Bijbel in Gewone Taal (BGT)
31

De farao lijkt op een cederboom

Een verhaal over een hoge cederboom

311Toen mijn volk en ik elf jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de eerste dag van de derde maand. De Heer zei: 2-3‘Mensenkind, zeg namens mij tegen de koning van Egypte en tegen zijn volk: ‘Farao, niemand op aarde is zo machtig als jij. Je lijkt op een hoge cederboom, die groter is dan alle andere bomen.

Ooit stond er op de Libanon-bergen zo’n hoge cederboom. Het was een boom met prachtige takken. De boom gaf veel schaduw. En hij was zo hoog dat hij tot in de wolken kwam.

4Op de plek waar de cederboom stond, was veel water onder de grond. Er stroomden brede rivieren naar de boom. Daardoor kon de boom goed groeien. Ook naar de andere bomen in het veld stroomden rivieren, maar die waren smaller.

5Zo werd de cederboom de hoogste van alle bomen in het veld. Zijn takken werden lang en sterk. 6Vogels bouwden hun nesten tussen zijn takken. Onder de boom kregen dieren hun jongen. En in de schaduw van de boom woonden veel volken.

De cederboom is de allermooiste boom

7Omdat de wortels van de boom zo veel water kregen, was de boom mooi en groot geworden. Hij had lange takken gekregen. 8Zelfs in de tuin van God was er geen enkele boom zo mooi en zo groot. Geen enkele boom had zulke lange takken.

9Ik, de Heer, had de cederboom zo mooi gemaakt en hem zulke sterke takken gegeven. En alle bomen in Eden, in de tuin van God, waren jaloers op hem.

De cederboom wordt omgehakt

10-11De cederboom werd zo hoog dat hij tot in de wolken kwam. Maar daardoor werd hij erg trots. Daarom heb ik de boom weggedaan. Ik gaf hem aan de machtigste heerser van de wereld. En die heeft de boom gestraft voor zijn trots.

12Andere volken, de wreedste volken van de wereld, hebben de boom omgehakt. Ze hebben hem neergegooid op de bergen. Zijn takken braken af, en die kwamen in de dalen terecht, en langs de rivieren. Alle volken gingen weg bij de boom en lieten hem liggen. 13Vogels maakten hun nesten in de omgevallen boom, en dieren verborgen zich tussen zijn takken.

Nooit meer wordt een boom zo hoog

14Vanaf nu zal geen enkele boom meer zo hoog worden als die cederboom. Ook niet als hij heel veel water krijgt. Geen enkele boom zal ooit nog met zijn takken tot in de wolken komen. En geen enkele boom zal nog proberen om hoger te worden dan alle andere bomen.

Alle bomen zullen op een dag sterven. Dan gaan ze naar het land van de dood, net als de mensen.

De cederboom in het land van de dood

15Op de dag dat de cederboom stierf, ging hij naar het land van de dood. Op die dag liet ik, de Heer, het water onder de grond rouwen om de dood van de cederboom. Daarom hield het water op met stromen. Ook de rivieren stroomden niet meer. Ik liet het overal donker worden op de Libanon-bergen. En alle bomen in het veld verdorden.

16Toen ik de cederboom liet neerstorten in het land van de dood, maakte dat een geweldig lawaai. Alle volken op aarde schrokken ervan.

In het land van de dood waren ook de bomen uit Eden. En ook de mooiste bomen van de Libanon-bergen waren daar, de bomen die veel water gekregen hadden. Toen de cederboom naar het land van de dood ging, was dat voor hen een troost. 17Want nu was er met de cederboom hetzelfde gebeurd als met hen. Ook alle volken die gedood waren in de strijd, waren in het land van de dood. Net als de volken die de cederboom hadden geholpen, en die in zijn schaduw hadden gezeten.

De cederboom is de farao

18Luister, farao. Die cederboom, dat ben jij! Want niemand is zo machtig en zo groot als jij. Maar net als de bomen van Eden zul je in het land van de dood terechtkomen. Daar zul je liggen tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd. Jouw hele volk zal daar terechtkomen. Dat heb ik, de Heer, besloten.’’

32

Een klaaglied over de farao

De farao lijkt op een krokodil

321Toen mijn volk en ik twaalf jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de eerste dag van de twaalfde maand. De Heer zei: 2‘Mensenkind, zing dit klaaglied over de koning van Egypte:

‘Farao, jij dacht dat je kon heersen over andere volken.

Je dacht dat je net zo sterk was als een leeuw.

Maar je lijkt meer op een krokodil

die het water van de rivier omhoog laat spatten

en de rivier modderig maakt met zijn poten.’

De farao zal gedood worden

3Dit zeg ik, de Heer, tegen de farao: ‘Ik zal jou vangen, net zoals iemand een krokodil vangt. Ik laat mensen komen uit allerlei volken. Die zullen je vangen in een net, en je uit het water trekken.

