Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

Een tijd van droogte

141Hier volgen de woorden van de Heer die Jeremia moest zeggen. Ze gaan over de tijd dat het in Juda zo droog was, dat er niets groeide op het land.

Het is zo droog dat er niets groeit

2Het gaat slecht met de inwoners van Juda en Jeruzalem, het gaat slecht met hun land. Daarom hebben ze zwarte kleren aangetrokken en zitten ze op de grond. Ze klagen en jammeren.

3Rijke mensen sturen hun knechten om water te halen. Die gaan naar de putten buiten de stad. Maar ze vinden geen water. Ze komen terug met lege kruiken. Ze zijn wanhopig, ze durven niet naar huis terug te gaan.

4Iedereen is in paniek. Er groeit niets op het land, omdat het niet geregend heeft. De oogst is mislukt, de boeren zijn wanhopig. 5Ook voor de dieren is er niets te eten. Herten laten zelfs hun jongen in de steek, omdat ze geen eten kunnen vinden. 6Op de kale heuvels zoeken de wilde ezels naar gras. Ze hijgen, ze happen naar adem. Ze zijn blind van de honger.

De Heer moet zijn volk helpen

7Heer, help ons! Niet omdat wij het verdienen, want wij hebben veel kwaad gedaan. We zijn u vaak ontrouw geweest en we deden steeds het verkeerde. Maar help ons alstublieft! Dan zal iedereen zien hoe machtig u bent.

8Heer, u bent onze enige hoop. U bent onze redder als wij in gevaar zijn. Waarom helpt u ons niet? Waarom doet u niets? Het lijkt alsof u niets met ons te maken wilt hebben. 9U lijkt wel een man die in paniek is, een soldaat die niet kan helpen.

U bent toch bij ons, Heer? Wij zijn toch uw volk? Laat ons niet alleen!

De Heer wil niet luisteren

10Volk van Israël, dit heeft de Heer over jullie gezegd: ‘Mijn volk houdt ervan om van mij weg te lopen. Ze doen altijd wat ze zelf willen. Ik zal niet langer goed voor hen zijn. Ik ga hen straffen voor al hun misdaden.’

11Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, bid niet voor dit volk. Vraag mij niet om hen te redden. 12Hoeveel ze ook bidden en vasten, ik luister niet. En al hun geschenken en offers, die wil ik niet. Ik ga mijn volk vernietigen door oorlog, hongersnood en ziektes.’

De profeten hebben leugens verteld

13Ik zei: ‘Heer, mijn God, u weet toch wat de profeten zeggen tegen de inwoners van Jeruzalem? Ze zeggen: ‘Er komt hier geen oorlog en ook geen hongersnood. De Heer geeft ons vrede. We zijn veilig.’’

14Toen zei de Heer tegen mij: ‘Die profeten zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze liegen. Ik heb hen niet gestuurd, ik heb hun geen opdracht gegeven, ik heb niet tegen hen gesproken. Zij vertellen de mensen leugens over wat er zal gebeuren. Het zijn mooie praatjes die ze zelf verzonnen hebben. Het zijn dromen die ze zelf bedacht hebben. 15Ze zeggen tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Er komt hier geen oorlog en ook geen hongersnood.’

Maar de profeten die dat zeggen, zullen zelf door oorlog en hongersnood sterven. 16Net als de inwoners van Jeruzalem. Mannen, vrouwen en kinderen zullen dood op straat blijven liggen. Want er zal niemand meer zijn om hen te begraven.

Zo zal ik de profeten en de inwoners van Jeruzalem straffen voor hun slechtheid.’

Jeremia huilt om zijn volk

17Ik kan niet stoppen met huilen, mijn tranen stromen dag en nacht. Want er is een vreselijke ramp over mijn volk gekomen. Het komt nooit meer goed!

18Overal waar ik kom, zie ik doden liggen. Buiten de stad liggen ze op het veld, gedood in de oorlog. In de stad liggen ze op straat, gestorven van de honger. En de profeten en de priesters zijn verdwenen naar een onbekend land.

Het volk vraagt de Heer om hulp

19De inwoners van Juda zeggen: ‘Wij hoopten op vrede, we hoopten dat het goed zou komen. Maar er kwam geen vrede, alleen maar angst. Heer, waarom hebt u ons zo zwaar gestraft dat het niet meer goed kan komen? Mogen wij uw volk niet meer zijn? Mag Jeruzalem uw stad niet meer zijn?

20Heer, we weten dat we slechte mensen zijn, net als onze voorouders. We zijn niet trouw geweest aan u. 21Maar laat uw volk niet in de steek, Heer. Laat iedereen zien hoe machtig u bent. En bescherm uw heilige tempel. U hebt ons toch beloofd dat u onze God zou zijn? Vergeet uw belofte niet!

