Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

De Judeeërs vereerden afgoden

171De Heer zegt: ‘Het staat vast dat het volk van Juda slecht is. Niemand kan dat ontkennen. Het is alsof het met een ijzeren pen op een grote steen geschreven is. De mensen zijn slecht van binnen, hun hart zit vol kwaad. En ook hun daden zijn slecht, want ze vereren afgoden.

2Volk van Juda, jullie land staat vol met altaren en heilige palen voor de godin Asjera. Jullie zijn even slecht als jullie voorouders.

3Ik geef Jeruzalem aan de vijanden. Zij zullen al jullie bezittingen en kostbare schatten meenemen. Omdat jullie overal afgoden vereerd hebben, zullen jullie alles kwijtraken. 4Ook het land dat ik jullie gegeven heb, zal ik van jullie afpakken. Dan worden jullie slaven van je vijanden, in een land dat jullie niet kennen. Want ik ben woedend op jullie. Mijn woede is als een vuur dat altijd blijft branden.’

Vertrouw alleen op de Heer

5De Heer zegt: ‘Het loopt slecht met je af als je alleen op mensen vertrouwt. Als je hulp zoekt bij mensen en niets van mij wilt weten. 6Dan lijk je op een struik in de woestijn. Een dorre struik in een gebied waar niets groeit, waar niemand woont en waar het nooit regent.

7Maar als je op mij vertrouwt en bij mij hulp zoekt, zul je gelukkig zijn. 8Dan lijk je op een boom aan het water. De wortels van zo’n boom groeien tot in de rivier. Zo’n boom heeft geen last van de hete zomer, zijn bladeren blijven altijd groen. En hij geeft ieder jaar vruchten, ook in jaren van droogte.

Ieder mens krijgt wat hij verdient

9-10Niemand ziet hoe mensen van binnen zijn. Maar ik, de Heer, ken de mensen. Ik weet wat ze denken. Ik weet hoe slecht ze van binnen zijn, ik zie dat ze altijd het verkeerde willen. Ik beloon het goede en ik straf het kwade. Zo krijgt ieder mens wat hij verdient.

11Stel dat iemand op een oneerlijke manier rijk wordt. Hij wordt rijk door wat hij van anderen afpakt. Maar op het moment dat hij veel succes heeft, raakt hij alles kwijt. En uiteindelijk sterft hij als iemand die mislukt is.’

Jeremia vraagt God om hem te redden

12Toen zei ik: ‘Heer, de berg Sion is uw eeuwige en machtige troon. Op die berg staat onze tempel. 13Heer, u bent onze enige hoop. U bent de levende Heer, die redding kan geven. Mensen die niet trouw zijn aan u, die worden verslagen. Mensen die u verlaten, zullen snel van de aarde verdwijnen.

14Heer, maak mij beter, zodat ik weer gezond ben. Red mij, zodat ik veilig ben. Dan kan ik u danken.

15De mensen zeggen tegen mij: ‘Al die dingen die de Heer jou laat zeggen, zullen niet gebeuren!’ 16-17Kijk toch wat ze doen, Heer! Bescherm mij tegen hen. Straks ga ik nog dood omdat ik uw woorden bekendmaak!

U weet dat ik nooit om straf voor het volk gevraagd heb. U weet precies wat ik tegen de mensen gezegd heb. U hebt het zelf gehoord. Ik heb steeds gezegd wat u tegen mij zei. 18Zorg er daarom voor dat mijn vijanden bespot worden, en niet ik. Zorg ervoor dat mijn vijanden beven van angst, en niet ik. Laat er voor hen een tijd van ellende komen. Geef hun een zware straf.’

De regel voor de sabbat

19-20Opnieuw gaf de Heer een opdracht aan Jeremia. Jeremia moest naar de poort van het paleis gaan, en daarna naar alle poorten van de stad Jeruzalem. Hier volgt wat hij moest zeggen tegen iedereen die daar langskwam.

De Heer gaf een regel voor de sabbat

Koningen van Juda, inwoners van Juda en Jeruzalem, luister goed! 21De Heer zegt tegen jullie: ‘Denk erom dat je op sabbat geen spullen door de poorten van de stad draagt! 22Denk erom dat je op sabbat geen spullen uit je huis naar buiten draagt! Op sabbat mag je niet werken, want het is een heilige dag.

Die regel heb ik al aan jullie voorouders gegeven. 23Maar zij wilden niet luisteren, ze waren ongehoorzaam. Ze hebben zich tegen mij verzet, ze trokken zich niets aan van mijn regels.’

