Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

God zal zelf antwoorden

De leiders vragen om raad

141Op een dag kwamen er een paar leiders van mijn volk bij mij. Toen ze voor mij zaten, 2zei de Heer tegen mij: 3‘Mensenkind, deze mannen zijn gekomen om mij om raad te vragen. Maar waarom zou ik raad geven aan deze mannen? Ze denken alleen maar aan hun afgoden, en ze doen steeds slechte dingen.

4-5Daarom moet jij die mannen waarschuwen. Je moet tegen hen zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb een besluit genomen over alle Israëlieten die net zo doen als jullie. Ze denken alleen maar aan hun afgoden en doen steeds slechte dingen. Als zulke mensen een profeet om raad vragen, dan zal ik hun zelf een antwoord geven! Ik zal hun vertellen dat ik ze ga straffen. Ik ga iedereen in Israël straffen die afgoden vereert en mij in de steek laat.’

De Heer zal zelf antwoord geven

6Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘Dit zegt God, de Heer: Houd op met het vereren van die afgoden! Houd op met al die vreselijke dingen die jullie doen! En kom weer bij mij terug. 7Want ik heb een besluit genomen over alle mensen in Israël die mij in de steek laten. Dat geldt niet alleen voor Israëlieten, maar ook voor vreemdelingen in Israël. Het geldt voor iedereen die alleen maar aan afgoden denkt en steeds slechte dingen doet. Als zulke mensen naar een profeet gaan omdat ze mij om raad willen vragen, dan mag die profeet niets tegen hen zeggen. Want ik zal zelf een antwoord aan die mensen geven. 8Ik zal hun vertellen dat ik ze ga straffen! Ik ga hen wegsturen uit mijn volk. En iedereen zal zien hoe slecht het met hen afloopt.’

Dan zullen de mensen van je volk begrijpen dat ik de Heer ben.

Als profeten toch raad geven

9Stel dat een profeet toch raad geeft aan iemand die afgoden vereert. Dat kan hij doen omdat ik het toelaat. Maar dan zal ik die profeet toch straffen. Hij mag niet meer bij mijn volk horen. 10En ik zal niet alleen die profeet straffen, maar ook degene die naar hem toe gegaan is.

11Zo zal ik een einde maken aan de misdaden van de Israëlieten. En zo zal ik ervoor zorgen dat ze mij niet meer in de steek zullen laten. Dan zullen zij mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

Weinig mensen worden gered

Alleen goede mensen worden gered

12De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 13‘Mensenkind, stel dat de mensen in een land tegen mij zondigen en mij in de steek laten. Dan zal ik dat land straffen. Ik zal ervoor zorgen dat er bijna geen eten meer te vinden is. De mensen en de dieren in dat land zullen sterven van de honger. 14Stel dat er in dat land drie goede mensen wonen: Noach, Daniël en Job. Dan worden alleen die drie gered. Want alleen zij zijn eerlijk en goed.

15-16Stel dat ik wilde dieren naar dat land stuur. Die wilde dieren zullen door het land zwerven en de bewoners doden. Het land verandert dan in een gevaarlijk gebied. Niemand durft er nog te komen. Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen. Dan worden alleen die drie gered. Ze kunnen er dus zelfs niet voor zorgen dat hun eigen kinderen in leven blijven. Dat staat vast!

17Of stel dat ik legers op dat land afstuur. Die legers zullen door het land trekken en de mensen en de dieren doden. 18Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen, dan blijven alleen zij in leven. Maar hun kinderen worden niet gered. Dat staat vast!

19Of stel dat ik zo woedend ben op dat land, dat ik er de pest laat uitbreken. De mensen en de dieren worden dan ziek en gaan dood. 20Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen, dan blijven alleen zij in leven. Want alleen zij zijn eerlijk en goed. Maar hun kinderen worden niet gered. Dat staat vast!’

Zo gaat het ook in Jeruzalem

21Toen zei God, de Heer: ‘Ik zal Jeruzalem op dezelfde manier straffen als dat slechte land. Net als in dat land zullen ook in Jeruzalem alle slechte inwoners sterven. Want ik zal vier verschrikkelijke rampen naar de stad sturen: oorlog, honger, wilde dieren en de pest. Zo maak ik een einde aan het leven van mensen en dieren.

