Bijbel in Gewone Taal (BGT)
24

Juda wordt gestraft

Jeremia ziet twee manden met vijgen

241Koning Nebukadnessar van Babylonië kwam met zijn leger naar Jeruzalem. Hij nam koning Jechonja, de zoon van Jojakim, gevangen. Jechonja werd meegenomen naar Babel, samen met de leiders van Juda. Ook iedereen die werkte als timmerman of smid, werd meegenomen.

Toen dat gebeurd was, liet de Heer mij iets zien. Ik zag twee manden met vijgen. Ze stonden klaar bij de tempel van de Heer. 2In de ene mand zaten heerlijke vijgen. Goede vijgen, van de eerste oogst. In de andere mand zaten rotte vijgen. Die waren niet meer te eten.

3De Heer vroeg aan mij: ‘Jeremia, wat zie je daar?’ Ik zei: ‘Vijgen. Die goede vijgen zien er heerlijk uit. Maar die slechte zijn rot, die kun je niet meer eten.’

Goed nieuws voor de Judeeërs in Babel

4Toen zei de Heer, de God van Israël, tegen mij: ‘Dit is mijn boodschap: 5De Judeeërs die meegenomen zijn naar Babel, lijken op de goede vijgen. Ik heb hen weggestuurd uit Jeruzalem. Maar ik zal goed voor hen zorgen in Babel.

6Ja, met die Judeeërs zal het goed aflopen. Op een dag breng ik hen terug naar hun land. Daar zullen ze voor altijd wonen. Dan wordt alles in het land weer opgebouwd, en zal er niets meer vernietigd worden. 7Dan zal ik hun leren wie ik ben. Ze zullen weten dat ik de Heer ben. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Ze zullen mij weer vereren met heel hun hart.

Slecht nieuws voor de Judeeërs in Juda

8Maar de andere Judeeërs lijken op de slechte vijgen. Dat zijn koning Sedekia van Juda, de leiders van Juda, het volk dat nog in Juda en Jeruzalem woont en de Judeeërs die naar Egypte zijn gegaan.

9Ik zal ervoor zorgen dat het heel slecht met hen afloopt. Alle volken op aarde zullen het horen, en beven van schrik. En overal waar ik die Judeeërs heen jaag, zullen ze uitgelachen, bespot en beledigd worden. Hun naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden.

10Ja, ik zal zorgen voor oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Net zo lang totdat alle Judeeërs weg zijn uit hun land. Weg uit het land dat ik aan hen en aan hun voorouders gegeven heb.’

25

Het volk heeft niet geluisterd

251-2De profeet Jeremia kreeg een boodschap van de Heer voor het hele volk van Juda. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was. In datzelfde jaar was Nebukadnessar koning van Babylonië geworden.

Jeremia zei: ‘Luister, inwoners van Juda en Jeruzalem! 3God gaf mij 23 jaar geleden de opdracht om namens hem tegen jullie te spreken. Dat was toen Josia, de zoon van Amon, dertien jaar koning van Juda was. Vanaf dat moment heb ik steeds weer Gods woorden aan jullie doorgegeven, tot en met vandaag. Maar jullie hebben niet geluisterd.

Het volk is al heel lang ongehoorzaam

4Nee, jullie hebben niet geluisterd. Ook al stuurde de Heer steeds opnieuw profeten om jullie te waarschuwen.

5De profeten zeiden: ‘Houd op met jullie slechte gedrag! Stop met al die misdaden! Alleen dan blijven jullie voor altijd wonen in het land dat de Heer aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heeft. 6Vereer geen andere goden, kniel niet voor afgoden. Vereer geen beelden die jullie zelf gemaakt hebben. Want dan beledigen jullie de Heer, en dan zal hij jullie straffen.’

7Maar jullie hebben niet naar de profeten geluisterd. Want jullie gingen toch beelden vereren die jullie zelf gemaakt hadden. Zo hebben jullie de Heer beledigd. En daarom zal het slecht met jullie aflopen.

Juda zal gestraft worden

8Dit zegt de machtige Heer: ‘Inwoners van Juda, jullie hebben niet naar mij geluisterd. 9Daarom ga ik jullie straffen. Ik stuur koning Nebukadnessar van Babylonië op jullie af. Hij is mijn dienaar. Hij komt met alle legers uit het verre noorden.

Die legers zullen Juda en de landen eromheen aanvallen, en alle inwoners doden. Ze zullen alles verwoesten en vernietigen. Het land zal voor altijd verwoest blijven. En het volk van Juda zal door iedereen bespot worden.

10Dan zal het stil worden in Juda. Er zullen geen vrolijke stemmen meer klinken. Er wordt niet meer gezongen, en er wordt geen feest meer gevierd. Er zal geen maaltijd meer klaargemaakt worden, er zal geen lamp meer branden.

11Ja, het land zal helemaal verwoest worden. En alle volken zullen slaven worden van de koning van Babylonië. Ze zullen hem zeventig jaar lang moeten dienen.