Israël moet zich aan de regel houden

24De Heer zegt: ‘Jullie moeten nu wel naar mij luisteren! Draag op sabbat geen spullen door de poorten van de stad. Op sabbat mag je niet werken, want het is een heilige dag. 25Als jullie luisteren, zal het goed met jullie gaan. Dan zullen de poorten van de stad altijd opengaan voor de koningen uit de familie van David. Zij zullen op prachtige wagens de stad binnenrijden, samen met de bestuurders en de rest van het volk. Dan blijft de stad voor altijd bestaan.

26Dan zullen uit alle steden en provincies van Juda mensen naar de tempel van de Heer komen. Ze zullen allemaal offers meebrengen: graan, wierook, offers om op het altaar te verbranden, offers voor een feestmaal, en offers om de Heer te danken.

27Draag dus op sabbat geen spullen door de poorten van de stad, want het is een heilige dag. Als jullie niet naar mij luisteren, zal ik Jeruzalem laten vernietigen. Dan laat ik de paleizen en alle poorten van de stad door vuur verwoesten. En niemand zal dat vuur kunnen doven.’

18

Bij de pottenbakker

Jeremia gaat naar de pottenbakker

181De Heer zei tegen Jeremia: 2‘Ga naar het huis van de pottenbakker. Daar zal ik je vertellen wat mijn boodschap is.’

3Jeremia ging naar het huis van de pottenbakker. De pottenbakker was aan het werk. 4Hij pakte een stuk klei en begon een pot te maken. Maar de pot mislukte. De pottenbakker begon opnieuw. Hij vormde de klei met zijn handen, net zo lang tot het de pot was die hij wilde.

De Heer heeft macht over alle volken

5Toen gaf de Heer aan Jeremia de opdracht om tegen het volk te zeggen: 6‘Luister, volk van Israël. De Heer zegt tegen jullie: ‘De pottenbakker doet met zijn klei wat hij wil. Net zo doe ik met jullie wat ik wil.

Begrijpen jullie wel hoe machtig ik ben? 7Ik kan het besluit nemen om een land te vernietigen, en de inwoners weg te jagen en te doden. 8Maar stel dat die inwoners stoppen met hun slechte gedrag. Dan kan ik mijn besluit veranderen en hen toch niet straffen. 9Ik kan het besluit nemen om een volk gelukkig te maken en hun land op te bouwen. 10Maar stel dat die mensen slechte dingen gaan doen. Dan kan ik mijn besluit veranderen en hen toch niet gelukkig maken.’’

Jeremia waarschuwt alle Judeeërs

11Dit moest Jeremia zeggen: ‘Luister, volk van Juda en inwoners van Jeruzalem! De Heer zegt: ‘Ik ben van plan om jullie kwaad te doen. Jullie zullen iets verschrikkelijks meemaken.’ Stop dus meteen met je slechte gedrag en ga leven als goede mensen. 12Maar jullie zeggen: ‘Laat ons toch! We willen zelf bepalen wat we doen. We willen alleen doen waar we zelf zin in hebben.’

Het zal slecht aflopen met het land

13De Heer zegt: ‘Mijn volk Israël heeft iets afschuwelijks gedaan! Niemand op aarde heeft ooit zoiets ergs gehoord.

14Op de toppen van de Libanon-bergen ligt altijd sneeuw. En uit de bronnen in de hoge bergen stroomt altijd water. Daar kun je op vertrouwen, want zo zijn de wetten van de natuur. 15Maar de wetten die ik aan mijn volk gaf, die worden vergeten. Mijn volk brengt offers aan afgoden. Ze zijn de goede weg kwijtgeraakt, ze doen alleen nog maar verkeerde dingen.

16Daarom zal het met dit land heel slecht aflopen. Mijn volk zal door iedereen bespot worden. Iedereen die het verwoeste land ziet, zal beven van angst en zich snel omdraaien. 17Ik stuur vijanden om mijn volk te straffen. Zij zullen de mensen naar alle kanten wegjagen. Als dat gebeurt, dan draai ik me om en help ik hen niet.’’

Jeremia wordt bedreigd

De mensen willen Jeremia kwaad doen

18Toen zeiden de mensen in Jeruzalem: ‘Kom, we bedenken een plan tegen Jeremia. We hebben genoeg van zijn praatjes! We hebben toch priesters, wijze mannen en profeten? Zij zullen ons altijd goede raad geven en vertellen wat we moeten doen. Maar Jeremia moet zijn mond houden. We maken een eind aan al zijn gepraat.’