22Maar toch zal ik enkele inwoners van Jeruzalem in leven laten. Zij zullen weggehaald worden uit Jeruzalem en naar Babylonië worden gebracht. Daar zullen ze bij jullie komen wonen. Jullie zullen horen hoeveel kwaad zij hebben gedaan. En dan zullen jullie beter kunnen accepteren dat ik Jeruzalem zo zwaar straf. 23Want als jullie over hun misdaden horen, zullen jullie begrijpen dat ik die vreselijke rampen niet zomaar laat gebeuren.’

15

Jeruzalem lijkt op een druivenplant

Slecht hout wordt in het vuur gegooid

151De Heer zei tegen mij: 2-3‘Mensenkind, het hout van de bomen in het bos kun je gebruiken om er nuttige dingen van te maken. Maar van de takken van een druivenplant kun je niets maken, zelfs geen haak om iets aan op te hangen. 4Je kunt ze alleen maar in het vuur gooien. Het vuur verbrandt de takken, zodat er alleen as overblijft. Dan heb je helemaal niets meer aan dat hout.

5Als de takken van een druivenplant nog niet verbrand zijn, hebben ze al weinig waarde. Maar als ze in het vuur gegooid zijn en er alleen nog as van over is, heb je er helemaal niets meer aan.

Ook Jeruzalem wordt verbrand

6Luister naar wat ik, de Heer, zeg. Het hout van een druivenplant is slechter dan het hout van andere bomen en struiken. Daarom wordt het in het vuur gegooid. Zo zal het ook gaan met de inwoners van Jeruzalem. Want zij zijn slechter dan de andere volken. Daarom zal ik heel Jeruzalem door vuur verwoesten.

7-8Deze keer zullen de mensen niet aan het vuur ontsnappen. Nee, iedereen zal door het vuur gedood worden. En het hele land zal worden verwoest. Zo zal ik de inwoners straffen, omdat ze mij in de steek gelaten hebben.

Als de mensen van je volk zien hoe zwaar ik Jeruzalem straf, zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben.’

16

Jeruzalem lijkt op een ontrouwe vrouw

Jeruzalem is ontrouw aan de Heer

161De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2-3‘Mensenkind, de inwoners van Jeruzalem zijn andere goden gaan dienen. Ze zijn mij ontrouw geworden. Vertel hun maar hoe verschrikkelijk dat is.

Een kind waar niemand voor zorgt

Vergelijk Jeruzalem maar eens met een vrouw. Die vrouw werd geboren in het land Kanaän. Haar vader kwam uit het land van de Amorieten, en haar moeder uit het land van de Hethieten.

4Toen ze net geboren was, wilde niemand voor haar zorgen. Er was niemand die de navelstreng van het meisje doorsneed, en niemand die haar waste en in doeken wikkelde. 5Niemand zorgde voor het kind. Niemand had medelijden met haar.

Op de dag van haar geboorte lieten haar ouders haar achter in een veld. Want ze wilden het kind niet houden.

De Heer redt het kind

6Toen kwam ik, de Heer, daar voorbij. Ik zag het kind liggen, helemaal onder het bloed. En ik zei tegen het kind: ‘Ik zal ervoor zorgen dat je in leven blijft. Nu zit je nog onder het bloed. 7Maar je zult groeien en mooi worden, net zoals een bloem in het veld.’

Het kind wordt volwassen

Het kind groeide op en werd volwassen. Het werd een prachtige jonge vrouw. Ze kreeg mooie borsten, en haar haar groeide. Maar ze was nog steeds helemaal naakt.

8Weer kwam ik voorbij. Ik zag dat het meisje volwassen geworden was. Ze was oud genoeg om te trouwen. Toen deed ik mijn mantel om haar heen, zodat ze niet meer naakt was. En ik beloofde haar dat ik haar voor altijd trouw zou zijn. Zo werd ze mijn vrouw.

De Heer maakt de vrouw mooi

9Ik waste het bloed van haar lichaam af, en smeerde haar huid in met olie. 10Ik gaf haar prachtige kleren, leren sandalen, een witte sluier en een mantel van kostbare stof. 11Ik gaf haar ook sieraden: armbanden, een ketting, 12een neusringetje en oorbellen. En ik zette een prachtige kroon op haar hoofd. 13Ze zag er schitterend uit met haar gouden en zilveren sieraden, en met haar mooie kleren van kostbare stoffen.

