Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

Gods afspraak met zijn volk

111-4Hier volgen de woorden van de Heer die Jeremia moest zeggen tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

De Heer gaf regels aan Israël

Luister! De Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb jullie voorouders bevrijd uit hun ellende, ik heb hen uit Egypte weggehaald. Ik heb met hen deze afspraak gemaakt: ‘Wees mij gehoorzaam en houd je aan alle regels die ik je geef. Dan zullen jullie mijn volk zijn en dan zal ik jullie God zijn. Maar iedereen die zich niet aan deze afspraak houdt, zal ik straffen.’ 5Ik heb jullie voorouders toen een land beloofd waarin iedereen genoeg te eten en te drinken heeft. En in dat land leven jullie nu.’

Israël luisterde niet naar de Heer

De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, ik heb me gehouden aan de afspraak met mijn volk.’ En ik antwoordde: ‘Heer, dat is waar.’

6Toen liet de Heer mij het volgende zeggen tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: ‘Luister! De Heer zegt: ‘Houd je aan de afspraak die ik met jullie gemaakt heb. 7Ik heb jullie voorouders bevrijd uit Egypte. En ik heb hun steeds weer gezegd dat ze naar mij moesten luisteren. Dat heb ik ook steeds tegen jullie gezegd.

8Maar jullie voorouders hebben niet geluisterd. Ze deden alleen dingen die ze zelf wilden, slechte dingen. Ze hielden zich niet aan de regels die ik hun gaf. Daarom heb ik hen gestraft, want dat was de afspraak.’’

Israël luistert nog steeds niet

9De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, ik heb ontdekt dat de inwoners van Juda en Jeruzalem mij bedriegen. 10Ze doen dezelfde slechte dingen als hun voorouders. Ze doen niet wat ik van hen vraag, en ze vereren andere goden. De inwoners van Juda doen dus hetzelfde als de inwoners van Israël: ze houden zich niet aan de afspraak die ik met mijn volk gemaakt heb.

11-12Daarom zeg ik tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: Ik stuur een ramp op jullie af. En dan is er geen redding meer mogelijk. Jullie zullen mij om hulp vragen, maar ik zal niet luisteren. Dan zullen jullie de andere goden om hulp vragen, de goden aan wie jullie offers brengen. Maar die goden komen jullie zeker niet redden.

13En jullie hebben veel goden, jullie hebben net zo veel goden als steden! En in elke straat van Jeruzalem staat een altaar voor Baäl. Daar brengen jullie offers aan die afschuwelijke god.’

De Heer gaat zijn volk straffen

14Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, bid niet voor dit volk. Vraag mij niet om medelijden met hen te hebben. Want ik zal niet luisteren als ze in gevaar zijn en mij om hulp vragen.

15Mijn volk is alleen maar bezig met kwade plannen. Wat doen ze nog in mijn tempel? Ze brengen veel offers en denken dat ze daardoor gered kunnen worden. Ze denken dat ze straks blij en vrolijk kunnen zijn. Maar zo is het niet.’

16-17Luister, inwoners van Israël en Juda! De machtige Heer zegt: ‘Er was eens een groene olijfboom met prachtige vruchten. Maar de boom werd geraakt door de bliksem en brandde helemaal af. Jullie zijn net als die boom. Ik heb jullie geplant, maar nu laat ik jullie met geweld vernietigen. Want jullie hebben mij diep beledigd door offers te brengen aan de god Baäl.’

Jeremia is in gevaar

Een plan om Jeremia te doden

18-19De mannen van Anatot maakten een plan om mij te doden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we Jeremia doden. Laten we zorgen dat hij helemaal verdwijnt, en dat zijn naam nooit meer genoemd wordt!’

Ik wist van niets. Zoals een schaap niet weet dat het geslacht gaat worden, zo wist ik niet dat ik in gevaar was. Maar de Heer vertelde mij over de plannen van die mannen. 20Toen zei ik tegen de machtige Heer: ‘Heer, u bent een eerlijke rechter, en u kent alle mensen. U weet dat die mannen mij kwaad willen doen. Laat mij zien dat u hen straft!’

21-22Toen zei de machtige Heer: ‘De mannen van Anatot hebben tegen jou gezegd: ‘Als je nog één keer woorden van de Heer uitspreekt, dan slaan we je dood.’ Omdat die mannen jou met de dood bedreigd hebben, zal ik hen straffen. Ze zullen sterven in de oorlog. En hun kinderen zullen sterven van de honger. 23Wacht maar totdat ik die mannen straf! Dan loopt het slecht met hen af. Niemand uit Anatot zal in leven blijven.’