Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

De leiders van Gilead gaan naar Jefta

111-5Na een paar dagen begon de strijd tussen de Israëlieten en de Ammonieten. Toen gingen de leiders van Gilead naar het land Tob. Daar woonde een dappere man die Jefta heette.

Jefta was geboren in het gebied Gilead. Hij was de zoon van een hoer en van een man die Gilead heette. De vader van Jefta had ook zonen bij zijn eigen vrouw. Toen die zonen volwassen geworden waren, hadden ze Jefta uit Gilead verjaagd. Want hij was de zoon van een andere vrouw, en zijn broers wilden de erfenis van hun vader niet met hem delen. Daarom was Jefta naar het land Tob gevlucht. Daar had hij de leiding over een groep slechte mannen.

Jefta moet de Israëlieten helpen

6De leiders van Gilead zeiden tegen Jefta: ‘Kom terug, en word onze legerleider in de strijd tegen de Ammonieten.’ 7Maar Jefta antwoordde: ‘Jullie haten mij toch? Jullie hebben mij zelfs verjaagd uit het huis van mijn vader! En nu jullie het moeilijk hebben, komen jullie ineens bij mij.’

8Toen zeiden de leiders: ‘Je hebt gelijk. Maar als je nu met ons meekomt en tegen de Ammonieten vecht, dan maken we jou de baas over heel Gilead!’ 9Jefta zei: ‘Dus als ik met jullie meega, en als de Heer ervoor zorgt dat ik van de Ammonieten win, dan mag ik jullie leider zijn?’ 10‘Ja, dat beloven we,’ zeiden de leiders, ‘en de Heer hoort dat wij dat met jou afspreken.’

Jefta wordt de baas over Gilead

11Toen ging Jefta met de leiders mee terug naar Gilead. Daar maakte het volk hem de baas over Gilead, en de leider van het leger. Bij de tempel van de Heer in Mispa herhaalde Jefta wat hij met de leiders van Gilead afgesproken had.

Jefta stuurt boodschappers

12Daarna stuurde Jefta boodschappers naar de koning van de Ammonieten met de vraag: ‘Waarom wilt u mij in mijn eigen land aanvallen?’ 13De koning antwoordde: ‘Dat weet u heel goed! Toen de Israëlieten uit Egypte kwamen, hebben ze mijn land afgepakt. Dat lag tussen de rivieren de Arnon, de Jabbok en de Jordaan. Geef ons dat land terug! Dan hoeven wij jullie niet aan te vallen.’

14Toen stuurde Jefta nog een keer boodschappers naar de koning van de Ammonieten, 15met het volgende bericht: ‘De Israëlieten hebben helemaal geen land afgepakt van de Moabieten of van de Ammonieten. 16Toen ze weggingen uit Egypte, gingen ze door de woestijn naar de Rietzee. En daarna kwamen ze in Kades.

Israël is niet in Edom en Moab geweest

17Toen de Israëlieten in Kades waren, hebben ze aan de koning van Edom gevraagd of ze door zijn land mochten reizen. Maar dat mocht niet. Ze hebben ook aan de koning van Moab gevraagd of ze door Moab mochten reizen. En dat mocht ook niet. Dus toen moesten de Israëlieten in Kades blijven.

18Daarna zijn ze om het gebied van Edom en Moab heen gereisd, door de woestijn. Ze hebben toen een kamp gemaakt aan de oostkant van Moab, aan de overkant van de rivier de Arnon. De Arnon is de grens van Moab, dus de Israëlieten zijn nooit in Moab geweest!

Israël heeft de Amorieten verslagen

19Toen kwamen de Israëlieten bij het land van de Amorieten. Ze vroegen aan koning Sichon in de stad Chesbon of ze door zijn land mochten reizen. 20Maar Sichon vertrouwde de Israëlieten niet. Hij wilde niet dat zij het land binnenkwamen. Daarom riep hij zijn soldaten bij elkaar in Jahas, en viel hij de Israëlieten aan.