22Die waardeloze goden van andere volken kunnen niet voor regen zorgen. En regen komt ook niet vanzelf uit de lucht. U zorgt voor regen, Heer, onze God, en ook voor alle andere dingen. Daarom hopen wij op uw hulp, Heer.’

15

De Heer helpt niet, maar straft

151Toen zei de Heer tegen mij: ‘Luister, Jeremia. Ik ga dit volk niet helpen. Zelfs als Mozes en Samuel hier voor mij zouden staan om voor het volk te bidden, zou ik niet luisteren. Stuur dit volk bij me weg.

2Stel dat de mensen aan je vragen: ‘Waar moeten we dan naartoe?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft voor jullie vier plaatsen uitgekozen om naartoe te gaan: de dood, de oorlog, de hongersnood en een ver land. Je zult wel merken welke plaats voor jou bestemd is.’’

Alle volken op aarde zullen schrikken

3De Heer zegt: ‘Ik zal jullie op vier manieren straffen. Eerst komen de soldaten om jullie te doden. Dan komen de honden om je lichaam weg te slepen. Dan komen de roofvogels om je lichaam op te eten, en dan de wilde dieren.

4Dat is de straf voor alle slechte dingen die koning Manasse, de zoon van Hizkia, gedaan heeft in Jeruzalem. Als de volken op aarde zien wat ik met jullie doe, zullen ze beven van schrik.’

De straf zal zwaar zijn

5De Heer zegt: ‘Inwoners van Jeruzalem, niemand heeft medelijden met jullie. Niemand heeft verdriet om jullie. Niemand komt kijken hoe het met jullie gaat. 6Jullie hebben mij verlaten, jullie gingen bij mij weg. Daarom straf ik jullie. Ik zal jullie vernietigen. Ik heb er genoeg van om medelijden met jullie te hebben.

7Ik jaag jullie weg uit de steden van het land. Ik zorg dat jullie gedood worden, ook jullie kinderen. Want niemand van jullie heeft zijn leven veranderd. 8Midden op de dag stuur ik de vijanden op jullie af. Dan zullen jullie in paniek zijn, ineens zal iedereen bang zijn. Ontelbaar veel vrouwen zullen hun mannen en zonen verliezen in de oorlog. 9Dan blijven moeders alleen achter, ook al hadden ze zeven kinderen. Ze verliezen al hun kracht en hoop. Al hun geluk is in één klap verdwenen. Ze worden behandeld als vuil. En iedereen die dan nog over is, zal ik door de vijanden laten doden.’ Dat zegt de Heer.

God geeft Jeremia antwoord

10Ik zei: ‘Het is verschrikkelijk! Ik had nooit geboren moeten worden! Ik heb ruzie met iedereen. Het hele volk behandelt mij als een vijand. Ik heb niemand slecht behandeld en toch word ik door iedereen uitgescholden.

11Ik heb zelfs voor het volk gebeden! Ik heb u steeds om hulp gevraagd als de mensen het moeilijk hadden.’

12-13Toen zei de Heer: ‘Niemand kan jou kapotmaken, Jeremia. Net zoals niemand ijzer of brons kan breken.

Ik zal de vijanden uit het verre noorden halen. Zij zullen alle kostbare bezittingen van dit volk meenemen. Dat is de straf voor de misdaden die de mensen van dit volk overal gepleegd hebben. 14Ze zullen leven als slaven in een ver land. Want mijn woede is als een groot vuur. Niemand kan eraan ontsnappen.’

Jeremia herhaalt zijn klacht

15Ik zei: ‘Heer, u kent mij. Denk aan mij, kom mij te hulp. Straf mijn vijanden. Heb geen geduld met hen, Heer. Anders is het voor mij te laat. U weet toch dat ik slecht behandeld word omdat ik trouw ben aan u?

16Heer, u gaf mij uw woorden, ze kwamen in mij. Doordat uw woorden in mij waren, werd ik blij. Want daardoor hoorde ik helemaal bij u, Heer, machtige God. 17Maar met uw woorden kwam ook uw woede in mij. Ik moet de mensen vertellen dat u kwaad op hen bent. Zo hebt u mij eenzaam gemaakt. Ik heb nooit plezier, vrolijke mensen komen niet in mijn buurt.

18Hoe lang moet ik dit nog volhouden? Het gaat heel slecht met me. Ik denk niet dat het nog goed kan komen. Heer, hoe kan ik u nog vertrouwen als u mij niet helpt?’

God geeft Jeremia antwoord

19Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, als je mij weer vertrouwt, zul je weer spreken als mijn profeet. Maar spreek alleen de woorden die ik je geef. Het volk moet luisteren naar wat jij zegt. Maar jij moet niet naar hen luisteren.

