Bijbel in Gewone Taal (BGT)
23

De slechte koningen worden gestraft

231-2De Heer, de God van Israël, zegt: ‘De herders hebben niet goed voor hun schapen gezorgd. Ze hebben de kudde niet beschermd. De schapen zijn alle kanten op gevlucht, maar de herders zijn de schapen niet gaan zoeken. Daarom zal het met die herders slecht aflopen!

Koningen van Juda, jullie zijn die herders! Jullie moesten zorgen voor mijn volk, maar dat hebben jullie niet gedaan. Nu zijn de inwoners van Juda verjaagd, ze zijn alle kanten op gevlucht. Daarom ga ik jullie straffen voor je slechte daden.

3De mensen van mijn volk die overgebleven zijn, haal ik terug. Ze waren verjaagd naar alle landen van de wereld. Maar ik breng hen terug naar hun eigen land. Dan zal het goed met hen gaan, dan wordt mijn volk weer groot. 4Ik zal hun nieuwe koningen geven, die goed voor hen zorgen. Dan hoeven ze nooit meer bang te zijn, en nooit meer te vluchten.’

Er zal een nieuwe koning komen

5De Heer zegt: ‘Ik zorg ervoor dat er een nieuwe koning komt uit de familie van David. Ik zal hem zelf uitkiezen. Die koning zal het land goed besturen, hij zal wijze besluiten nemen. Hij zal eerlijk rechtspreken, hij zal iedereen goed en rechtvaardig behandelen. 6Zijn naam zal zijn: ‘De Heer is onze redder’. Want ik zal mijn volk redden. Het hele volk zal in vrede leven.’

7-8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik jaag jullie weg uit je land. Ik stuur jullie naar het verre noorden en naar veel andere landen. Maar er komt een dag dat ik jullie weer terug zal brengen. Dan mogen jullie weer wonen in je eigen land.

Nu noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk bevrijd heeft uit Egypte’. Maar op die dag noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk bevrijd heeft uit het verre noorden’.’

Over de profeten

9Hier volgt Gods boodschap voor de profeten.

Jeremia heeft Gods woorden in zich

Ik voel pijn van binnen. Mijn hele lichaam beeft, ik lijk wel dronken. Niet van de wijn, nee, het komt door de Heer. Het komt door zijn heilige woorden die in mij zijn.

10Dit zijn die heilige woorden: ‘Overal in het land zijn de mensen mij ontrouw. Ze doen steeds slechte dingen, dat kunnen ze goed! Daarom heb ik het land met droogte gestraft, daarom is het gras op de velden verdord.

11Ook de profeten en de priesters zijn slecht. Ik zie dat ze zelfs misdaden plegen in mijn tempel! 12Daarom zal het slecht met hen aflopen. Als de tijd van de straf gekomen is, stuur ik een ramp op hen af. Dan zullen ze veel ellende meemaken, en allemaal sterven.’

De profeten in Jeruzalem zijn slecht

13De machtige Heer zegt: ‘Ik heb gezien wat voor slechte dingen de profeten in Samaria deden. Ze gedroegen zich als profeten van de god Baäl. Zo hebben ze mijn volk bedrogen.

14Maar de profeten in Jeruzalem zijn nog veel erger. Want die bedriegen mij! Ze vertellen alleen maar leugens. En ze steunen misdadigers. Daardoor stopt niemand met zijn slechte gedrag! De inwoners van Jeruzalem zijn net zo slecht als de inwoners van Sodom en Gomorra!

15Luister! Het zal slecht aflopen met de profeten. Ik maak hun leven zwaar en ellendig. Want het is hun schuld dat het hele land slecht geworden is.’

De profeten bedriegen de mensen

16Dit zegt de machtige Heer tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Luister niet naar de boodschap van jullie profeten. Want zij bedriegen jullie, hun boodschap komt niet van mij. Nee, de profeten vertellen dingen die ze zelf bedacht hebben!

17Ze zeggen tegen mensen die geen eerbied voor mij hebben: ‘De Heer zegt dat het goed met jullie zal gaan!’ En tegen mensen die alleen doen wat ze zelf willen: ‘Er zal niets ergs met jullie gebeuren!’

18Maar niemand van die profeten was erbij toen ik mijn besluiten nam. Ik, de Heer, heb hun niet gezegd dat ze namens mij moeten spreken. Ze hebben mijn stem niet gehoord.

God heeft de profeten niet gestuurd

19Inwoners van Jeruzalem, dit is mijn besluit: Mijn woede komt naar Jeruzalem als een hevige storm. Mijn woede zal alle slechte mensen treffen, ze zullen allemaal vernietigd worden. 20Dat is het plan dat ik ga uitvoeren. Pas als dat gebeurd is, zal mijn woede voorbij zijn. Pas dan zullen jullie goed begrijpen waarom deze dingen gebeurd zijn.

