Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

Alleen de Heer is God

Goden van andere volken kunnen niets

101De Heer zegt tegen het volk van Israël: ‘Luister goed! 2Jullie moeten de andere volken niet nadoen. Zij kijken aandachtig naar wat er in de lucht gebeurt, want daarin zien ze tekens van de goden. Dat moeten jullie niet doen.

3De gewoontes van de andere volken stellen niets voor. Kijk maar hoe ze hun goden maken: Ze hakken bomen om in het bos en maken daar beelden van. 4Die versieren ze met zilver en goud. Daarna zetten ze de beelden vast met spijkers, zodat ze niet omvallen. 5Die beelden lijken op vogelverschrikkers op een akker. Ze kunnen niet spreken. En je moet ze dragen, want ze kunnen zelf niet lopen.

Volk van Israël, wees niet bang voor zulke goden. Ze kunnen niets doen, geen kwaad en geen goed.’

Er is niemand zoals de Heer

6Heer, er is niemand zoals u! U bent een machtige God. Iedereen moet u eren omdat u machtig bent. 7U bent de koning van alle volken, u verdient eerbied van alle mensen. Er zijn op aarde veel machtige en wijze mensen. Maar er is niemand zo machtig en wijs als u.

8De volken op aarde zijn dom en dwaas. Want ze snappen niet dat hun goden alleen maar stukken hout zijn. 9Dat hout is wel heel mooi versierd met zilver en goud uit verre landen. En kunstenaars hebben van dat hout prachtige beelden gemaakt met blauwe en rode mantels. 10Maar Heer, alleen u bent echt God. U bent de levende God, de eeuwige koning. Als u woedend bent, beeft de hele aarde. Als u een volk straft, blijft er niets van over.

11De goden van de volken hebben de hemel en de aarde niet gemaakt. Daarom zullen ze van de aarde verdwijnen!

Alleen de Heer is machtig

12De Heer, die machtig en wijs is, heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij zette de aarde vast en plaatste de hemel daarboven. 13Als de Heer spreekt, stroomt het water uit de hemel. De wolken haalt hij van ver, van het einde van de aarde. De Heer brengt ook de regen en de bliksem, en uit zijn hemel stuurt hij de wind.

14Daarom is het dom om beelden te vereren. De kunstenaars moeten zich schamen voor wat ze gemaakt hebben. Want die beelden zijn niet echt, er zit geen leven in. 15Ze zijn waardeloos. Als het moment van de straf komt, zullen die beelden van de aarde verdwijnen.

16De God van Israël is heel anders. Hij heeft alles gemaakt, en Israël is zijn eigen volk. Zijn naam is: Machtige Heer.

Het moment van de straf

Het is fout gegaan met het land

17Luister, inwoners van Jeruzalem, die bedreigde stad! Maak je klaar om weg te gaan uit je land. 18Want de Heer zegt: ‘Nu jaag ik jullie weg uit het land! Jullie zullen het moeilijk krijgen, dat zul je wel merken.’

19Eerst dachten jullie: We hebben het zwaar, maar alles komt goed. Maar nu zullen jullie huilen van ellende, en zeggen: ‘Het komt nooit meer goed! 20Ons land is verwoest, de steden zijn vernietigd. De inwoners zijn weg. Er is niemand om de huizen weer op te bouwen.’

21Dat zal gebeuren omdat jullie leiders dom zijn. Ze hebben de Heer niet om hulp gevraagd. Daarom zijn al hun plannen mislukt, en daarom worden jullie over de aarde verspreid.

22Luister, daar klinkt een geluid! Het komt dichterbij. Het grote, machtige leger uit het verre noorden komt eraan. Ze zullen van de steden van Juda een woestijn maken, een plaats voor wilde dieren.

Jeremia bidt voor het volk

23Heer, wij weten dat een mens niet zelf zijn leven bepaalt. Een mens kan niet zelf kiezen hoe zijn leven zal gaan.

24Heer, wees rechtvaardig als u ons straft. En straf ons niet uit woede, want dan blijft er niemand over. 25Straf met uw woede juist de andere volken. De volken die u niet kennen en u niet vereren. Want zij hebben ons kwaad gedaan. Ze hebben ons vernietigd, ze hebben ons land verwoest.

