volk moeten hem en zijn volk dienen als slaven. Dan zullen jullie in leven blijven.

13U weet hoe het zal aflopen met een volk dat de koning van Babylonië niet wil dienen. Dat volk zal sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes. Dat zegt de Heer. 14Luister dus niet naar de profeten die zeggen: ‘We hoeven de koning van Babylonië niet te dienen.’ Want die profeten vertellen leugens! 15Dit zegt de Heer over hen: ‘Ik heb die profeten niet gestuurd. Ze zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze vertellen leugens. Door hun leugens worden de inwoners van Juda weggejaagd uit hun land. Het loopt slecht af met het volk en met de profeten.’’

Luister niet naar de profeten

16Jeremia sprak ook tegen de priesters en tegen het volk. Hij zei namens de Heer: ‘Luister niet naar jullie profeten. Zij zeggen: ‘De heilige voorwerpen die de Babyloniërs uit de tempel meegenomen hebben, zullen daar weer snel terug zijn.’

Dat is een leugen! 17Als jullie de koning van Babylonië dienen als slaven, dan zullen jullie in leven blijven. Maar jullie weten hoe het afloopt als jullie naar de profeten luisteren: dan blijft er van Jeruzalem alleen een hoop stenen over.

18O, waren de profeten maar echte profeten! Konden ze maar echt namens de Heer spreken! Dan zouden ze hem smeken: ‘Heer, laat de heilige voorwerpen die nog over zijn, hier blijven. Laat de tempel, het paleis en de stad niet leegroven door de Babyloniërs!’’

Alle heilige voorwerpen gaan naar Babel

19-22Nebukadnessar had al veel heilige voorwerpen uit de tempel meegenomen naar Babel. Dat was gebeurd toen koning Jechonja, de zoon van Jojakim, naar Babel gebracht was, samen met alle belangrijke mensen uit Jeruzalem.

Maar de voorwerpen van brons waren niet meegenomen: de zuilen, de grote waterbak en de waskarren. En verder waren er ook nog veel andere voorwerpen achtergebleven in de tempel en in het paleis.

Toen zei Jeremia: ‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Alles wat hier nog is, wordt meegenomen naar Babel. Daar zal het blijven totdat ik het zeg. En dan zal ik er zelf voor zorgen dat alles teruggebracht wordt naar Jeruzalem.’’