Bijbel in Gewone Taal (BGT)
21

Het einde van Jeruzalem

Het loopt slecht af met Jeruzalem

211-2Koning Nebukadnessar van Babylonië was met zijn leger naar Jeruzalem gekomen en omsingelde de stad.

Koning Sedekia stuurde Paschur en de priester Sefanja naar Jeremia toe. Deze Paschur was een zoon van Malkia, en de priester Sefanja was een zoon van Maäseja. Zij zeiden tegen Jeremia: ‘Vraag de Heer wat we moeten doen. Misschien zal hij ons redden door een wonder. Want zo heeft hij zijn volk al vaak gered. Misschien zorgt hij ervoor dat de koning van Babylonië en zijn leger weggaan.’

Toen vertelde de Heer aan Jeremia wat hij moest zeggen. 3-5En Jeremia zei tegen de twee mannen: ‘Ga terug naar koning Sedekia. Geef hem dit antwoord van de Heer: ‘Ik, de God van Israël, zal zelf tegen jullie vechten. Ik zal jullie straffen en jullie vernietigen met mijn grote macht. Jullie zullen meemaken hoe groot mijn woede is. Nu vechten jullie nog buiten de stad tegen het leger van Babylonië. Maar ik zal jullie wapens waardeloos maken. 6-7Want ik zal de pest laten uitbreken in de stad. Mensen en dieren zullen eraan sterven. Ja, de inwoners van Jeruzalem zullen sterven door die vreselijke ziekte, en door oorlog en hongersnood.

En daarna geef ik de stad aan de koning van Babylonië. Dan wordt koning Sedekia gevangengenomen, samen met zijn dienaren en iedereen in Jeruzalem die nog in leven is. Dan zullen de vijanden iedereen doden. Ze zullen geen medelijden hebben en niemand in leven laten.’

Kiezen tussen leven en dood

8Inwoners van Jeruzalem, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Ik laat jullie kiezen tussen leven en dood. 9Wie de stad verlaat en zich overgeeft aan de Babyloniërs, die zal blijven leven. Maar wie in Jeruzalem blijft, zal sterven. Door oorlog, door hongersnood of door de pest. 10Want ik heb besloten dat het met deze stad slecht zal aflopen. De koning van Babylonië zal de stad veroveren en verbranden.’’

Over de koningen van Juda

11-12Hier volgt Gods boodschap voor de koningen van Juda.

Een koning moet eerlijk rechtspreken

Nakomelingen van David, luister naar deze woorden van de Heer: ‘Spreek eerlijk recht, elke dag opnieuw. Bescherm machteloze mensen tegen hun onderdrukkers. Als jullie dat niet doen, kunnen slechte mensen hun gang gaan. En dan word ik woedend! Dan zal mijn woede zijn als een vuur dat nooit uitgaat en dat alles verbrandt.’

Jeruzalem is geen veilige plaats

13-14De inwoners van Jeruzalem zeggen: ‘Onze sterke stad is gebouwd op een berg, midden in het dal. Voor wie moeten we bang zijn? Niemand kan onze stad binnenkomen!’

Maar de Heer zegt: ‘Ikzelf ben jullie vijand. Ik geef jullie de straf die jullie verdienen. Ik zal het paleis en de hele stad in brand steken.’

22

Gods boodschap voor de koning

221De Heer stuurde mij naar het paleis van de koning van Juda. Aan hem moest ik deze boodschap vertellen: 2‘Koning van Juda, die op de troon van David zit, luister naar de woorden van de Heer! Luister, samen met uw dienaren en alle anderen die hier aanwezig zijn. 3Dit is wat de Heer zegt: ‘Houd je aan mijn regels. Spreek eerlijk recht. Behandel iedereen goed en rechtvaardig. Maak geen misbruik van mensen zonder macht, maar bescherm hen tegen hun onderdrukkers. Gebruik geen geweld tegen vreemdelingen, tegen weduwen, of tegen kinderen zonder vader. En vermoord geen onschuldige mensen.

4Als jullie je aan mijn regels houden, zal het goed met jullie gaan. Dan zullen de poorten van dit paleis altijd voor iedereen openstaan. Voor de koningen uit de familie van David, die binnenrijden op prachtige wagens. En voor hun dienaren, en de rest van het volk.

5Maar als jullie je niet aan mijn regels houden, dan zal ik dit paleis laten verwoesten. Mijn besluit staat vast.’ Dat zegt de Heer.’

Het paleis zal verwoest worden

6Dit zegt de Heer over het paleis van de koning van Juda: ‘Dit paleis is gemaakt van het beste hout uit Gilead. De zuilen staan trots rechtop, zoals de hoge bomen op de Libanon-bergen. Maar ik zal van dit paleis een kale vlakte maken, een plek waar niemand woont. 7Ja, ik haal vijanden hierheen om het paleis te vernietigen. Zij zullen alles omhakken, kapotmaken en verbranden.’