4Daarna zal ik je op het land gooien. Er zullen vogels en wilde dieren op je afkomen om je dode lichaam op te eten. 5Je vlees gooi ik neer op de bergen, en je botten in de dalen. 6Je bloed giet ik uit over de aarde. Het zal van de bergen stromen en de rivieren vullen.

Het zal donker worden in Egypte

7Als al het leven uit jou verdwenen is, zal ik de hemel donker maken. De sterren zullen geen licht meer geven. De zon zal verborgen zijn achter de wolken. En de maan zal niet meer schijnen. 8Alle stralende lichten die aan de hemel stonden, zal ik uit laten gaan. Dan zal het overal in je land donker zijn. Dat heb ik, de Heer, besloten.

De andere volken zullen schrikken

9De andere volken zullen vreselijk schrikken als ze ontdekken dat jij vernietigd bent. Zelfs volken die jij nooit gekend hebt, zullen in paniek raken. 10Ze zullen horen wat er met jou gebeurd is, en doodsbang worden. En hun koningen zullen beven van angst als ik mijn zwaard dreigend heen en weer zwaai. Op de dag dat jij gedood wordt, is iedereen bang. De mensen staan de hele tijd te trillen op hun benen.’

Een klaaglied over Egypte

11-12Dit zeg ik, de Heer, tegen de farao:

‘De koning van Babylonië komt eraan!

Samen met dappere soldaten uit wrede volken,

de wreedste volken van de wereld.

Hij komt om jouw land aan te vallen.

Zijn leger zal alle inwoners van Egypte doden,

en alles verwoesten waar de Egyptenaren trots op zijn.

13Ze doden zelfs de koeien en de schapen

die aan de kant van de rivier staan.

Dan wordt de rivier nooit meer modderig,

niet door de voeten van mensen

en niet door de poten van dieren.

14Het water van de rivier wordt weer helder,

de rivier zal weer rustig stromen.

Ik, de Heer, heb dat besloten.

15Ik zal Egypte totaal verwoesten.

Al zijn rijkdom wordt vernietigd,

en al zijn inwoners worden gedood.

Dan zal iedereen begrijpen dat ik de Heer ben.’

16Dit is een klaaglied over Egypte en over de Egyptenaren. Vrouwen uit andere volken zullen dit klaaglied zingen. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

De farao in het land van de dood

De Egyptenaren gaan naar het land van de dood

17Op de vijftiende dag van de twaalfde maand sprak de Heer nog een keer tegen mij. Hij zei: 18‘Mensenkind, huil maar om de Egyptenaren. Zeg dat ze in het land van de dood terecht zullen komen, waar ook de andere machtige volken zijn.

19Zeg tegen de Egyptenaren: ‘Denken jullie soms dat jullie beter zijn dan de rest? Binnenkort gaan jullie naar het land van de dood! Daar zullen jullie liggen tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, 20en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd.’

Want de Egyptenaren zullen allemaal verslagen worden. Ze worden weggesleept naar het land van de dood. 21Daar zeggen de dapperste helden over de farao en zijn helpers: ‘Kijk, zij zijn ook in het land van de dood terechtgekomen! Daar liggen ze nu. Nu horen zij ook bij de mensen waar niemand respect voor heeft en die gedood zijn in de strijd!’

De Assyriërs zijn daar ook

22-23Daar, in het land van de dood, liggen ook de Assyriërs. Ook zij zijn gestorven in de strijd. Hun graven liggen in het diepste deel van het land van de dood, rondom het graf van hun koning.

Toen de Assyriërs nog leefden, maakten ze iedereen op aarde doodsbang. Maar nu zijn ze gestorven, ze zijn gedood in de strijd.

De Elamieten zijn daar ook

24-25Ook de Elamieten zijn in het land van de dood. Ze zijn gestorven in de strijd, en daarna zijn ze in het land van de dood gekomen. Nu horen ze bij de mensen waar niemand respect voor heeft. Ze liggen begraven rondom het graf van hun koning.

Toen de Elamieten nog leefden, maakten ze iedereen op aarde doodsbang. Maar nu liggen ze tussen de anderen die in het land van de dood terechtgekomen zijn. En ze zijn vernederd. Want ze hebben een graf gekregen tussen de mensen die gedood zijn in de strijd.

Het volk van Mesech-Tubal is daar ook

26In het land van de dood zijn ook de inwoners van Mesech-Tubal. Ze liggen daar begraven rondom het graf van hun koning. Ooit maakten zij iedereen op aarde doodsbang. Maar nu liggen ze tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd.

27De inwoners van Mesech-Tubal zijn niet terechtgekomen bij de helden uit het verre verleden. Ooit maakten die helden iedereen op aarde doodsbang. Toen ze stierven, werden ze met veel eer begraven. Ze kregen hun wapens mee in hun graf. En nu liggen die helden in het land van de dood, met hun zwaard onder hun hoofd en met hun schild op hun lichaam.