20Ik maak jou zo sterk als een muur van brons. Alle mensen van het volk zullen tegen je vechten, maar ze kunnen je niet verslaan. Want ik ben bij je. Ik zal je redden, en beschermen tegen gevaar. 21Ik zal je redden van je vijanden. Ik zal je beschermen tegen de mensen die je willen doden.’

16

Jeremia laat zien hoe God straft

Jeremia mag niet trouwen in Juda

161De Heer zei tegen mij: 2‘Jeremia, zolang je in Juda woont, mag je niet trouwen. Je mag hier geen kinderen krijgen. 3Zo laat je aan de mensen zien wat er in Juda zal gebeuren: de kinderen die hier geboren worden, zullen sterven. Ook hun moeders en hun vaders zullen sterven.

4Alle mensen zullen sterven door oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. Niemand zal om hen huilen. Niemand zal hen begraven. Ze zullen op de grond liggen als mest voor het land. En hun lichamen zullen worden opgegeten door roofvogels en wilde dieren.’

Jeremia mag niet huilen om de doden

5De Heer zei: ‘Jeremia, je mag niet naar mensen toe gaan die rouwen om een dode. Rouw niet met hen mee, en troost hen niet. Zo laat je aan de mensen zien dat ik geen medelijden meer met hen heb. Ik ben hun vriend niet meer. Ik houd niet meer van mijn volk.

6Iedereen in dit land zal sterven, oud en jong. De doden worden niet begraven en niemand zal om hen huilen. Niemand zal om de doden rouwen. 7Niemand komt de familie van een dode troosten. Mensen die verdriet hebben, krijgen geen steun. Zelfs niet als hun vader of moeder gestorven is.’

Jeremia mag geen feest vieren

8-9De machtige Heer, de God van Israël, zei: ‘Jeremia, je mag niet naar een feest gaan om samen met anderen te eten en te drinken. Zo laat je aan de mensen zien wat er gaat gebeuren: er komt een eind aan alle vreugde en vrolijkheid. Ik zorg ervoor dat er geen feesten en bruiloften meer gevierd worden in het land. De mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken.’

Jeremia geeft uitleg over Gods straf

10De Heer zei: ‘Jeremia, jij moet alles wat ik besloten heb, aan het volk vertellen. Stel dat zij aan je vragen: ‘Waarom wil de Heer ons die vreselijke dingen aandoen? Wat hebben wij verkeerd gedaan? Waarom is de Heer zo kwaad op ons?’ 11Dan moet je dit tegen hen zeggen:

‘De Heer zegt: Jullie voorouders waren niet trouw aan mij. Ze vereerden andere goden in plaats van mij. Ze knielden voor afgoden, en ze luisterden niet naar mijn wet. 12Maar jullie doen nog slechtere dingen dan jullie voorouders! Jullie doen alleen maar waar jullie zelf zin in hebben, jullie willen niet naar mij luisteren.

13Daarom zal ik jullie wegjagen uit dit land. Ik stuur jullie naar een ver land, waar jullie en jullie voorouders nog nooit geweest zijn. Daar zullen jullie dag en nacht andere goden moeten dienen. En ik zal dan geen medelijden met jullie hebben.

Na de straf komt er een goede tijd

14-15De Heer zegt: Als ik jullie wegjaag uit je land, dan stuur ik jullie naar het verre noorden en naar veel andere landen. Maar er komt een dag dat ik jullie weer naar je eigen land zal terugbrengen. Dan mogen jullie weer wonen in het land dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. Nu noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk uit Egypte bevrijd heeft’. Maar op die dag noemen jullie mij ‘de Heer die zijn volk bevrijd heeft uit het verre noorden’.

16Maar voordat die dag komt, zullen jullie gestraft worden. Ik zal vijanden sturen om jullie aan te vallen. Zij zullen iedereen grijpen, ook de mensen die zich verstopt hebben of die gevlucht zijn. 17-18Ik ga jullie zwaar straffen voor jullie slechte gedrag. Ik heb al jullie misdaden gezien. Overal in mijn land hebben jullie godenbeelden neergezet, afschuwelijke beelden waar geen leven in zit. Ik wil in dit land niet meer vereerd worden.’’

Vertrouw op de Heer

Jeremia bidt tot de Heer

19Ik zei: ‘Heer, ik vertrouw op uw macht. Als ik in gevaar ben, verwacht ik dat u mij helpt.

Alle volken van de aarde zullen naar u toe komen en zeggen: ‘De goden van onze voorouders kunnen helemaal niets! Wij vereerden goden die ons niet kunnen helpen! 20Ja, wij mensen kunnen wel godenbeelden maken, maar dat zijn geen echte goden!’’

21De Heer zei: ‘Ik zal de volken op aarde mijn machtige daden laten zien. Dan zal iedereen weten dat ik de Heer ben.’