8Mensen van allerlei volken zullen hier voorbijkomen en vragen: ‘Waarom heeft de Heer deze grote stad laten verwoesten?’ 9Dan zullen ze dit antwoord krijgen: ‘Omdat de inwoners van deze stad zich niet gehouden hebben aan de afspraak met de Heer, hun God. Ze knielden niet meer voor hem, maar voor andere goden.’

Koning Sallum zal niet terugkeren

10Huil niet om een dode, jammer niet om iemand die gestorven is. Huil liever om de man die zijn land moet verlaten. Want hij komt niet terug, hij zal zijn land niet terugzien.

11-12Die woorden gaan over koning Sallum. Toen koning Josia van Juda gedood was, volgde zijn zoon Sallum hem op als koning in Jeruzalem. Maar hij moest de stad verlaten, hij werd meegenomen naar een ander land. De Heer zei over hem: ‘Sallum komt niet terug. Hij zal sterven in het land waar hij naartoe gebracht is. Hij zal zijn eigen land niet terugzien.’

Jojakim is een slechte koning

13-14Stel dat een man voor zichzelf een groot huis laat bouwen op een oneerlijke manier. Hij denkt: Straks heb ik een prachtig paleis! Er komen veel ramen in, het dak wordt van duur cederhout, het wordt versierd met rode verf. Maar de man laat mensen voor zich werken zonder ze te betalen. Hij geeft ze geen beloning voor hun werk. Met zo’n man zal het slecht aflopen!

15-16Luister, koning Jojakim! U woont in een prachtig paleis. Maar dat betekent nog niet dat u een goede koning bent! Uw vader Josia, dat was een goede koning. Hij sprak eerlijk recht. Hij behandelde iedereen goed en rechtvaardig. Hij zorgde ervoor dat arme en zwakke mensen eerlijk behandeld werden. Ja, door hem ging het goed in het land. Daarom ging het ook goed met hemzelf. Hij kon genieten van zijn eten en drinken. De Heer zegt: ‘Iemand die zo leeft, die kent mij. Die weet wat ik belangrijk vind.’

17Maar u, Jojakim, u bent heel anders dan uw vader. U denkt alleen maar aan uzelf. U bent alleen maar bezig met uw eigen voordeel. U laat onschuldige mensen vermoorden. U onderdrukt het volk, u regeert met geweld. Daarom zal het slecht met u aflopen.

Niemand zal huilen als Jojakim sterft

18Dit zegt de Heer over Jojakim, de koning van Juda: ‘Als Jojakim sterft, zal niemand verdriet hebben. Niemand zal rouwen, niemand zal roepen: ‘Ach, mijn koning, ach, majesteit!’ 19Jojakim zal niet begraven worden. Hij zal behandeld worden als een dode ezel. Zijn lichaam zal weggesleept worden, tot ver buiten de poorten van Jeruzalem.’

Het loopt slecht af met Jeruzalem

20De Heer zegt: ‘Inwoners van Jeruzalem, klim op de hoogste bergen en roep om hulp! Schreeuw het uit, want al jullie vrienden zijn verslagen door de vijand.

21Ik heb jullie steeds verteld hoe je moest leven. Maar zolang het goed met jullie ging, wilden jullie niet luisteren. Zo ging het al vanaf het begin: nooit heeft jullie volk naar mij willen luisteren.

22Nu is het te laat. Jullie leiders zullen alle kanten op vluchten. Jullie vrienden worden meegenomen naar een ver land. En jullie zullen je schamen voor al je misdaden. Van jullie trots zal niets overblijven.

23Want wat zijn jullie trots! Jullie zijn trots op je stad, die hoog op een berg ligt. Jullie voelen je veilig en machtig. Maar het zal slecht met jullie aflopen. Jullie zullen het uitschreeuwen van pijn, zoals een vrouw die een kind krijgt.’

Het loopt slecht af met Jechonja

24Dit zegt de Heer tegen Jechonja, de koning van Juda: ‘Luister, Jechonja, zoon van Jojakim. Ik wil jou niet meer! Dat is zeker, zo zeker als ik leef! Jij mag geen koning meer zijn! Ik heb niets aan jou, ik haal je weg uit Jeruzalem.

25Ik zal jou aan je vijanden uitleveren, aan de mensen voor wie jij zo bang bent. Ik geef je aan Nebukadnessar, de koning van Babylonië, en zijn leger. 26-27Ik zorg dat je terechtkomt in een ver land, samen met je moeder. Jullie blijven daar hopen dat je ooit terug mag naar je eigen land. Maar dat zal niet gebeuren. Jullie zullen sterven in dat verre land, waar jullie niet geboren zijn.’

