Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Het volk is ontrouw aan God

Een engel spreekt tegen het volk

21Een engel van de Heer ging van de stad Gilgal naar de plaats Bochim. Daar zei hij namens de Heer tegen de Israëlieten: ‘Ik heb jullie uit Egypte gehaald. En ik heb jullie naar dit land gebracht, zoals ik aan jullie voorouders beloofd had.

Ik heb toen gezegd: ‘Ik zal mij altijd houden aan mijn belofte. 2Maar jullie mogen geen vrede sluiten met de mensen die in dit land wonen. En jullie moeten hun altaren afbreken.’ Maar waarom hebben jullie niet naar mij geluisterd?

3Ik heb toen ook gezegd: ‘Ik zal de bewoners van dit land niet voor jullie wegjagen. En zij zullen jullie verleiden om hun goden te gaan vereren. En dan zal het helemaal verkeerd met jullie aflopen.’’

4Toen de engel van de Heer uitgesproken was, begonnen alle Israëlieten hard te huilen. 5Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de Heer.

Vroeger was het volk trouw

6-9Toen Jozua, de zoon van Nun, nog leefde, waren de Israëlieten trouw aan de Heer. De stammen van Israël gingen naar de gebieden die voor hen bestemd waren, en ze namen die gebieden in bezit.

Toen Jozua, de dienaar van de Heer, 110 jaar oud was, stierf hij. Hij werd begraven in Timnat-Serach, in het gebied dat aan hem gegeven was. Dat lag in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.

Na de dood van Jozua werd het volk geleid door mannen die Jozua nog gekend hadden. Zij hadden alle geweldige dingen meegemaakt die de Heer voor Israël gedaan had. Ook toen zij de leiding hadden, bleven de Israëlieten trouw aan de Heer.

Later werd het volk ontrouw

10Maar toen de oude leiders allemaal gestorven waren, kregen andere mensen de leiding over het volk. Zij kenden de Heer niet. Ze wisten niet wat hij allemaal voor Israël gedaan had. 11De Israëlieten gingen toen dingen doen die de Heer slecht vond. Ze begonnen de afgod Baäl te vereren. 12Ze lieten de Heer in de steek, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte bevrijd had. Ze gingen de goden vereren van de andere volken in het land. Daarmee beledigden ze de Heer.

De Heer straft de Israëlieten

13De Israëlieten lieten de Heer dus in de steek, en gingen de afgoden Baäl en Astarte vereren. 14De Heer werd zo woedend, dat hij rovers naar Israël stuurde. Die roofden het hele land leeg. Hij stuurde ook vijanden, die sterker waren dan de Israëlieten.

15De Israëlieten probeerden steeds weer om hun vijanden te verslaan. Maar de Heer zorgde ervoor dat ze elk gevecht verloren, zoals hij eerder al gezegd had. Hij had ze ervoor gewaarschuwd. Het ging heel slecht met de Israëlieten.

De Heer geeft het volk rechters

16Toen gaf de Heer andere leiders aan de Israëlieten, om hen te helpen tegen hun vijanden. Die leiders werden rechters genoemd. 17Maar de Israëlieten luisterden ook niet naar die rechters. Ze bleven afgoden vereren en ervoor knielen. Hun voorouders hadden wel naar de Heer geluisterd, en hadden geleefd volgens zijn regels. Maar zijzelf deden dat niet.

18Steeds als de Israëlieten door vijanden onderdrukt werden, kreeg de Heer medelijden. Dan stuurde hij een rechter om hen te helpen. En zolang die rechter leefde, hielp de Heer hem om de vijanden te verslaan. 19Maar als de rechter gestorven was, dan gingen de Israëlieten weer slechte dingen doen. Zelfs nog slechtere dingen dan daarvoor. Dan gingen ze weer afgoden dienen en vereren. Ze hielden maar niet op met hun slechte gedrag.

De Heer wil het volk niet meer helpen

20Toen werd de Heer woedend. Hij zei: ‘De Israëlieten houden zich niet aan de afspraken die ik met hun voorouders gemaakt heb. Ze luisteren niet naar mij. 21-23Daarom zal ik hen niet meer helpen om hun vijanden te verslaan. Ik zal de andere volken die nog in het land wonen, niet wegjagen! Dan zal ik weten of de Israëlieten mij trouw zullen blijven, net zoals hun voorouders.’

In de tijd van Jozua had de Heer die andere volken in het land laten wonen. De Heer had hen niet weggejaagd, en er ook niet voor gezorgd dat Jozua hen kon verslaan.

3

De volken die in het land bleven

31-5De Heer had de andere volken dus in het land Kanaän laten wonen. Dat deed hij omdat hij wilde weten of de Israëlieten zich aan de regels zouden houden. Dat zijn de regels die hij via Mozes aan hun voorouders gegeven had. Maar hij deed het ook om de jonge Israëlieten te leren hoe ze oorlog moesten voeren tegen die volken. Dat konden ze namelijk nog niet.