21Maar de Heer, de God van Israël, hielp de Israëlieten. Hij zorgde ervoor dat zij Sichon en zijn leger versloegen. Zo namen zij het land van de Amorieten in bezit. 22Dat land lag tussen de rivieren de Arnon en de Jabbok, en tussen de woestijn en de Jordaan.

De Heer heeft land aan Israël gegeven

23Dus de Heer, de God van Israël, heeft de Amorieten verjaagd, zodat zijn eigen volk in dat land kon wonen. Waarom denkt u dan, koning van de Ammonieten, dat u recht hebt op dat land? 24Uw volk mag wonen in het land dat uw god Kemos voor u veroverd heeft. En wij mogen wonen in het land dat de Heer, onze God, voor ons veroverd heeft.

25Dus waarom wilt u ons aanvallen? Koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, heeft ons toch ook niet aangevallen? Hij zegt toch ook niet dat hij recht heeft op ons land?

26Trouwens, de Israëlieten wonen nu al driehonderd jaar in de steden Chesbon en Aroër, en in de dorpen daaromheen. En ook in de steden langs de rivier de Arnon. Waarom hebt u dan niet eerder geprobeerd om die steden te veroveren?

27Ik heb niets verkeerds gedaan tegen u. Maar u doet wel iets verkeerds tegen mij als u mij aanvalt. De Heer is onze rechter. Hij zal vandaag beslissen wie er zal winnen: de Israëlieten of de Ammonieten.’

Jefta verzamelt zijn leger

28Maar de koning van de Ammonieten luisterde niet naar de woorden van Jefta.

29Toen kwam de geest van de Heer in Jefta. Jefta reisde door de gebieden Gilead en Manasse, en weer terug naar Mispa in Gilead. Dat deed hij om soldaten voor zijn leger te verzamelen. Daarna ging hij op weg om de Ammonieten aan te vallen.

De belofte van Jefta

30Toen deed Jefta een plechtige belofte aan de Heer. Hij zei: ‘Heer, help mij om de Ammonieten te verslaan. 31Als ik daarna veilig thuiskom, dan zal ik u een offer brengen. Het eerste wat naar mij toe komt, zal ik aan u offeren.’

32Toen viel Jefta de Ammonieten aan. De Heer zorgde ervoor dat hij hen versloeg. 33Jefta verjaagde de Ammonieten uit twintig steden, van Aroër tot Minnit en Abel-Keramim. Het was een heel grote overwinning van de Israëlieten. Zo werden de Ammonieten vernederd.

De dochter van Jefta

34Toen Jefta terugkwam in zijn woonplaats Mispa, kwam zijn dochter hem tegemoet. Ze danste en sloeg op de trommel. Zij was het enige kind van Jefta, hij had verder geen zonen of dochters.

35Toen Jefta haar zag, scheurde hij zijn kleren van verdriet. Hij zei: ‘Ach, dochter! Waarom jij? Waarom moet jij mij ongelukkig maken? Ik heb de Heer een plechtige belofte gedaan, en ik moet me aan die belofte houden!’ 36De dochter antwoordde: ‘Vader, als u de Heer een belofte gedaan hebt, dan moet u zich aan die belofte houden. Want de Heer heeft u geholpen om uw vijanden te verslaan.

37Maar wacht eerst twee maanden. Dan kan ik samen met mijn vriendinnen naar de bergen gaan om te huilen. Want ik zal nooit trouwen en kinderen krijgen.’ 38‘Goed,’ zei Jefta. Hij liet zijn dochter met haar vriendinnen naar de bergen gaan om te huilen.

39Na twee maanden kwam zijn dochter weer thuis. Toen offerde Jefta haar aan de Heer, zoals hij beloofd had. Ze was nog maagd.

Sinds die dag rouwen de meisjes in Israël 40elk jaar vier dagen lang om de dochter van Jefta uit Gilead.

