Bijbel in Gewone Taal (BGT)
27

271Als de Heer komt, zal hij zijn vijanden doden. Die vijanden zijn zo gevaarlijk als slangen en zeemonsters! De Heer zal zijn vijanden doden met zijn grote, scherpe zwaard.

De Heer zorgt voor zijn volk

Het lied over de wijngaard

2Als de Heer komt, moeten jullie dit lied zingen:

3‘Ik ben de Heer,

en mijn volk is mijn wijngaard.

Ik zorg voor mijn wijngaard,

ik geef hem steeds weer water.

Dag en nacht bewaak ik hem,

ik zorg dat niemand hem vernielt.

4Als ik onkruid in mijn wijngaard vind,

dan haal ik het woedend weg,

en ik steek het in brand.

Dat onkruid is de vijand.

Maar ik zal niet altijd kwaad zijn.

5Als de vijand echt vrede wil,

en door mij beschermd wil worden,

zal ik hem niet vernietigen.

6Want als de vijand vrede wil,

dan zal het goed gaan met mijn volk,

dan zullen ze gelukkig zijn.

Dan groeien er zo veel vruchten op het land,

dat ze de hele aarde bedekken.’

De Heer heeft zijn volk gestraft

7Heeft de Heer de Israëlieten net zo zwaar gestraft als hun vijanden? Heeft hij zijn volk net zo hard geslagen als hun vijanden? 8Nee, maar hij heeft zijn volk opgejaagd en weggestuurd. Hij heeft hen weggeblazen met een hete wind uit het oosten. Zo wilde hij hen straffen. 9De Heer vernietigde alle godenbeelden. Zonder moeite sloeg hij de altaren kapot. Hij hakte elke paal om, hij sloeg alle stenen stuk. Zo heeft de Heer zijn volk gestraft, zo kwam er een eind aan hun schuld.

De sterke steden zijn verdwenen

10De sterke steden zijn verdwenen. Er woont bijna niemand meer. Het is er leeg en verlaten. Het is er zo dood als in de woestijn. Er lopen alleen koeien rond, en die vreten alle takken kaal. 11Vrouwen breken de takken af om vuur te maken.

God heeft dit volk gemaakt. Maar zijn volk doet niet wat hij vraagt. Daarom heeft God geen medelijden, hij zal zijn volk niet beschermen.

Het volk komt terug naar Jeruzalem

12Later zal de Heer zijn volk weer bij elkaar brengen. Hij zal de Israëlieten verzamelen, zoals je het koren verzamelt van een gemaaid stuk land. Hij zal de Israëlieten bij elkaar brengen, één voor één. Hij haalt ze overal vandaan: helemaal uit het oosten, bij de rivier de Eufraat, en ook helemaal uit het westen, bij de grens met Egypte.

13Dan wordt er op de grote trompet geblazen. De Israëlieten die meegenomen waren naar Assyrië of Egypte, zullen terugkomen naar Jeruzalem. En daar zullen ze buigen voor de Heer, op zijn heilige berg.

28

De leiders zijn opscheppers

Samaria zal verdwijnen

281Samaria is nu nog een prachtige stad, boven op een heuvel in een vruchtbaar dal. Nu zijn de leiders van Samaria nog trots op hun stad. Terwijl ze dronken zijn, vertellen ze aan iedereen hoe mooi hun stad is. Maar het zal slecht aflopen met Samaria! De stad zal haar schoonheid verliezen, net als een bloem die op een dag uitgebloeid is.

2Want de Heer zal een koning sturen die sterk en krachtig is. Een koning die zo sterk is als een hevige storm of een felle hagelbui, en zo krachtig als de zee. Die koning zal Samaria aanvallen en met geweld veroveren. 3Die prachtige stad met haar dronken leiders zal verwoest worden. Er zal niets van overblijven.

4Samaria is nu nog een prachtige stad, boven op een heuvel in een vruchtbaar dal. Maar op een dag zal de stad haar schoonheid verliezen. Net als een bloem die op een dag uitgebloeid is. De stad zal zomaar verdwijnen, ineens zal ze weg zijn.

De Heer zelf wordt koning van Samaria

5Ooit zal de machtige Heer zelf koning zijn van Samaria. Voor de inwoners die overgebleven zijn, zal hij een goede heerser zijn. Zij zullen trots op hem zijn. 6De Heer zal zorgen dat er eerlijke rechters komen. En hij zal kracht en moed geven aan de inwoners die de stad verdedigen.

De priesters en profeten zijn dronken

7Ook in Jeruzalem is iedereen dronken, zelfs de priesters en de profeten. Ze staan niet stevig meer op hun benen. Door de wijn zijn ze helemaal in de war. Ze voorspellen rare dingen. 8Ze zijn zo dronken dat ze steeds moeten overgeven. Al hun tafels zijn vuil en vies.