21Ik heb die profeten niet gestuurd, ik heb niet tegen hen gesproken. Toch doen ze alsof ze mijn profeten zijn. Toch zeggen ze dat ze namens mij spreken. 22Als ze mijn besluit gekend hadden, dan hadden ze namens mij kunnen spreken. Dan hadden ze mijn volk kunnen waarschuwen. En dan zouden de mensen gestopt zijn met hun slechte gedrag en met al hun misdaden! Maar zo is het niet.’

De Heer is de God van de hele wereld

23De Heer zegt: ‘Ik ben niet alleen de God van Jeruzalem. Ik ben de God van de hele wereld. 24Niemand kan zich voor mij verbergen, ik zie alles. Want ik ben overal, in de hemel en op de aarde.’

De profeten vertellen leugens

25De Heer zegt: ‘De profeten zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze vertellen leugens. Ik heb gehoord wat ze zeggen. De één roept: ‘Ik heb een droom gehad!’ En de ander roept: ‘Ik ook, ik heb ook een droom gehad!’ 26-27Ze vertellen elkaar hun dromen, maar het zijn allemaal leugens. Hun dromen zijn mooie praatjes die ze zelf verzinnen.

Ze gaan net zo lang door met hun leugens totdat mijn volk vergeten is wie ik ben! Zo ging het vroeger ook: mijn volk ging de god Baäl vereren, en mij vergaten ze.’

De Heer gaat de profeten straffen

28De Heer zegt: ‘Een profeet die een droom gehad heeft, vertelt alleen maar een droom. Maar wie mijn woorden in zich heeft, die vertelt echt mijn boodschap. Die twee dingen zijn net zo verschillend als stro en graan.’

29De Heer zegt: ‘Mijn woorden zijn net zo krachtig als een vuur dat alles verbrandt, of als een hamer die rotsen kapotslaat.’

30De Heer zegt: ‘Let op! Ik ben de vijand van de profeten, ik ga hen straffen. Want ze doen alsof ze namens mij spreken, maar ze praten elkaar allemaal na. 31Ze verzinnen een boodschap en noemen dat een boodschap van de Heer. 32Ze bedriegen mijn volk met alle leugens die ze kunnen bedenken. Ze vertellen hun dromen aan het volk en zeggen dat het mijn boodschap is. Maar ik heb die profeten niet gestuurd! Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ze brengen dit volk niets goeds.’

Vraag niet om goed nieuws van de Heer

33De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, stel dat een profeet of een priester of iemand anders van het volk aan jou vraagt: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ Dan moet je zeggen: ‘Vraag nooit meer om goed nieuws van de Heer! Want dan zorgt hij ervoor dat het helemaal fout gaat met jullie! En dan worden jullie zelf het nieuws.’’

De Heer zegt: 34‘Iedereen die nog vraagt om goed nieuws van de Heer, wordt gestraft, samen met zijn hele familie. 35Jullie mogen alleen dit vragen: ‘Wat wil de Heer?’ en: ‘Wat heeft de Heer gezegd?’

36Ik ben de levende God, de machtige Heer, jullie God. Jullie hebben mijn woorden veranderd in leugens! En jullie noemen die leugens ‘goed nieuws van de Heer’. Maar waag het niet om dat nog te zeggen! 37-38Vraag dus nooit meer aan een profeet: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ Het enige wat je mag vragen is: ‘Wat wil de Heer?’ en: ‘Wat heeft de Heer gezegd?’’

De Heer zegt: ‘Maar stel dat jullie toch vragen: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ 39Dan worden jullie zelf het nieuws. Want dan zorg ik ervoor dat het helemaal fout gaat met jullie. Dan stuur ik jullie naar een ver land. Dan vernietig ik Jeruzalem, de stad die ik aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heb.

40Dan zullen jullie belachelijk gemaakt worden, altijd en overal. Dan zullen jullie voor altijd vernederd zijn. Dan zijn jullie het nieuws dat nooit vergeten wordt.’

24

Juda wordt gestraft

Jeremia ziet twee manden met vijgen

241Koning Nebukadnessar van Babylonië kwam met zijn leger naar Jeruzalem. Hij nam koning Jechonja, de zoon van Jojakim, gevangen. Jechonja werd meegenomen naar Babel, samen met de leiders van Juda. Ook iedereen die werkte als timmerman of smid, werd meegenomen.