12

De mannen uit Efraïm zijn boos

121Toen riepen de mannen van de stam Efraïm hun soldaten bij elkaar. Ze gingen de Jordaan over, naar de stad Safon, om met Jefta te praten. Ze zeiden tegen hem: ‘Waarom heb je ons niet meegevraagd toen je tegen de Ammonieten ging vechten? Voor straf steken we je huis in brand, en jou erbij!’

2Maar Jefta zei: ‘Toen ik met mijn mannen aan het vechten was tegen de Ammonieten, heb ik jullie om hulp gevraagd. Maar jullie zijn niet gekomen! 3Toen zijn we zonder jullie gegaan. Ik heb mijn leven in gevaar gebracht, en de Heer heeft mij geholpen om de Ammonieten te verslaan. Dus ik begrijp niet waarom jullie nu tegen mij willen vechten!’

Jefta vecht tegen de mannen uit Efraïm

4De mannen van de stam Efraïm zeiden tegen de mannen uit Gilead: ‘Jullie gebied hoort eigenlijk gewoon bij het gebied Efraïm! Want Gilead hoort bij het gebied Manasse, en Manasse hoort bij Efraïm.’

Toen riep Jefta alle mannen uit Gilead bij elkaar. Samen vielen ze de mannen uit Efraïm aan en versloegen hen. 5Ze veroverden ook alle plekken waar je de Jordaan kunt oversteken. Zo konden de mannen uit Efraïm niet naar huis vluchten.

Als er iemand uit Efraïm de Jordaan wilde oversteken, vroegen de mannen uit Gilead: ‘Kom je uit Efraïm?’ Als hij dan beweerde dat hij niet uit Efraïm kwam, 6moest hij het woord ‘sjibbolet’ uitspreken. Als hij het woord verkeerd uitsprak, wisten ze dat hij gelogen had. En dan werd hij gedood. Op die manier werden er 42.000 mannen uit Efraïm gedood.

7Jefta was zes jaar rechter in Israël. Toen hij stierf, werd hij begraven in één van de steden in Gilead.

De rechters na Jefta

Ibsan wordt rechter

8Na Jefta werd Ibsan rechter in Israël. Ibsan kwam uit Bet-Lechem. 9Hij had dertig zonen en dertig dochters. Hij liet zijn zonen en dochters trouwen met mensen die geen familie van hem waren.

Ibsan was zeven jaar rechter van Israël. 10Toen hij stierf, werd hij begraven in Bet-Lechem.

Elon wordt rechter

11Na Ibsan werd Elon rechter in Israël. Elon kwam uit de stam Zebulon. Hij was tien jaar rechter van Israël. 12Toen hij stierf, werd hij begraven in de stad Ajjalon in het gebied Zebulon.

Abdon wordt rechter

13Na Elon werd Abdon, de zoon van Hillel, rechter in Israël. Abdon kwam uit Piraton. 14Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen. Elke zoon en elke kleinzoon reed op een ezel.

Abdon was acht jaar rechter van Israël. 15Toen hij stierf, werd hij begraven in Piraton, in het gebied Efraïm, in de bergen waar vroeger de Amalekieten woonden.

13

De geboorte van Simson

De vrouw van Manoach heeft geen kind

131De Israëlieten deden weer dingen die de Heer slecht vond. Daarom zorgde de Heer ervoor dat ze onderdrukt werden door de Filistijnen. Dat duurde veertig jaar.

2In die tijd woonde er in de omgeving van Sora een man die Manoach heette. Hij hoorde bij de stam Dan. De vrouw van Manoach kon geen kinderen krijgen.

Een engel belooft een kind

3Op een dag kwam er een engel van de Heer bij de vrouw van Manoach. Hij zei tegen haar: ‘Tot nu toe kon je geen kinderen krijgen. Maar toch zul je zwanger worden en een kind krijgen.

4Let goed op. Je mag geen wijn of bier meer drinken, en niets eten dat de Heer verboden heeft. 5Je zult een zoon krijgen. Hij zal een nazireeër worden, iemand die God op een speciale manier zal dienen. Daarom mag hij zijn haar nooit laten afknippen. Hij zal de Israëlieten bevrijden van de Filistijnen.’