De mensen begrijpen niet wat God wil

9De priesters en de profeten zeggen: ‘Wil Jesaja ons soms iets leren? Wil hij ons vertellen wat God wil? Maar het lijkt wel of hij in babytaal praat! Denkt hij soms dat we baby’s zijn? 10Hoor hoe hij praat: ‘Ta ta ta, ma ma ma. Beetje dit, beetje dat.’’

11-13De Heer heeft eens tegen zijn volk gezegd: ‘Hier in Jeruzalem vinden jullie rust, hier in Jeruzalem kan iedereen uitrusten.’ Maar toen wilden de mensen niet naar hem luisteren. Daarom zal de Heer tegen zijn volk spreken in een vreemde taal, een taal die niemand verstaat. En daarom zegt de Heer nu tegen zijn volk: ‘Ta ta ta, ma ma ma. Beetje dit, beetje dat.’

De mensen begrijpen niet wat God wil. Daarom zullen ze steeds weer struikelen en vallen. Ze zullen ernstig gewond raken of door de vijanden gevangen worden genomen.

De leiders denken dat ze veilig zijn

14-16Leiders van Israël, jullie vinden jezelf zo goed! Jullie hebben gezegd: ‘Wij hoeven niet bang te zijn voor onze vijanden. We vertrouwen op leugens en bedrog. We zijn veilig, want we hebben een afspraak gemaakt met de dood. Wij zullen beschermd worden tegen onverwachte rampen.’

Maar luister goed naar de woorden van God, de Heer. Want hij zegt: ‘Vertrouw niet op leugens en bedrog, vertrouw op mij. Ik heb op de berg Sion de eerste steen gelegd voor mijn tempel. Die tempel wordt heel stevig en sterk. Bij mijn tempel zijn jullie veilig, op mij kunnen jullie vertrouwen.

17Ik zal die tempel bouwen als een plaats van eerlijkheid en recht. Maar alle plaatsen van leugens en bedrog zullen door hagel vernield worden. Al die plaatsen waar jullie nu op vertrouwen, zullen door water weggespoeld worden.’

18Opeens zal het gebeuren. De rampen zullen heel plotseling komen. Dan kunnen jullie niet meer gered worden. Jullie afspraak met de dood is dan niets meer waard. 19Jullie zullen die rampen steeds opnieuw meemaken, elke dag en elke nacht. En jullie zullen heel erg bang zijn voor nieuwe rampen. 20Overal zullen jullie je onveilig voelen. Dan is het alsof je bed te klein is om op te liggen, en alsof je dekens te kort zijn om je warm te houden.

De Heer zal zijn volk straffen

21De Heer zal iets bijzonders gaan doen. Hij zal doen wat niemand verwacht. De Heer zal gaan strijden, zoals hij deed op de berg Perasim, en in het dal bij de stad Gibeon. 22Leiders van Israël, schep toch niet zo op! Houd daarmee op, anders krijgen jullie het nog moeilijker. Want de machtige Heer heeft besloten dat jullie land vernietigd wordt. Ik heb het zelf gehoord.

God leert de boer zaaien en oogsten

23Luister goed! Luister naar wat ik te zeggen heb. 24Wat doet een boer voordat hij gaat oogsten? Ploegt hij dan elke dag het land? Is dat het enige wat hij moet doen? 25Nee, want als hij het land geploegd heeft, moet hij zaaien. Dan zaait hij kruiden, tarwe en gerst. Alles moet op de juiste plek gezaaid worden. 26God leert de boer hoe hij dat allemaal moet doen.

27Bij de oogst moeten sommige kruiden platgeslagen worden met zwaar gereedschap. Andere kruiden worden fijngeslagen met een stok. 28Ook de graankorrels uit het koren moeten fijngeslagen worden. Daarvoor gebruikt de boer ander gereedschap. Dat gereedschap maakt het graan niet helemaal plat, anders kun je er geen brood van bakken. 29Ook dat weet de boer omdat de machtige Heer het hem geleerd heeft.

Niemand is zo wijs als de Heer. Hij heeft voor alles een plan.

29

Jeruzalem zal aangevallen worden

291-3De Heer zegt: ‘Jeruzalem is de stad waar mijn altaar staat. Jeruzalem is de stad die door koning David veroverd werd. Inwoners van Jeruzalem, doe zoals altijd. Vier elk jaar jullie feesten. Maar let op, het zal slecht aflopen met jullie stad!

Want ik zal legers sturen om Jeruzalem aan te vallen. Die zullen de stad omsingelen, zodat jullie niet meer weg kunnen. De stad zal door vuur verwoest worden. En dan zullen jullie verdriet hebben en rouwen.