Daarna wordt Babylonië gestraft

12Maar als die zeventig jaar voorbij zijn, dan straf ik de koning van Babylonië en zijn volk. Dan straf ik hen voor al hun misdaden, en dan verander ik hun land voor altijd in een woestijn. 13Dan zal alles gebeuren wat ik over Babylonië gezegd heb. Want ik heb al gezegd hoe het met Babylonië gaat aflopen. Het staat in dit boek. Ja, alles wat Jeremia namens mij over alle volken gezegd heeft, staat in dit boek.

14Ik zal de Babyloniërs straffen voor hun misdaden. Ik geef ze hun verdiende loon. Ze zullen zelf slaven worden van andere volken met machtige koningen.’’

Alle volken worden gestraft

Een beker wijn als teken van de straf

15-17De Heer, de God van Israël, zei tegen mij: ‘Jeremia, pak deze beker met wijn van mij aan. En laat alle volken waar ik je naartoe stuur, uit deze beker drinken. Ze moeten dronken worden, zodat ze gek worden en omvallen.’

Ik pakte de beker aan van de Heer. En ik liet alle volken daaruit drinken.

Dit is de betekenis: De wijn, dat is Gods straf. En als de volken gestraft worden, zullen ze gek worden van angst.

Lijst van volken die gestraft worden

18Dit zijn de volken die gestraft zullen worden:

De inwoners van Juda en Jeruzalem, met hun koningen en leiders. Het zal heel slecht met hen aflopen. Hun land zal volledig verwoest worden. Ze zullen door iedereen bespot worden. Hun naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden. (En zo is het later ook gegaan.)

19-20De farao van Egypte, zijn dienaren en raadgevers, heel het volk van Egypte en alle vreemdelingen die daar wonen.

De koningen van het land Us.

De koningen van de Filistijnen, met hun steden Askelon, Gaza, Ekron, en wat er over is van de stad Asdod.

21De Edomieten, Moabieten en Ammonieten.

22Alle koningen van Tyrus en Sidon, en de koningen aan de overkant van de zee.

23De inwoners van Dedan, Tema en Buz, en alle bewoners van de woestijn.

24De koningen van Arabië en de koningen van de andere volken in de woestijn.

25Alle koningen van Zimri, Elam en Medië.

26Alle koningen van het noorden, dichtbij en ver weg, de één na de ander.

Ja, alle koningen en volken op aarde zullen gestraft worden. En de laatste die gestraft zal worden, is de koning van Babylonië.

De Heer laat geen enkel volk met rust

27De Heer stuurde mij naar al die volken met deze boodschap: ‘Luister! De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Drink uit deze beker! Drink zo veel dat je dronken wordt en moet overgeven! Drink zo veel dat je omvalt en niet meer kunt opstaan!’

28Denk niet dat je deze beker kunt weigeren. Want de machtige Heer dwingt alle volken om eruit te drinken. 29Hij zegt tegen alle volken op aarde: ‘Denken jullie dat ik jullie niet zal straffen? Ik ga zelfs mijn eigen stad verwoesten. Dus jullie zal ik zeker straffen, jullie allemaal! Ik stuur een groot leger op jullie af.’’

De Heer straft alle slechte mensen

30Toen moest ik deze woorden van de Heer spreken tegen de volken: ‘De Heer roept! Zijn machtige stem klinkt uit de hemel. Hij bedreigt alle volken op aarde met de woorden: ‘Ik ga jullie vernietigen!’ Hij lijkt op een leeuw die dreigend brult tegen de schapen.

31Een groot leger trekt over de hele aarde. Dat leger is gestuurd door de Heer. Want de Heer zal rechtspreken over alle volken, hij geeft zijn oordeel over alle mensen. Alle slechte mensen zullen gedood worden.

32De machtige Heer zegt: ‘De ramp komt! Eén voor één worden de volken getroffen. Het kwaad zal komen van de verste plaatsen op aarde. 33Zo zal ik alle slechte mensen straffen. De hele aarde zal vol doden liggen. Niemand zal om ze huilen. Niemand zal ze begraven. Ze zullen op de grond blijven liggen als mest voor het land.’’

De Heer straft koningen en leiders

34Ach, koningen en leiders op aarde, huil en jammer, schreeuw het uit! Het moment van jullie dood is gekomen. Er blijft niets van jullie over. Jullie lijken op kostbare kruiken die kapotvallen.

35De koningen en leiders proberen te vluchten, maar ze worden gegrepen. 36Hoor! De koningen schreeuwen en de leiders jammeren. Want de Heer vernietigt hun land. 37Het land waar eerst vrede was, wordt vernietigd door oorlog. Want de Heer is woedend!

38De Heer komt als een gevaarlijke leeuw, snel en onverwachts. Hij komt om landen te vernietigen, want hij is woedend!

26

Boodschap over de tempel

Jeremia heeft slecht nieuws voor Juda

261De Heer gaf Jeremia een opdracht. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda geworden was.