11

Gods afspraak met zijn volk

111-4Hier volgen de woorden van de Heer die Jeremia moest zeggen tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

De Heer gaf regels aan Israël

Luister! De Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb jullie voorouders bevrijd uit hun ellende, ik heb hen uit Egypte weggehaald. Ik heb met hen deze afspraak gemaakt: ‘Wees mij gehoorzaam en houd je aan alle regels die ik je geef. Dan zullen jullie mijn volk zijn en dan zal ik jullie God zijn. Maar iedereen die zich niet aan deze afspraak houdt, zal ik straffen.’ 5Ik heb jullie voorouders toen een land beloofd waarin iedereen genoeg te eten en te drinken heeft. En in dat land leven jullie nu.’

Israël luisterde niet naar de Heer

De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, ik heb me gehouden aan de afspraak met mijn volk.’ En ik antwoordde: ‘Heer, dat is waar.’

6Toen liet de Heer mij het volgende zeggen tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: ‘Luister! De Heer zegt: ‘Houd je aan de afspraak die ik met jullie gemaakt heb. 7Ik heb jullie voorouders bevrijd uit Egypte. En ik heb hun steeds weer gezegd dat ze naar mij moesten luisteren. Dat heb ik ook steeds tegen jullie gezegd.

8Maar jullie voorouders hebben niet geluisterd. Ze deden alleen dingen die ze zelf wilden, slechte dingen. Ze hielden zich niet aan de regels die ik hun gaf. Daarom heb ik hen gestraft, want dat was de afspraak.’’

Israël luistert nog steeds niet

9De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, ik heb ontdekt dat de inwoners van Juda en Jeruzalem mij bedriegen. 10Ze doen dezelfde slechte dingen als hun voorouders. Ze doen niet wat ik van hen vraag, en ze vereren andere goden. De inwoners van Juda doen dus hetzelfde als de inwoners van Israël: ze houden zich niet aan de afspraak die ik met mijn volk gemaakt heb.

11-12Daarom zeg ik tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: Ik stuur een ramp op jullie af. En dan is er geen redding meer mogelijk. Jullie zullen mij om hulp vragen, maar ik zal niet luisteren. Dan zullen jullie de andere goden om hulp vragen, de goden aan wie jullie offers brengen. Maar die goden komen jullie zeker niet redden.

13En jullie hebben veel goden, jullie hebben net zo veel goden als steden! En in elke straat van Jeruzalem staat een altaar voor Baäl. Daar brengen jullie offers aan die afschuwelijke god.’

De Heer gaat zijn volk straffen

14Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, bid niet voor dit volk. Vraag mij niet om medelijden met hen te hebben. Want ik zal niet luisteren als ze in gevaar zijn en mij om hulp vragen.

15Mijn volk is alleen maar bezig met kwade plannen. Wat doen ze nog in mijn tempel? Ze brengen veel offers en denken dat ze daardoor gered kunnen worden. Ze denken dat ze straks blij en vrolijk kunnen zijn. Maar zo is het niet.’

16-17Luister, inwoners van Israël en Juda! De machtige Heer zegt: ‘Er was eens een groene olijfboom met prachtige vruchten. Maar de boom werd geraakt door de bliksem en brandde helemaal af. Jullie zijn net als die boom. Ik heb jullie geplant, maar nu laat ik jullie met geweld vernietigen. Want jullie hebben mij diep beledigd door offers te brengen aan de god Baäl.’

Jeremia is in gevaar

Een plan om Jeremia te doden

18-19De mannen van Anatot maakten een plan om mij te doden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we Jeremia doden. Laten we zorgen dat hij helemaal verdwijnt, en dat zijn naam nooit meer genoemd wordt!’

Ik wist van niets. Zoals een schaap niet weet dat het geslacht gaat worden, zo wist ik niet dat ik in gevaar was. Maar de Heer vertelde mij over de plannen van die mannen. 20Toen zei ik tegen de machtige Heer: ‘Heer, u bent een eerlijke rechter, en u kent alle mensen. U weet dat die mannen mij kwaad willen doen. Laat mij zien dat u hen straft!’