Jeremia bidt om straf voor Jeruzalem

19-20Jeremia zei: ‘Heer, luister naar mij. Ik ben altijd goed geweest voor de inwoners van Jeruzalem. U weet, Heer, dat ik mijn best voor hen gedaan heb. Want ik heb u gevraagd om niet boos op hen te zijn en hen niet te straffen. Maar zij behandelen mij slecht! Hebt u gehoord wat ze van plan zijn? Ze willen mij kwaad doen!

21-22Laat daarom hun kinderen maar sterven van de honger, laat ze maar doodgaan in de oorlog. Laat alle mannen, jong en oud, sterven door ziektes en oorlog. Laat de vrouwen maar alleen in hun huizen, zonder man en kinderen. Laat ze maar huilen als u plotseling vijanden naar hen toe stuurt. Want de inwoners van Jeruzalem hebben plannen gemaakt om mij kwaad te doen.

23Heer, u weet wat ze met mij van plan zijn. U weet dat ze mij willen doden. Heer, vergeef hun misdaden niet, en vergeet hun schuld niet! Zorg ervoor dat ze gestraft worden. Zorg ervoor dat het slecht met hen afloopt.’

19

De gebroken kruik

Vreselijke dingen in het Hinnom-dal

191-2De Heer gaf Jeremia de opdracht om een kruik te kopen. Daarna moest Jeremia aan enkele belangrijke priesters en leiders van het volk vragen om met hem de stad uit te gaan. Ze moesten naar het Hinnom-dal gaan. Het Hinnom-dal ligt aan de kant van de Schervenpoort. 3In het dal moesten ze naar de plaats Tofet gaan.

Daar moest Jeremia zeggen: ‘Luister, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik zal op deze plaats een ramp laten gebeuren. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 4Want jullie hebben mij verlaten. Jullie hebben van Tofet een vreselijke plek gemaakt. Hier brengen jullie offers aan andere goden. Jullie kennen die goden niet eens, en ook jullie voorouders en de koningen van Juda hebben die goden nooit gekend.

Hier hebben jullie onschuldige mensen vermoord. Jullie hebben deze plaats veranderd in een dal vol bloed! 5Jullie hebben hier altaren voor de god Baäl gebouwd. Op die altaren offeren jullie je eigen kinderen. Jullie verbranden ze als offer voor Baäl. Maar dat heb ik nooit van jullie gevraagd! Zoiets heb ik nooit gezegd, zoiets wil ik niet!

Straf voor Juda en Jeruzalem

6Daarom ga ik jullie straffen, inwoners van Juda en Jeruzalem. Dit dal zal niet meer het Hinnom-dal genoemd worden, maar het Dal van de Moorden. 7Hier maak ik een eind aan jullie plannen. Hier laat ik jullie doden door jullie vijanden. En jullie lichamen laat ik opeten door roofvogels en wilde dieren.

8Ik zal zorgen dat het heel slecht afloopt met Jeruzalem. De inwoners van de stad zullen door iedereen bespot worden. Alle mensen die de verwoeste stad zien, zullen beven van angst en zich snel omdraaien. Hun mond zal openvallen van schrik over zo veel rampen. 9Ja, de vijanden zullen Jeruzalem aanvallen, en de ellende in de stad zal groot zijn. Mensen zullen andere mensen opeten, zelfs hun eigen kinderen! Zo groot zal de honger zijn.’’

Jeruzalem zal vernietigd worden

10Toen moest Jeremia de kruik die hij gekocht had, kapotslaan. De mannen die met hem meegekomen waren, zagen wat hij deed.

11-12En Jeremia moest de volgende woorden tegen hen zeggen: ‘De machtige Heer zegt: ‘Ik ga dit volk en deze stad vernietigen, net zoals je een kruik kapotslaat! Zo’n kruik kan niet meer gemaakt worden, en dat geldt ook voor jullie volk en jullie stad. Hier in Tofet zullen de doden begraven worden. Het hele dal zal vol dode lichamen liggen.

Ik ga de inwoners van Jeruzalem doden, ik maak van de stad één grote begraafplaats. 13De huizen en paleizen in de stad zullen onreine plaatsen worden. Want op de daken hebben de inwoners van de stad afgoden vereerd. Ze hebben wierook gebrand voor de sterren, en wijn geofferd aan andere goden.’’

Jeremia spreekt in de tempel

14Die woorden van de Heer zei Jeremia in Tofet. Daarna ging hij terug naar Jeruzalem. Hij ging naar het plein voor de tempel, en zei tegen het volk van Juda: 15‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb jullie gewaarschuwd voor rampen in Jeruzalem en al jullie andere steden. Maar jullie waren eigenwijs, jullie wilden niet luisteren. Daarom laat ik die rampen nu komen.’’