28Net als de inwoners van Mesech-Tubal zullen ook de Egyptenaren gedood worden. Dan zullen ook zij tussen de mensen liggen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd.

De Edomieten zijn daar ook

29In het land van de dood zijn ook de Edomieten, samen met hun koning en al hun leiders. Op aarde hadden zij veel macht. Maar nu liggen ze tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd.

De inwoners van Sidon zijn daar ook

30Ook alle heersers van het noorden en alle inwoners van Sidon zijn terechtgekomen in het land van de dood. Op aarde hadden zij veel macht, ze maakten iedereen doodsbang. Maar nu liggen ze in het land van de dood. Ze liggen tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd. En nu zijn ze vernederd.

De farao ontmoet de andere volken

31Als de farao naar het land van de dood gaat, zal hij al die volken zien. Het zal voor hem een troost zijn dat er zo veel volken verslagen zijn. Want ook zijn eigen leger is helemaal verslagen.

32Ooit maakte de farao iedereen op aarde doodsbang. Ik, de Heer, liet dat toe. Maar nu is hij terechtgekomen tussen de mensen waar niemand respect voor heeft, en tussen de mensen die gedood zijn in de strijd. Samen met zijn hele volk.’

33

De Heer oordeelt eerlijk

Een bewaker waarschuwt het volk

331De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Luister, mensenkind. Jij moet de mensen van je volk toespreken en tegen hen zeggen: ‘Stel dat ik, de Heer, vijanden op een land afstuur. In dat land hebben de inwoners een bewaker uitgekozen om op te letten of er vijanden aankomen. 3Als die bewaker de vijanden ziet, blaast hij op de trompet om de inwoners te waarschuwen.

4Stel dat iemand het geluid van de trompet hoort. Maar hij luistert niet naar de waarschuwing en wordt door de vijanden gedood. Dan is hij zelf verantwoordelijk voor zijn dood. 5Want hij heeft de waarschuwing gehoord, maar er niet naar geluisterd. Als hij dat wel gedaan had, zou hij in leven gebleven zijn.

De bewaker waarschuwt niet

6Stel dat die bewaker ziet dat er vijanden aankomen. Maar hij blaast niet op de trompet om de mensen te waarschuwen. Het land wordt aangevallen en één van de inwoners wordt gedood. Dan is de bewaker verantwoordelijk voor zijn dood. Daarom zal de bewaker ook sterven. Ook al sterft die inwoner eigenlijk omdat hij zelf verkeerde dingen gedaan heeft.’

Ezechiël is de bewaker van het volk

7Luister, mensenkind. Jij bent zo’n bewaker. Want ik heb jou uitgekozen om het volk van Israël te bewaken. Steeds als je mijn woorden hoort, moet je de mensen waarschuwen.

8Stel dat ik tegen een misdadiger zeg dat hij zal sterven. Dan wil ik toch dat jij hem waarschuwt. Zeg tegen hem dat hij moet ophouden met zijn slechte gedrag. Als je hem niet waarschuwt, ben jij verantwoordelijk voor zijn dood en zul jij ook sterven. Ook al sterft die misdadiger omdat hij zelf verkeerde dingen gedaan heeft.

9Stel dat je die misdadiger wel waarschuwt, maar hij luistert niet. Dan zal hij sterven, omdat hij zelf verkeerde dingen gedaan heeft. Maar jij zult in leven blijven.

De Heer wil dat mensen blijven leven

10Mensenkind, de mensen van je volk zeggen: ‘Wij worden gestraft voor alles wat we verkeerd gedaan hebben. We worden zo zwaar gestraft, dat we er niet meer tegen kunnen. Hoe kunnen we zo verder leven?’

11Jij moet hun antwoorden: ‘Dit zegt God, de Heer: Luister, Israëlieten. De dood van een misdadiger maakt mij echt niet blij. Ik wil veel liever dat hij ophoudt met zijn misdaden, zodat hij blijft leven. Houd daarom op met jullie verkeerde gedrag. Dan hoeven jullie niet te sterven!’

Gedrag van vroeger telt niet

12Mensenkind, zeg tegen de mensen van je volk: ‘Stel dat iemand altijd op een goede manier geleefd heeft. Maar op een dag pleegt hij een misdaad. Dan zullen de goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, hem niet redden van zijn straf.

En stel dat iemand altijd als een slecht mens geleefd heeft. Maar op een dag krijgt hij spijt en houdt hij op met zijn misdaden. Dan zal hij niet gestraft worden, ook al heeft hij vroeger misdaden gepleegd.