Ik gaf haar ook heerlijk eten: koeken van fijn meel, honing en olijfolie.

De vrouw werd mooier en mooier. Ze werd net zo mooi als een koningin. 14Over de hele wereld was ze beroemd om haar schoonheid. Ik, de Heer, had haar zo mooi gemaakt.

De vrouw gedraagt zich als een hoer

15Maar omdat de vrouw zo mooi en beroemd was, werd ze trots. Ze wist dat ze elke man kon krijgen die ze wilde. Ze ging zich gedragen als een hoer, en sliep met iedere man die ze tegenkwam.

16Ze legde haar prachtige kleren op een bed, en daarop sliep ze met die mannen. Zoiets was nooit eerder gebeurd, en zal ook nooit meer gebeuren!

De vrouw maakt afgodsbeelden

17De vrouw liet de prachtige zilveren en gouden sieraden die ik haar gegeven had, smelten. Ze maakte er afgodsbeelden van, en vereerde die. En aan mij dacht ze niet meer! 18Ze kleedde de beelden aan met haar prachtige kleren. En ze offerde mijn olie en mijn wierook aan hen. 19En ook het eten dat ik haar gegeven had, de koeken van fijn meel, olijfolie en honing, offerde ze aan de beelden. Het offer rook heerlijk. Zo wilde ze de goden een plezier doen.

20-21Zelfs de kinderen die ze met mij gekregen had, offerde ze aan die goden. Ze slachtte mijn kinderen om hen aan de goden te offeren! Ze dacht zeker dat haar ontrouw nog niet erg genoeg was.

22Het was afschuwelijk wat ze deed. Ze had mij verlaten, en leefde als een hoer. Ze dacht er geen ogenblik meer aan dat ik haar vroeger gered had. Dat ik voor haar gezorgd had, toen ze als baby achtergelaten was, helemaal naakt en onder het bloed.

Het wordt steeds erger

23-25Het zal slecht aflopen met die vrouw! Want nadat ze al die verschrikkelijke dingen gedaan had, werd het nog veel erger. Overal waar ze kwam, ging ze met mannen naar bed. Op elk plein en op de hoek van elke straat. Ze maakte misbruik van haar schoonheid, en probeerde iedereen die voorbijkwam, te verleiden.

26Ze sliep ook met haar buren, de Egyptenaren. Dat waren mannen die alleen maar aan seks dachten.

De Heer straft de vrouw

De vrouw ging zich steeds meer als een hoer gedragen. Ik voelde me diep beledigd door haar. 27Daarom besloot ik haar te straffen. Ik pakte de spullen af die ik haar gegeven had. En ik leverde haar uit aan haar vijanden, de Filistijnse vrouwen. Die mochten met haar doen wat ze wilden. Maar zelfs zij schaamden zich voor haar schandelijke gedrag.

De vrouw gaat naar andere volken

28De vrouw ging ook naar bed met de Assyriërs. Maar daarna had ze er nog steeds geen genoeg van. 29Daarom sliep ze ook nog met de Babyloniërs, die handelaars. Maar zelfs dat was niet genoeg. 30Ze liet zich helemaal gaan en schaamde zich nergens voor.

De vrouw betaalt mannen voor seks

31De vrouw ging overal met mannen naar bed, op elk plein en op de hoek van elke straat. Maar toch was ze anders dan andere hoeren. Want ze wilde niet dat de mannen haar betaalden. 32Ze liet haar eigen man in de steek en ging naar bed met vreemde mannen. 33Maar terwijl andere hoeren betaald worden, wilde zij er niets voor hebben. Nee, zij betaalde juist de mannen! Want ze wilde dat die overal vandaan naar haar toe zouden komen.

34Het ging bij haar dus precies andersom als bij andere hoeren. De mannen liepen niet achter haar aan, maar zij liep achter de mannen aan. En de mannen betaalden haar niet, maar zij betaalde de mannen.

De Heer is woedend

35Daarom is dit mijn boodschap: ‘Luister naar mij, hoer! 36Je verlangde naar seks met allerlei mannen. Je kleedde je voor hen uit, en ging met hen naar bed. Je vereerde die afschuwelijke afgoden, en offerde je eigen kinderen aan hen.