Dit zijn de volken die in het land gebleven waren: de Filistijnen in hun vijf steden, de Sidoniërs en de Kanaänieten. De Kanaänieten waren: de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Chiwwieten. De Chiwwieten woonden in de Libanon-bergen, tussen de berg Baäl-Hermon en de stad Lebo-Hamat. De Israëlieten waren tussen de Kanaänieten gaan wonen.

6Veel Israëlieten lieten hun kinderen trouwen met kinderen van die andere volken. En ze gingen ook de goden van die volken vereren.

De eerste rechters

Otniël wordt rechter

7De Israëlieten deden dingen die de Heer slecht vond. Ze gingen de afgoden Baäl en Asjera vereren, en ze dachten niet meer aan de Heer, hun God. 8Toen werd de Heer woedend op de Israëlieten. Hij zorgde ervoor dat ze verslagen werden door Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm. Acht jaar lang moesten de Israëlieten hem dienen.

9Toen riepen de Israëlieten de Heer om hulp, en de Heer stuurde iemand om hen te bevrijden. Dat was Otniël, de zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. 10De geest van de Heer kwam in Otniël, en Otniël werd de rechter van het volk. Hij viel koning Kusan-Risataïm aan, en de Heer hielp hem om de Arameeërs te verslaan.

11Daarna was er veertig jaar vrede in het land. Toen stierf Otniël.

Ehud wordt rechter

12De Israëlieten begonnen weer dingen te doen die de Heer slecht vond. Daarom zorgde de Heer ervoor dat ze verslagen werden door Eglon, de koning van Moab. 13Met de hulp van de Ammonieten en de Amalekieten viel Eglon de Israëlieten aan. Zo versloeg hij hen. Ook veroverde hij de stad Jericho, de stad van de palmbomen. 14Achttien jaar lang moesten de Israëlieten Eglon dienen.

15Toen riepen de Israëlieten de Heer om hulp, en de Heer stuurde iemand om hen te bevrijden. Dat was Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin. Ehud was linkshandig.

Ehud gaat naar koning Eglon

Ehud had de taak om de belasting van de Israëlieten naar koning Eglon te brengen. 16Maar voordat hij op weg ging, liet hij een kort, scherp zwaard maken. Dat verstopte hij onder zijn kleren, op zijn rechterheup. 17-20Nadat Ehud de belasting naar koning Eglon gebracht had, ging hij met zijn knechten mee terug. Maar hij ging niet verder dan de godenbeelden bij Gilgal. De knechten reisden door naar huis, maar Ehud ging terug naar de koning.

De koning zat in zijn kamer op de bovenste verdieping, waar het koel was. Ehud zei tegen hem: ‘Koning, ik heb een geheime boodschap voor u.’ Toen stuurde de koning alle mensen die bij hem waren, weg. Ehud ging vlak bij de koning staan en zei: ‘Ik heb een boodschap van God voor u.’

Ehud doodt de koning

Koning Eglon stond op van zijn troon. Hij was heel dik. 21Op dat moment pakte Ehud met zijn linkerhand het zwaard dat hij op zijn rechterheup verstopt had. Hij stak het in de buik van de koning. 22-23Het zwaard ging helemaal zijn buik in. Het handvat was niet meer te zien, het werd bedekt door zijn vet. Ehud liet het zwaard in de buik zitten. Hij deed de deur van de kamer van binnen op slot. En hij ging via een andere uitgang de kamer uit, naar de galerij.

24Ehud was net buiten, toen er dienaren bij de kamer kwamen. Toen ze zagen dat de deur op slot was, zeiden ze: ‘De koning zit zeker zijn behoefte te doen.’ 25De dienaren wachtten heel lang, maar de deur ging niet open. Ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Ten slotte haalden ze een sleutel, en deden de deur open. Daar zagen ze hun koning: hij lag dood op de grond.

26Omdat de dienaren zo lang gewacht hadden, was het Ehud gelukt om te ontsnappen. Hij was langs de godenbeelden bij Gilgal gegaan, en kwam veilig aan in Seïra.

Ehud verslaat de Moabieten

27-28Toen Ehud in het bergland van Efraïm aangekomen was, blies hij op de trompet. Zo riep hij de Israëlieten bij elkaar. Hij zei tegen hen: ‘Volg mij! Jullie zullen de Moabieten, jullie vijanden, verslaan. Daar zal de Heer voor zorgen.’

Toen volgden de Israëlieten Ehud vanuit de bergen naar het dal, naar de rivier de Jordaan. Ze gingen naar de plekken waar je kunt oversteken, en ze zorgden ervoor dat niemand uit Moab de rivier over kon gaan.

29De Israëlieten versloegen toen ongeveer tienduizend Moabieten. Ook al waren alle Moabieten gezond en sterk, toch werden ze allemaal gedood. 30Nadat de Israëlieten het volk van Moab verslagen hadden, was er tachtig jaar vrede in Israël.