28Jechonja lijkt op een kapotgeslagen kruik, die nergens meer voor gebruikt kan worden. Zo’n kruik wordt weggegooid. Net zo wordt Jechonja weggegooid, samen met zijn kinderen. Ze zullen terechtkomen in een land dat ze niet kennen.

29Luister, inwoners van Juda, luister! Luister naar wat de Heer zegt. 30Schrijf over Jechonja in het boek over de koningen: ‘Hij kreeg geen kinderen, zijn leven was een mislukking.’ Want de Heer zegt: ‘Jechonja zal geen zoon hebben die hem opvolgt. Niemand van zijn nakomelingen zal op de troon van David zitten en koning van Juda zijn.’

23

De slechte koningen worden gestraft

231-2De Heer, de God van Israël, zegt: ‘De herders hebben niet goed voor hun schapen gezorgd. Ze hebben de kudde niet beschermd. De schapen zijn alle kanten op gevlucht, maar de herders zijn de schapen niet gaan zoeken. Daarom zal het met die herders slecht aflopen!

Koningen van Juda, jullie zijn die herders! Jullie moesten zorgen voor mijn volk, maar dat hebben jullie niet gedaan. Nu zijn de inwoners van Juda verjaagd, ze zijn alle kanten op gevlucht. Daarom ga ik jullie straffen voor je slechte daden.

3De mensen van mijn volk die overgebleven zijn, haal ik terug. Ze waren verjaagd naar alle landen van de wereld. Maar ik breng hen terug naar hun eigen land. Dan zal het goed met hen gaan, dan wordt mijn volk weer groot. 4Ik zal hun nieuwe koningen geven, die goed voor hen zorgen. Dan hoeven ze nooit meer bang te zijn, en nooit meer te vluchten.’

Er zal een nieuwe koning komen

5De Heer zegt: ‘Ik zorg ervoor dat er een nieuwe koning komt uit de familie van David. Ik zal hem zelf uitkiezen. Die koning zal het land goed besturen, hij zal wijze besluiten nemen. Hij zal eerlijk rechtspreken, hij zal iedereen goed en rechtvaardig behandelen. 6Zijn naam zal zijn: ‘De Heer is onze redder’. Want ik zal mijn volk redden. Het hele volk zal in vrede leven.’

7-8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik jaag jullie weg uit je land. Ik stuur jullie naar het verre noorden en naar veel andere landen. Maar er komt een dag dat ik jullie weer terug zal brengen. Dan mogen jullie weer wonen in je eigen land.

Nu noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk bevrijd heeft uit Egypte’. Maar op die dag noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk bevrijd heeft uit het verre noorden’.’

Over de profeten

9Hier volgt Gods boodschap voor de profeten.

Jeremia heeft Gods woorden in zich

Ik voel pijn van binnen. Mijn hele lichaam beeft, ik lijk wel dronken. Niet van de wijn, nee, het komt door de Heer. Het komt door zijn heilige woorden die in mij zijn.

10Dit zijn die heilige woorden: ‘Overal in het land zijn de mensen mij ontrouw. Ze doen steeds slechte dingen, dat kunnen ze goed! Daarom heb ik het land met droogte gestraft, daarom is het gras op de velden verdord.

11Ook de profeten en de priesters zijn slecht. Ik zie dat ze zelfs misdaden plegen in mijn tempel! 12Daarom zal het slecht met hen aflopen. Als de tijd van de straf gekomen is, stuur ik een ramp op hen af. Dan zullen ze veel ellende meemaken, en allemaal sterven.’

De profeten in Jeruzalem zijn slecht

13De machtige Heer zegt: ‘Ik heb gezien wat voor slechte dingen de profeten in Samaria deden. Ze gedroegen zich als profeten van de god Baäl. Zo hebben ze mijn volk bedrogen.

14Maar de profeten in Jeruzalem zijn nog veel erger. Want die bedriegen mij! Ze vertellen alleen maar leugens. En ze steunen misdadigers. Daardoor stopt niemand met zijn slechte gedrag! De inwoners van Jeruzalem zijn net zo slecht als de inwoners van Sodom en Gomorra!

15Luister! Het zal slecht aflopen met de profeten. Ik maak hun leven zwaar en ellendig. Want het is hun schuld dat het hele land slecht geworden is.’

De profeten bedriegen de mensen

16Dit zegt de machtige Heer tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Luister niet naar de boodschap van jullie profeten. Want zij bedriegen jullie, hun boodschap komt niet van mij. Nee, de profeten vertellen dingen die ze zelf bedacht hebben!

17Ze zeggen tegen mensen die geen eerbied voor mij hebben: ‘De Heer zegt dat het goed met jullie zal gaan!’ En tegen mensen die alleen doen wat ze zelf willen: ‘Er zal niets ergs met jullie gebeuren!’