2De Heer zei: ‘Jeremia, ga naar het plein voor de tempel. Daar komen de inwoners van Juda om mij te vereren. Je moet tegen hen alles zeggen wat ik je verteld heb. Sla geen woord over. 3Misschien zullen de inwoners van Juda luisteren naar mijn woorden. En misschien stoppen ze dan met hun slechte gedrag. Dan zal ik hen niet straffen voor al hun misdaden.’

4Dit moest Jeremia zeggen: ‘De Heer zegt: ‘Ik wil dat jullie naar mij luisteren! Ik wil dat jullie je houden aan de wet die ik jullie gegeven heb. 5En ik wil dat jullie luisteren naar de profeten die ik steeds opnieuw naar jullie toe stuur.

Maar jullie luisteren niet! 6Daarom zal ik de tempel verwoesten. Net zoals ik vroeger de tempel van Silo verwoest heb. En met Jeruzalem zal het heel slecht aflopen. Alle volken op aarde zullen die naam alleen nog als scheldwoord gebruiken.’’

De Judeeërs willen Jeremia doden

7-8Jeremia deed wat de Heer van hem vroeg. In de tempel vertelde hij alles wat de Heer tegen hem gezegd had.

De priesters, de profeten en het hele volk hoorden wat Jeremia zei. Ze grepen hem vast en riepen: ‘Jij moet gedood worden! 9Hoe durf je te zeggen dat de tempel verwoest wordt? En dat de stad vernietigd zal worden, zodat er niemand meer kan wonen? Hoe durf je zoiets te zeggen namens de Heer?’ Alle mensen stonden om Jeremia heen.

De leiders beschermen Jeremia

10De leiders van Juda hoorden wat er gebeurd was. Ze kwamen uit het paleis van de koning en gingen naar de tempel. Daar gingen ze zitten in de Nieuwe Poort.

11De priesters en de profeten beschuldigden Jeremia. Ze zeiden tegen de leiders en tegen het hele volk: ‘Deze man moet gedood worden. Want hij zegt dat Jeruzalem vernietigd gaat worden. Jullie hebben het zelf gehoord.’

12Jeremia zei tegen de leiders en het volk: ‘De Heer heeft mij gestuurd. Hij heeft mij opdracht gegeven om al die dingen te zeggen over de tempel en de stad. 13Verander dus je gedrag! Ga leven als goede mensen. En luister naar de Heer, jullie God. Dan zal hij zijn besluit veranderen. Dan zal de straf waarover ik gesproken heb, niet komen.’

14Jeremia zei ook: ‘Ik ben in jullie macht. Jullie kunnen met mij doen wat jullie willen. 15Maar bedenk goed dat ik onschuldig ben. Als jullie mij doden, zullen jullie gestraft worden. Ja, dan zal de hele stad gestraft worden. Want de Heer heeft mij gestuurd. Dat is de waarheid. Hij wil dat ik al deze dingen tegen jullie zeg.’

16Toen zeiden de leiders en het volk tegen de profeten en de priesters: ‘Deze man mag niet gedood worden. Want hij heeft tegen ons gesproken namens de Heer, onze God.’

De profeet Micha werd niet gedood

17Een paar leiders van het volk gingen staan. Ze zeiden tegen de mensen die daar bij elkaar waren: 18‘Lang geleden, toen Hizkia koning van Juda was, was hier de profeet Micha uit Moreset. Namens de machtige Heer zei Micha tegen het hele volk van Juda: ‘De tempel op de berg Sion zal verwoest worden. Er zullen daar alleen nog struiken en bomen groeien. En van de stad Jeruzalem blijft alleen een hoop stenen over.’

19Wat gebeurde er toen Micha dat gezegd had? Werd hij toen gedood door koning Hizkia en het volk van Juda? Nee! Want koning Hizkia had veel eerbied voor de Heer. Hij zorgde ervoor dat de Heer niet langer boos was. En de Heer besloot om Jeruzalem niet te straffen.

Luister! Als wij Jeremia doden, dan zal de Heer ons heel zwaar straffen.’

De profeet Uria wordt wel gedood

20Er was in de tijd van Jeremia ook nog een andere profeet. Dat was Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjat-Jearim. Ook hij sprak namens de Heer, net als Jeremia. En ook hij vertelde dat het met de tempel en de stad slecht zou aflopen.

21Koning Jojakim, de generaals van het leger en de leiders van Juda hoorden wat Uria allemaal zei. De koning besloot dat hij gedood moest worden. Toen Uria dat hoorde, schrok hij en vluchtte naar Egypte.

22Maar de koning stuurde Elnatan, de zoon van Achbor, achter hem aan met een groep mannen. 23Zij haalden Uria terug uit Egypte en brachten hem bij de koning. Die liet hem doden. Het lichaam van Uria werd in een graf buiten de stad gegooid.

24Het volk wilde ook Jeremia grijpen en doden. Maar Achikam, de zoon van Safan, beschermde hem.