Toen dat gebeurd was, liet de Heer mij iets zien. Ik zag twee manden met vijgen. Ze stonden klaar bij de tempel van de Heer. 2In de ene mand zaten heerlijke vijgen. Goede vijgen, van de eerste oogst. In de andere mand zaten rotte vijgen. Die waren niet meer te eten.

3De Heer vroeg aan mij: ‘Jeremia, wat zie je daar?’ Ik zei: ‘Vijgen. Die goede vijgen zien er heerlijk uit. Maar die slechte zijn rot, die kun je niet meer eten.’

Goed nieuws voor de Judeeërs in Babel

4Toen zei de Heer, de God van Israël, tegen mij: ‘Dit is mijn boodschap: 5De Judeeërs die meegenomen zijn naar Babel, lijken op de goede vijgen. Ik heb hen weggestuurd uit Jeruzalem. Maar ik zal goed voor hen zorgen in Babel.

6Ja, met die Judeeërs zal het goed aflopen. Op een dag breng ik hen terug naar hun land. Daar zullen ze voor altijd wonen. Dan wordt alles in het land weer opgebouwd, en zal er niets meer vernietigd worden. 7Dan zal ik hun leren wie ik ben. Ze zullen weten dat ik de Heer ben. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Ze zullen mij weer vereren met heel hun hart.

Slecht nieuws voor de Judeeërs in Juda

8Maar de andere Judeeërs lijken op de slechte vijgen. Dat zijn koning Sedekia van Juda, de leiders van Juda, het volk dat nog in Juda en Jeruzalem woont en de Judeeërs die naar Egypte zijn gegaan.

9Ik zal ervoor zorgen dat het heel slecht met hen afloopt. Alle volken op aarde zullen het horen, en beven van schrik. En overal waar ik die Judeeërs heen jaag, zullen ze uitgelachen, bespot en beledigd worden. Hun naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden.

10Ja, ik zal zorgen voor oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Net zo lang totdat alle Judeeërs weg zijn uit hun land. Weg uit het land dat ik aan hen en aan hun voorouders gegeven heb.’

25

Het volk heeft niet geluisterd

251-2De profeet Jeremia kreeg een boodschap van de Heer voor het hele volk van Juda. Dat gebeurde toen Jojakim, de zoon van Josia, vier jaar koning van Juda was. In datzelfde jaar was Nebukadnessar koning van Babylonië geworden.

Jeremia zei: ‘Luister, inwoners van Juda en Jeruzalem! 3God gaf mij 23 jaar geleden de opdracht om namens hem tegen jullie te spreken. Dat was toen Josia, de zoon van Amon, dertien jaar koning van Juda was. Vanaf dat moment heb ik steeds weer Gods woorden aan jullie doorgegeven, tot en met vandaag. Maar jullie hebben niet geluisterd.

Het volk is al heel lang ongehoorzaam

4Nee, jullie hebben niet geluisterd. Ook al stuurde de Heer steeds opnieuw profeten om jullie te waarschuwen.

5De profeten zeiden: ‘Houd op met jullie slechte gedrag! Stop met al die misdaden! Alleen dan blijven jullie voor altijd wonen in het land dat de Heer aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heeft. 6Vereer geen andere goden, kniel niet voor afgoden. Vereer geen beelden die jullie zelf gemaakt hebben. Want dan beledigen jullie de Heer, en dan zal hij jullie straffen.’

7Maar jullie hebben niet naar de profeten geluisterd. Want jullie gingen toch beelden vereren die jullie zelf gemaakt hadden. Zo hebben jullie de Heer beledigd. En daarom zal het slecht met jullie aflopen.

Juda zal gestraft worden

8Dit zegt de machtige Heer: ‘Inwoners van Juda, jullie hebben niet naar mij geluisterd. 9Daarom ga ik jullie straffen. Ik stuur koning Nebukadnessar van Babylonië op jullie af. Hij is mijn dienaar. Hij komt met alle legers uit het verre noorden.

Die legers zullen Juda en de landen eromheen aanvallen, en alle inwoners doden. Ze zullen alles verwoesten en vernietigen. Het land zal voor altijd verwoest blijven. En het volk van Juda zal door iedereen bespot worden.

10Dan zal het stil worden in Juda. Er zullen geen vrolijke stemmen meer klinken. Er wordt niet meer gezongen, en er wordt geen feest meer gevierd. Er zal geen maaltijd meer klaargemaakt worden, er zal geen lamp meer branden.

11Ja, het land zal helemaal verwoest worden. En alle volken zullen slaven worden van de koning van Babylonië. Ze zullen hem zeventig jaar lang moeten dienen.