Samgar wordt rechter

31Na Ehud werd Samgar, de zoon van Anat, de rechter van het land. Met een grote stok doodde hij zeshonderd Filistijnen. Zo bevrijdde ook hij Israël.

4

Debora en Barak

Debora wordt rechter

41Na de dood van Ehud begonnen de Israëlieten weer dingen te doen die de Heer slecht vond. 2-3Daarom zorgde de Heer ervoor dat ze verslagen werden door koning Jabin van Kanaän. Jabin regeerde vanuit de stad Hasor. Hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens. Zijn legerleider was Sisera, en het legerkamp lag bij de plaats Charoset-Haggojim. Jabin regeerde twintig jaar lang over Israël. Hij was een heel strenge koning. Daarom riepen de Israëlieten de Heer om hulp.

4In die tijd was de profetes Debora een rechter in Israël. Ze was de vrouw van Lappidot. 5Ze zat vaak op een plek tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, om recht te spreken. Daar zat ze onder een palmboom, die de Deborapalm genoemd werd. Als de Israëlieten ruzie hadden, gingen ze naar haar toe voor een oplossing.

Barak moet Sisera aanvallen

6Barak, de zoon van Abinoam, woonde in Kedes, in het gebied Naftali. Op een dag liet Debora hem bij zich komen, en zei: ‘De Heer, de God van Israël, geeft je deze opdracht: ‘Ga naar de berg Tabor. Neem tienduizend soldaten mee van de stammen Naftali en Zebulon. 7Sisera, de legerleider van Jabin, zal in het Kison-dal naar je toe komen. Hij zal al zijn soldaten en strijdwagens meenemen, maar jij zult hem verslaan. Daar zal ik voor zorgen.’’

8Barak zei tegen Debora: ‘Ik ga alleen als u meegaat. Als u niet meegaat, ga ik ook niet.’ 9Debora antwoordde: ‘Ik zal met je meegaan. Maar ik waarschuw je: jij zult niet beroemd worden door dit gevecht. Want de Heer zal ervoor zorgen dat Sisera verslagen wordt door een vrouw.’

Toen stond Debora op, en ze ging met Barak mee naar Kedes. 10Daar riep Barak de soldaten van Zebulon en Naftali bij elkaar. Tienduizend mannen gingen met Barak en Debora mee.

De Keniet Cheber

11In de buurt van Kedes, in een tent bij de eik in Saänannim, woonde een Keniet die Cheber heette. Zijn familie stamde af van Chobab, de schoonvader van Mozes. Maar Cheber woonde niet meer bij zijn familie.

Barak verslaat het leger van Sisera

12Toen Sisera hoorde dat Barak de berg Tabor op gegaan was, 13riep hij al zijn soldaten bij elkaar. Met negenhonderd ijzeren strijdwagens gingen ze van Charoset-Haggojim naar het Kison-dal.

14Toen zei Debora tegen Barak: ‘Kom op! Vandaag zal de Heer ervoor zorgen dat je Sisera verslaat. De Heer zal je helpen.’

Daarna ging Barak de berg Tabor af, met tienduizend soldaten achter zich aan. 15Toen de soldaten van Sisera zagen dat Barak hen aanviel, raakten ze in paniek. Daar zorgde de Heer voor. Sisera zelf sprong van zijn strijdwagen af, en rende weg. 16Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot aan Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera werden gedood, er bleef niemand in leven.

Sisera verstopt zich bij Cheber

17Sisera was de enige die kon vluchten. Hij rende naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber. Want hij wist dat Cheber een vriend was van koning Jabin. 18Jaël kwam haar tent uit, en ging naar Sisera toe. Ze zei: ‘Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bang!’ Sisera ging de tent in, en Jaël verstopte hem onder een deken.

19Toen vroeg Sisera: ‘Mag ik wat water? Ik heb dorst.’ Jaël maakte een zak met melk open, en gaf hem te drinken. Daarna legde ze de deken weer over hem heen. 20Sisera zei: ‘Ga in de opening van de tent staan. Als iemand komt vragen of hier een man is, dan moet je zeggen: ‘Nee.’’

De dood van Sisera

21Sisera was heel moe en hij viel in een diepe slaap. Toen pakte Jaël een tentpin en een hamer, en ging zachtjes de tent in. Ze sloeg de pin door het hoofd van Sisera heen de grond in, en hij stierf.

22Op dat moment kwam Barak eraan, op zoek naar Sisera. Jaël kwam haar tent uit, en ging naar hem toe. Ze zei: ‘Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.’ Barak ging naar binnen, en zag Sisera, dood, met de pin door zijn hoofd.

23Die dag zorgde God ervoor dat Jabin, de koning van Kanaän, de strijd verloor van de Israëlieten. 24Vanaf toen werd het verzet van de Israëlieten tegen Jabin steeds sterker. Uiteindelijk konden ze Jabin helemaal verslaan.