18Maar niemand van die profeten was erbij toen ik mijn besluiten nam. Ik, de Heer, heb hun niet gezegd dat ze namens mij moeten spreken. Ze hebben mijn stem niet gehoord.

God heeft de profeten niet gestuurd

19Inwoners van Jeruzalem, dit is mijn besluit: Mijn woede komt naar Jeruzalem als een hevige storm. Mijn woede zal alle slechte mensen treffen, ze zullen allemaal vernietigd worden. 20Dat is het plan dat ik ga uitvoeren. Pas als dat gebeurd is, zal mijn woede voorbij zijn. Pas dan zullen jullie goed begrijpen waarom deze dingen gebeurd zijn.

21Ik heb die profeten niet gestuurd, ik heb niet tegen hen gesproken. Toch doen ze alsof ze mijn profeten zijn. Toch zeggen ze dat ze namens mij spreken. 22Als ze mijn besluit gekend hadden, dan hadden ze namens mij kunnen spreken. Dan hadden ze mijn volk kunnen waarschuwen. En dan zouden de mensen gestopt zijn met hun slechte gedrag en met al hun misdaden! Maar zo is het niet.’

De Heer is de God van de hele wereld

23De Heer zegt: ‘Ik ben niet alleen de God van Jeruzalem. Ik ben de God van de hele wereld. 24Niemand kan zich voor mij verbergen, ik zie alles. Want ik ben overal, in de hemel en op de aarde.’

De profeten vertellen leugens

25De Heer zegt: ‘De profeten zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze vertellen leugens. Ik heb gehoord wat ze zeggen. De één roept: ‘Ik heb een droom gehad!’ En de ander roept: ‘Ik ook, ik heb ook een droom gehad!’ 26-27Ze vertellen elkaar hun dromen, maar het zijn allemaal leugens. Hun dromen zijn mooie praatjes die ze zelf verzinnen.

Ze gaan net zo lang door met hun leugens totdat mijn volk vergeten is wie ik ben! Zo ging het vroeger ook: mijn volk ging de god Baäl vereren, en mij vergaten ze.’

De Heer gaat de profeten straffen

28De Heer zegt: ‘Een profeet die een droom gehad heeft, vertelt alleen maar een droom. Maar wie mijn woorden in zich heeft, die vertelt echt mijn boodschap. Die twee dingen zijn net zo verschillend als stro en graan.’

29De Heer zegt: ‘Mijn woorden zijn net zo krachtig als een vuur dat alles verbrandt, of als een hamer die rotsen kapotslaat.’

30De Heer zegt: ‘Let op! Ik ben de vijand van de profeten, ik ga hen straffen. Want ze doen alsof ze namens mij spreken, maar ze praten elkaar allemaal na. 31Ze verzinnen een boodschap en noemen dat een boodschap van de Heer. 32Ze bedriegen mijn volk met alle leugens die ze kunnen bedenken. Ze vertellen hun dromen aan het volk en zeggen dat het mijn boodschap is. Maar ik heb die profeten niet gestuurd! Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ze brengen dit volk niets goeds.’

Vraag niet om goed nieuws van de Heer

33De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, stel dat een profeet of een priester of iemand anders van het volk aan jou vraagt: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ Dan moet je zeggen: ‘Vraag nooit meer om goed nieuws van de Heer! Want dan zorgt hij ervoor dat het helemaal fout gaat met jullie! En dan worden jullie zelf het nieuws.’’

De Heer zegt: 34‘Iedereen die nog vraagt om goed nieuws van de Heer, wordt gestraft, samen met zijn hele familie. 35Jullie mogen alleen dit vragen: ‘Wat wil de Heer?’ en: ‘Wat heeft de Heer gezegd?’

36Ik ben de levende God, de machtige Heer, jullie God. Jullie hebben mijn woorden veranderd in leugens! En jullie noemen die leugens ‘goed nieuws van de Heer’. Maar waag het niet om dat nog te zeggen! 37-38Vraag dus nooit meer aan een profeet: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ Het enige wat je mag vragen is: ‘Wat wil de Heer?’ en: ‘Wat heeft de Heer gezegd?’’

De Heer zegt: ‘Maar stel dat jullie toch vragen: ‘Is er nog goed nieuws van de Heer?’ 39Dan worden jullie zelf het nieuws. Want dan zorg ik ervoor dat het helemaal fout gaat met jullie. Dan stuur ik jullie naar een ver land. Dan vernietig ik Jeruzalem, de stad die ik aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heb.

40Dan zullen jullie belachelijk gemaakt worden, altijd en overal. Dan zullen jullie voor altijd vernederd zijn. Dan zijn jullie het nieuws dat nooit vergeten wordt.’