21-22Toen zei de machtige Heer: ‘De mannen van Anatot hebben tegen jou gezegd: ‘Als je nog één keer woorden van de Heer uitspreekt, dan slaan we je dood.’ Omdat die mannen jou met de dood bedreigd hebben, zal ik hen straffen. Ze zullen sterven in de oorlog. En hun kinderen zullen sterven van de honger. 23Wacht maar totdat ik die mannen straf! Dan loopt het slecht met hen af. Niemand uit Anatot zal in leven blijven.’

12

Jeremia’s vraag en Gods antwoord

121Ik zei tegen de Heer: ‘Heer, u bent een eerlijke rechter. Uw oordeel is altijd juist. Maar nu wil ik iets van u weten. Waarom gaat het met slechte mensen goed? Waarom genieten bedriegers van een fijn leven? Is dat eerlijk, Heer?

2U hebt die mensen het leven gegeven. Het gaat goed met hen, ze hebben succes. Ze eren u met mooie woorden, maar ze menen er niets van. 3Heer, u kent mij, u weet hoe ik leef en hoe ik van binnen ben. Ik vraag u, Heer, straf die slechte mensen. Breng ze weg als schapen die geslacht gaan worden, stuur ze naar het land van de dood.

4De misdaden van de mensen brengen ellende. Hoe lang gaat dat nog duren, Heer? Er groeit niets op het land. Bloemen en planten gaan dood. De dieren op het land en de vogels hebben niets meer te eten. En als ik de mensen vertel dat u hen gaat straffen, bedreigen ze mij met de dood.’

5Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, het is nog veel erger dan je denkt. 6Want zelfs je eigen familie heeft je verraden, je eigen broers en zussen. Vertrouw hen niet, al doen ze nog zo vriendelijk. Want straks komen ze schreeuwend achter je aan.’

De straf van God

Het land is een woestijn geworden

7De Heer zegt: ‘Ik heb mijn volk verlaten. Ik heb mijn land achtergelaten. Ik heb mijn volk aan de vijanden uitgeleverd.

Vroeger hield ik ontzettend veel van mijn volk, 8-9maar nu haat ik het. Want de mensen zijn tegen mij in opstand gekomen. Ze verzetten zich als brullende leeuwen, als een stel wilde dieren. Daarom heb ik vijanden laten komen. Zij bedreigen mijn volk, als roofvogels die op zwakke dieren jagen. De vijanden zijn gekomen om het land te verwoesten.

10Koningen hebben met hun legers het land verwoest. Ze hebben het vernietigd, ze hebben van mijn mooie land een droge woestijn gemaakt. 11Het hele land is een woestijn geworden, het is leeg en verlaten. Het is vernietigd, en er is niemand die zich er druk om maakt.’

De Heer straft alle mensen op aarde

12Kijk naar de heuvels in de woestijn! Daar komen de vijanden, ze komen alles verwoesten, in opdracht van de Heer. Ze trekken rond over de hele aarde, zodat geen mens in vrede kan leven.

13De Heer is woedend op de mensen. Daarom is er niets te oogsten. Hoe hard de mensen ook gewerkt hebben, er komt alleen maar onkruid uit de grond. Al hun werk is voor niets geweest.

Straf voor de volken rondom Israël

14-16De Heer zegt: ‘Ook de volken die rondom Israël wonen, ga ik straffen. Want zij hebben Israëls land afgepakt, het land dat ik aan mijn volk gegeven heb. Daarom jaag ik al die volken weg uit hun land. En de mensen van Juda, die tussen hen in wonen, jaag ik ook weg. Want zij hebben van die volken geleerd om de god Baäl te vereren.

Ik jaag al die volken weg uit hun land. Maar na een tijd zal ik medelijden met ze hebben. Dan laat ik ze allemaal weer naar hun land teruggaan. Dan moeten ze van mijn volk leren om goed te leven en mij te vereren. Als ze dat doen, zal ik ze bij mijn eigen volk laten wonen. 17Maar als ze niet luisteren, zal ik ze opnieuw wegjagen. Maar dan voor altijd.’