Wie misdaden pleegt, zal sterven

13Stel dat ik tegen een goed en eerlijk mens zeg dat hij zal blijven leven. Maar dan pleegt hij een misdaad. Want hij denkt dat hij toch wel gered zal worden. Dan zal ik er geen rekening mee houden dat hij altijd goed geleefd heeft. Nee, hij zal sterven omdat hij nu een misdaad heeft gepleegd.

Wie spijt krijgt, blijft leven

14Stel dat ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven. Maar hij krijgt spijt en houdt op met zijn verkeerde gedrag. Hij gaat op een goede en eerlijke manier leven. 15Als anderen hem iets gegeven hebben om geld van hem te kunnen lenen, dan geeft hij dat aan hen terug. En ook dingen die hij gestolen heeft, geeft hij terug. Hij houdt zich voortaan aan mijn wetten, en pleegt geen misdaden meer. Zo iemand zal zeker blijven leven. Hij hoeft niet te sterven. 16Alle verkeerde dingen die hij gedaan heeft, worden hem vergeven. Hij mag in leven blijven omdat hij een goed en eerlijk mens geworden is.’

Wat de Heer doet, is eerlijk

17Mensenkind, de mensen van je volk zeggen: ‘Wat de Heer doet, is oneerlijk!’ Maar wat zij zelf doen, is oneerlijk!

18Een goed en eerlijk mens zal sterven als hij stopt met zijn goede gedrag, en slechte dingen gaat doen. 19En een misdadiger zal in leven blijven als hij stopt met zijn misdaden, en zich goed gaat gedragen.

20De mensen van je volk zeggen dat het oneerlijk is wat ik doe. Maar ik, de Heer, zeg tegen hen: ‘Luister, Israëlieten! Ik beoordeel ieder mens op de dingen die hij nu doet.’’

Ezechiël spreekt opnieuw

Ezechiël kan weer praten

21Toen mijn volk en ik twaalf jaar in Babylonië woonden, kwam er een vluchteling uit Jeruzalem naar mij toe. Dat gebeurde op de vijfde dag van de tiende maand. Die vluchteling vertelde mij dat Jeruzalem verwoest was.

22In de nacht daarvoor had ik de sterke macht van de Heer gevoeld. En toen de vluchteling ’s ochtends bij me kwam, kon ik mijn stem weer gebruiken. Ik kon eindelijk weer praten. Daar had de Heer voor gezorgd.

Het land is niet van de Israëlieten

23De Heer zei tegen mij: 24‘Mensenkind, de mensen die in de verwoeste steden van Israël wonen, zeggen: ‘Abraham was maar alleen, en toch kreeg hij het hele land Israël in bezit. Wij zijn met heel veel. Daarom weten we zeker dat dit land van ons is.’

25-26Jij moet de Israëlieten namens mij het volgende antwoord geven: ‘Jullie doen afschuwelijke dingen. Jullie eten vlees waar nog bloed in zit. Jullie vereren afgoden en plegen moorden. Jullie vertrouwen op wapens. En jullie gaan naar bed met de vrouw van een ander. Hoe durven jullie dan nog te zeggen dat dit land jullie bezit is?’

Het hele land wordt verwoest

27Mensenkind, zeg tegen de Israëlieten: ‘Dit zegt God, de Heer: De mensen die in de verwoeste steden van Israël zijn achtergebleven, zullen sterven in de strijd. De mensen die buiten de steden wonen, zullen gedood worden door wilde dieren. En de mensen die schuilen in de rotsen, zullen sterven door een vreselijke ziekte. Dat is zo zeker als ik leef!

28Ik, de Heer, zal het hele land veranderen in een woestijn. Ik zal een einde maken aan de macht van jullie land. Die macht waar jullie zo trots op waren. De bergen van Israël worden een verlaten gebied. Niemand zal er meer doorheen reizen. 29Het hele land zal leeg en verlaten zijn, omdat jullie zo veel afschuwelijke dingen gedaan hebben.

Als dat gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De mensen doen niet wat Ezechiël zegt

30Toen zei de Heer: ‘Mensenkind, de mensen van je volk praten allemaal over jou. Ze staan bij de muren van de stad en bij de deuren van hun huizen, en ze zeggen tegen elkaar: ‘Kom mee! Laten we horen wat de Heer ons te zeggen heeft.’ 31Ze komen in grote groepen naar je toe. Ze gaan tegenover je zitten, en dan luisteren ze naar je. Maar ze doen niet wat je zegt!

Ze willen mooie verhalen over liefde horen. Maar intussen denken ze alleen aan geld. 32Ze zien jou als een zanger van liefdesliedjes. Een zanger die een mooie stem heeft en prachtige muziek maakt. Ze luisteren graag naar je, maar ze doen niet wat je zegt!

33Maar de dingen die jij zegt, zullen echt gebeuren. Dan zullen ze begrijpen dat er een profeet bij hen was.’