Bijbel in Gewone Taal (BGT)

De leiders beschermen het volk niet

101De Heer zegt: ‘Het zal slecht aflopen met leiders die slechte wetten maken. Die leiders schrijven in de wet dat mensen slecht behandeld mogen worden. 2Ze geven zwakke mensen geen rechten. En ze stelen. Ze stelen van de armen, van weduwen, en van kinderen zonder vader.

3Leiders, wat doen jullie als de dag komt dat ik ga straffen? Die dag komt heel snel dichterbij. Waar kunnen jullie je dan verbergen? Waar laten jullie dan al die gestolen spullen? 4Nergens! Want jullie zullen gevangen worden genomen, of sterven in de strijd.’

De Heer heeft zijn volk gestraft. Maar nog steeds is het niet genoeg. De Heer blijft kwaad op zijn volk.

De Heer straft Assyrië

De koning van Assyrië is ongehoorzaam

5De Heer zegt tegen de koning van Assyrië: ‘Het zal slecht met je aflopen! Ik heb jou gebruikt om mijn volk te straffen. Want ik was kwaad op hen. 6Ik heb jou en je leger gestuurd, want mijn volk doet slechte dingen. Mijn volk heeft mij kwaad gemaakt. Ik heb jou naar hun land gestuurd om daar te stelen en te roven. En om alles te vertrappen, zoals je het vuil op straat vertrapt.

7Maar jij was iets anders van plan. Jij wilde nog veel meer volken vernietigen. 8Je zei: ‘Mijn legerleiders zijn zo machtig als koningen. 9Ze hebben al veel steden veroverd! Niet alleen Kalno, maar ook Karkemis, Hamat, Arpad, Samaria en Damascus. 10Ik heb veel landen veroverd, landen die vol stonden met beelden van afgoden. In die landen stonden nog meer afgoden dan in Jeruzalem en Samaria. 11Ik heb Samaria veroverd, en ik zal zeker ook Jeruzalem veroveren!’’

De koning van Assyrië is te trots

12De Heer zegt: ‘Ik zal eerst de inwoners van Jeruzalem straffen. Maar daarna zal ik ook de koning van Assyrië straffen. Want die koning is erg trots op zichzelf, hij denkt dat hij alles kan. 13Hij zei: ‘Ik heb dit helemaal zelf gedaan, omdat ik zo wijs ben. Ik heb de grenzen tussen landen veranderd. Ik heb leiders en koningen weggejaagd. Zo machtig ben ik!

14Ik heb de rijkdommen van die volken weggehaald. Ik roofde de hele aarde leeg, zoals je een vogelnest met eieren leegrooft. De mensen durfden zich niet te verzetten, ze beefden als bange vogeltjes.’

15Maar de koning van Assyrië kan niets doen zonder mij, de Heer. Een bijl kan toch ook niets zonder de houthakker? Een zaag speelt toch ook niet de baas over de timmerman? Een stok geeft toch ook geen opdrachten aan de man die hem vasthoudt?’

De Heer zal Assyrië straffen

16De machtige Heer zal het volk van Assyrië straffen. Dat volk heeft zich vol gegeten. Maar ze zullen honger lijden, en een groot vuur zal al hun rijkdom verwoesten. 17-19De heilige God, het licht van Israël, zal heel Assyrië verwoesten. Als een groot vuur zal de Heer alles in één dag verbranden. Er zal bijna niets overblijven van dat prachtige land. De bossen van Assyrië zullen één voor één verdwijnen. Zo zal er van Assyrië steeds minder overblijven, alsof het land ziek is en sterft.

Israël vertrouwt niet meer op Assyrië

20Als de Assyriërs gestraft zijn, zullen de Israëlieten hen niet meer vertrouwen. De paar Israëlieten die nog over zijn, zullen geen vertrouwen meer hebben in de koning van Assyrië. Ze zullen alleen vertrouwen op de Heer, de heilige God van Israël. 21Die kleine groep zal terugkomen bij de Heer, de sterke God.

22Het volk van Israël was een groot volk. Er waren zo veel Israëlieten als er zand is bij de zee. Maar van hen zal maar een kleine groep bij de Heer terugkomen. Want het besluit van de Heer staat vast: het kwaad moet gestraft worden. Daarom zullen veel Israëlieten gedood worden. 23De machtige Heer heeft besloten dat hij hun land zal verwoesten. En alle volken zullen dat zien.

Israël hoeft niet bang te zijn

24God, de machtige Heer, zegt: ‘Je hoeft niet bang te zijn, mijn volk. Jullie die wonen op de berg Sion, wees niet bang voor de Assyriërs. Wees niet bang als Assyrië jullie onderdrukt, zoals Egypte jullie onderdrukt heeft. 25Want nog even, dan ben ik niet meer kwaad op jullie, maar dan ben ik kwaad op de Assyriërs.

26Ik zal de Assyriërs straffen! Net zoals ik het volk van Midjan eens gestraft heb bij de rots van Oreb. Ik zal de Assyriërs doden. Net zoals ik de Egyptenaren gedood heb bij de Rietzee.

27Op die dag zal ik jullie bevrijden van de Assyriërs. De zware last op jullie schouders wordt dan weggenomen. Jullie worden niet meer onderdrukt.’

Het leger van Assyrië gaat naar Jeruzalem

28Maar eerst zal dit gebeuren: Het leger van Assyrië valt de stad Ajjat aan. Daarna gaan ze via Migron naar de stad Michmas. En daar blijft een deel van het leger achter. 29Een kleine groep soldaten steekt het dal over en blijft ’s nachts in Geba.

In de stad Rama zijn de mensen heel erg bang. En in Gibea, de stad waar koning Saul geboren is, vluchten de mensen weg.

30Schreeuw maar zo hard je kunt, inwoners van Bat-Gallim! Laat je horen, inwoners van Laïs en Anatot! Laat maar horen hoe bang jullie zijn.

31De inwoners van Madmena vluchten weg, de inwoners van Gebim verbergen zich. 32Het leger is al bijna in Nob aangekomen. Straks vertrekken ze naar de berg Sion, en dan vallen ze Jeruzalem aan!

De Heer zal de Assyriërs verslaan

33-34Maar de machtige Heer zal de Assyriërs verslaan. Hij zal hun land met grote kracht vernietigen, en hij zal er alles weghalen. Zoals iemand met grote kracht een boom omhakt en alle takken weghaalt. Alle Assyriërs zullen verslagen worden.