4En dan liggen jullie daar. Dan kunnen jullie alleen nog zachtjes piepen en fluisteren. Dan lijkt het alsof jullie stemmen van diep onder de aarde komen. Ze klinken als de stemmen van geesten in het land van de dood.’

De Heer zal Jeruzalem redden

5Maar opeens zullen de vijanden verdwijnen. Opeens zullen die machtige legers weg zijn, net als zand dat wegwaait in een storm. 6Want de machtige Heer zal komen. Hij komt met donder en bliksem. De aarde zal beven, en het lawaai zal verschrikkelijk zijn. Het zal hevig stormen, en er zal overal vuur zijn.

7De vijanden zullen verdwijnen, de vijanden die Jeruzalem aanvielen en jullie gevangen wilden nemen. Opeens zullen ze weg zijn. Het is net als met een nare droom, die weg is als je wakker wordt.

8De vijanden zullen moeten vluchten. Nu dromen ze ervan om Jeruzalem te veroveren, maar dat zal niet gebeuren. Het is net als met iemand die honger heeft. Zo iemand droomt steeds dat hij eet. Maar als hij wakker wordt, heeft hij nog steeds honger.

De leiders begrijpen niet wat er gebeurt

9Leiders van Jeruzalem, jullie staan daar maar, jullie lijken wel blind! Ga maar door alsof er niets aan de hand is. De profeten en de priesters lijken wel dronken. Ze doen vreemd, maar dat komt niet door de wijn. Ze staan niet stevig meer op hun benen, maar dat komt niet door de drank. 10Nee, dat komt door de Heer. Hij heeft ervoor gezorgd dat jullie niet zien wat er gebeurt. Het lijkt wel alsof jullie heel diep slapen. Zelfs jullie profeten begrijpen niet meer wat er gebeurt.

11Jullie begrijpen niet wat de profeten jullie vertellen. Niemand van jullie kan de boodschap van de Heer begrijpen. Zijn boodschap lijkt op een boek dat je niet kunt openen. Als je aan iemand die kan lezen, vraagt: ‘Lees dat boek eens,’ dan zal hij zeggen: ‘Dat kan ik niet, want ik kan het boek niet openen.’ 12En als je het aan iemand vraagt die niet kan lezen, dan zal hij zeggen: ‘Ik kan niet lezen.’

Israël wil de Heer niet echt vereren

13De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie zeggen dat je mij wilt vereren. Maar jullie doen dat alleen met woorden, en niet met je hart. Jullie doen het alleen omdat andere mensen zeggen dat het zo hoort. Jullie hebben eerbied voor mij, maar alleen omdat het moet.

14Daarom zal ik opnieuw grote wonderen doen. Dingen waarover iedereen zich zal verbazen! Dan zullen jullie niets meer hebben aan de wijsheid van jullie profeten en jullie leiders.’

Sommige mensen verbergen alles voor de Heer

15Er zijn mensen in het land die alles in het geheim doen. Zij verbergen voor de Heer wat ze gaan doen. Ze zeggen: ‘Niemand kan ons zien, niemand weet wat wij doen!’

16Maar met die mensen zal het slecht aflopen! Want zij doen alsof ze belangrijker zijn dan de Heer, die hen gemaakt heeft. Dat is hetzelfde als klei belangrijker maken dan de pottenbakker. Maar kan klei tegen de pottenbakker zeggen: ‘Jij hebt me niet gemaakt’? Kan een vaas tegen de pottenbakker zeggen: ‘Dat had beter gekund’? Nee!

Alles zal anders worden

17Nog even, en dan wordt alles anders. Dan zullen er weer bomen groeien op de Libanon-bergen. En ook de berg Karmel zal weer prachtige bossen hebben.

18Op die dag kunnen dove mensen horen. Ze zullen horen hoe iemand voorleest uit een boek. En voor blinde mensen is het dan niet meer donker. Zij zullen dan kunnen zien. 19Mensen die het moeilijk hebben, zullen weer blij zijn met de Heer. Zij zullen juichen voor de heilige God van Israël.

20-21Op die dag hebben de onderdrukkers geen macht meer. Dan is het afgelopen met die brutale heersers, en met alle mensen die kwaad willen doen. Dan is het afgelopen met iedereen die eerlijke mensen beschuldigt. Dan is het afgelopen met iedereen die goede rechters wegstuurt!

Israël krijgt weer eerbied voor God

22De Heer zegt tegen de Israëlieten: ‘Ik ben de God die Abraham bevrijd heeft. Jullie zullen niet langer vernederd worden. Jullie hoeven je niet meer te schamen. 23Als jullie zien wat ik voor jullie doe, dan zullen jullie weer eerbied hebben voor mij, de God van Jakob. Dan zullen jullie zeggen dat ik de heilige God ben.

24Iedereen zal dan begrijpen wat ik doe. Zelfs de mensen die nu in de war zijn of over alles klagen.’