Daarna wordt Babylonië gestraft

12Maar als die zeventig jaar voorbij zijn, dan straf ik de koning van Babylonië en zijn volk. Dan straf ik hen voor al hun misdaden, en dan verander ik hun land voor altijd in een woestijn. 13Dan zal alles gebeuren wat ik over Babylonië gezegd heb. Want ik heb al gezegd hoe het met Babylonië gaat aflopen. Het staat in dit boek. Ja, alles wat Jeremia namens mij over alle volken gezegd heeft, staat in dit boek.

14Ik zal de Babyloniërs straffen voor hun misdaden. Ik geef ze hun verdiende loon. Ze zullen zelf slaven worden van andere volken met machtige koningen.’’

Alle volken worden gestraft

Een beker wijn als teken van de straf

15-17De Heer, de God van Israël, zei tegen mij: ‘Jeremia, pak deze beker met wijn van mij aan. En laat alle volken waar ik je naartoe stuur, uit deze beker drinken. Ze moeten dronken worden, zodat ze gek worden en omvallen.’

Ik pakte de beker aan van de Heer. En ik liet alle volken daaruit drinken.

Dit is de betekenis: De wijn, dat is Gods straf. En als de volken gestraft worden, zullen ze gek worden van angst.

Lijst van volken die gestraft worden

18Dit zijn de volken die gestraft zullen worden:

De inwoners van Juda en Jeruzalem, met hun koningen en leiders. Het zal heel slecht met hen aflopen. Hun land zal volledig verwoest worden. Ze zullen door iedereen bespot worden. Hun naam zal alleen nog als scheldwoord gebruikt worden. (En zo is het later ook gegaan.)

19-20De farao van Egypte, zijn dienaren en raadgevers, heel het volk van Egypte en alle vreemdelingen die daar wonen.

De koningen van het land Us.

De koningen van de Filistijnen, met hun steden Askelon, Gaza, Ekron, en wat er over is van de stad Asdod.

21De Edomieten, Moabieten en Ammonieten.

22Alle koningen van Tyrus en Sidon, en de koningen aan de overkant van de zee.

23De inwoners van Dedan, Tema en Buz, en alle bewoners van de woestijn.

24De koningen van Arabië en de koningen van de andere volken in de woestijn.

25Alle koningen van Zimri, Elam en Medië.

26Alle koningen van het noorden, dichtbij en ver weg, de één na de ander.

Ja, alle koningen en volken op aarde zullen gestraft worden. En de laatste die gestraft zal worden, is de koning van Babylonië.

De Heer laat geen enkel volk met rust

27De Heer stuurde mij naar al die volken met deze boodschap: ‘Luister! De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Drink uit deze beker! Drink zo veel dat je dronken wordt en moet overgeven! Drink zo veel dat je omvalt en niet meer kunt opstaan!’

28Denk niet dat je deze beker kunt weigeren. Want de machtige Heer dwingt alle volken om eruit te drinken. 29Hij zegt tegen alle volken op aarde: ‘Denken jullie dat ik jullie niet zal straffen? Ik ga zelfs mijn eigen stad verwoesten. Dus jullie zal ik zeker straffen, jullie allemaal! Ik stuur een groot leger op jullie af.’’

De Heer straft alle slechte mensen

30Toen moest ik deze woorden van de Heer spreken tegen de volken: ‘De Heer roept! Zijn machtige stem klinkt uit de hemel. Hij bedreigt alle volken op aarde met de woorden: ‘Ik ga jullie vernietigen!’ Hij lijkt op een leeuw die dreigend brult tegen de schapen.

31Een groot leger trekt over de hele aarde. Dat leger is gestuurd door de Heer. Want de Heer zal rechtspreken over alle volken, hij geeft zijn oordeel over alle mensen. Alle slechte mensen zullen gedood worden.

32De machtige Heer zegt: ‘De ramp komt! Eén voor één worden de volken getroffen. Het kwaad zal komen van de verste plaatsen op aarde. 33Zo zal ik alle slechte mensen straffen. De hele aarde zal vol doden liggen. Niemand zal om ze huilen. Niemand zal ze begraven. Ze zullen op de grond blijven liggen als mest voor het land.’’

De Heer straft koningen en leiders

34Ach, koningen en leiders op aarde, huil en jammer, schreeuw het uit! Het moment van jullie dood is gekomen. Er blijft niets van jullie over. Jullie lijken op kostbare kruiken die kapotvallen.

35De koningen en leiders proberen te vluchten, maar ze worden gegrepen. 36Hoor! De koningen schreeuwen en de leiders jammeren. Want de Heer vernietigt hun land. 37Het land waar eerst vrede was, wordt vernietigd door oorlog. Want de Heer is woedend!

38De Heer komt als een gevaarlijke leeuw, snel en onverwachts. Hij komt om landen te vernietigen, want hij is woedend!