Manoach hoort het nieuws

6De vrouw van Manoach ging naar haar man en zei tegen hem: ‘Er is een profeet bij mij geweest. Hij zag eruit als een engel. Ik was bang voor hem, en ik durfde niet te vragen waar hij vandaan kwam. Hij heeft mij ook niet verteld hoe hij heet.

7Hij zei tegen mij dat ik zwanger zal worden en een zoon zal krijgen. Hij zei ook dat ik geen wijn of bier mag drinken. Ik mag ook geen dingen eten die de Heer verboden heeft. Want het zal een heel bijzondere jongen zijn, een nazireeër. Hij zal God op een speciale manier dienen, vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood.’

De engel komt voor de tweede keer

8Toen vroeg Manoach aan de Heer: ‘Wilt u de profeet alstublieft nog een keer naar ons toe sturen? Dan kan hij ons vertellen wat wij moeten doen als die jongen geboren is.’

9God deed wat Manoach gevraagd had. De engel van de Heer kwam nog een keer bij de vrouw van Manoach. Zij was op dat moment alleen op het land, Manoach was niet bij haar. 10Ze rende naar haar man en zei: ‘Kom! De man die pas bij mij kwam, is er weer!’

11Manoach ging met zijn vrouw mee. Ze kwamen bij de man, en Manoach vroeg hem: ‘Bent u de man die met mijn vrouw gesproken heeft?’ ‘Inderdaad,’ zei de man. 12Manoach zei: ‘Als het gaat zoals u gezegd hebt, wat moeten wij dan voor de jongen doen? En wat moet hij doen?’

13De engel van de Heer antwoordde: ‘Uw vrouw moet precies doen wat ik gezegd heb. 14Ze mag niets eten dat van druiven gemaakt is. En ze mag geen dingen eten die de Heer verboden heeft. Ze mag ook geen wijn of bier drinken. Ze moet precies doen wat ik tegen haar gezegd heb.’

De engel vertrekt

15Manoach zei tegen de engel: ‘We willen graag dat u nog even bij ons blijft. Dan maken we een maaltijd klaar. We zullen een bokje voor u slachten.’

16De engel antwoordde: ‘Omdat u het vraagt, blijf ik nog even bij u. Maar ik zal niet met u eten. Als u toch een bokje wilt slachten, offer het dan aan de Heer.’

Manoach zag niet dat de man met wie hij sprak, een engel van de Heer was. 17Hij vroeg: ‘Hoe heet u eigenlijk? We willen u graag bedanken, als uw belofte uitkomt.’ 18Maar de engel van de Heer zei: ‘Waarom vraagt u hoe ik heet? Niemand kan begrijpen wie ik ben.’

19Toen nam Manoach een bokje en wat meel, en legde dat op een steen. Daarna stak hij het in brand en offerde hij het aan de Heer.

Toen gebeurde er iets wonderlijks. Manoach en zijn vrouw zagen 20het vuur van het offer steeds hoger worden. En ze zagen ook dat de engel van de Heer in de vlammen omhoogging. Toen maakten Manoach en zijn vrouw een diepe buiging. 21Maar de engel van de Heer liet zich niet meer zien.

Op dat moment begreep Manoach dat het een engel van de Heer geweest was. 22Hij zei tegen zijn vrouw: ‘We hebben God gezien! Nu zullen we sterven.’ 23Maar zijn vrouw zei: ‘Als de Heer ons had willen doden, dan had hij onze offers niet aangenomen. Dan had hij dat niet allemaal aan ons laten zien. En dan had hij ons ook niet zo veel beloofd.’

Simson wordt geboren

24De vrouw van Manoach kreeg een zoon. Ze noemde hem Simson.

Simson groeide op, en de Heer zorgde ervoor dat het goed met hem ging. 25De geest van de Heer kwam in hem, zodat Simson deed wat de Heer wilde. Dat gebeurde voor het eerst in Machane-Dan. Dat ligt tussen Sora en Estaol.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]