37-38Daarom zal ik je straffen! Ik zal je net zo streng straffen als andere vrouwen die vreemdgegaan zijn of die een moord gepleegd hebben. Je zult zo hard geslagen worden, dat je onder het bloed komt te zitten. Want ik ben woedend op jou!

De vrouw wordt gestraft

Dit ga ik doen: Ik ga alle mannen met wie jij geslapen hebt, bij elkaar roepen. De mannen van wie je hield, maar ook de mannen die je haatte. Zij zullen in een kring om je heen gaan staan. Dan zal ik jou voor hun ogen uitkleden, zodat je helemaal naakt voor hen zult staan.

39Die mannen mogen met je doen wat ze willen. Ze zullen de plaatsen afbreken waar je met hen geslapen hebt. Ze zullen je kleren van je lijf trekken, en al je mooie spullen van je afpakken. Daarna zullen ze je naakt achterlaten.

40Dan zullen ze een heleboel mensen bij elkaar roepen. Die zullen stenen naar je gooien en je neerslaan met hun zwaarden. 41Daarna steken ze je huizen in brand. Zo zullen ze je straffen, terwijl andere vrouwen toekijken.

De Heer zal niet meer kwaad zijn

Zo komt er een einde aan je afschuwelijke gedrag. Je zult je niet meer als een hoer gedragen. En je zult geen mannen meer betalen om met je naar bed te gaan.

42Als ik je genoeg gestraft heb, zal ik weer rustig worden. Dan zal ik niet meer jaloers zijn, en niet meer kwaad op je zijn.

43Maar eerst zal ik je straffen voor je afschuwelijke gedrag. Want je hebt er geen ogenblik meer aan gedacht dat ik je vroeger gered heb. En je had geen enkele eerbied voor mij toen je al die vreselijke dingen deed. Je hebt je schandelijk en afschuwelijk gedragen!

De vrouw is slechter dan haar zussen

44De mensen zeggen over jou: ‘De dochter lijkt precies op haar moeder!’ 45Want ook je moeder haatte haar man en haar kinderen. En je lijkt ook op je zussen. Want ook zij haatten hun man en hun kinderen.

Jullie moeder komt uit het land van de Hethieten, en jullie vader uit het land van de Amorieten. 46Je oudste zus, Samaria, woonde met haar dochters in het noorden. En je jongste zus, Sodom, woonde met haar dochters in het zuiden.

47Je zussen gedroegen zich vreselijk. En jij was al net zo erg. Maar al snel werd je nog veel erger dan zij. 48Het is bijna niet te geloven, maar jij en je dochters gingen zich nog slechter gedragen dan je zus Sodom en haar dochters!

49Sodom en haar dochters waren trots en verwend. Ze leefden zonder zorgen, en hadden meer dan genoeg te eten. Maar ze deden helemaal niets om arme en zwakke mensen te helpen. 50Ze dachten dat ze zelf belangrijker waren dan anderen. Ze deden dingen die ik verschrikkelijk vond. Toen ik dat merkte, heb ik hen weggejaagd.

51Maar jij bent nog veel erger dan je zussen! Vergeleken met jouw afschuwelijke gedrag valt hun gedrag wel mee. 52Je moet je schamen! Jouw misdaden zijn zo groot, dat die van je zussen klein lijken. Schaam je diep!

Het zal weer goed gaan met de vrouw

53Toch zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Sodom en haar dochters, en met Samaria en haar dochters. En daarna zal ik ervoor zorgen dat het ook weer goed gaat met jou.

54Dan zul jij je schamen voor alles wat je gedaan hebt. Je zult je vernederd voelen. En dat zal Sodom en Samaria troosten.

55Met Sodom en Samaria en hun dochters zal het weer net zo goed gaan als vroeger. En ook met jou en je dochters zal het weer goed gaan.

Andere mensen spotten met de vrouw

56Vroeger roddelde jij over Sodom. Je was trots, je dacht dat je beter was dan zij. 57De mensen wisten toen nog niet hoe slecht jij zelf eigenlijk was.

Maar nu roddelen de andere vrouwen over jou: de vrouwen uit Aram en de landen daaromheen, en ook de Filistijnse vrouwen die naast je wonen. Ze spotten allemaal met jou. 58En dat is je eigen schuld! Want je hebt je schandelijk en afschuwelijk gedragen.

De Heer doet een nieuwe belofte

59Luister, Jeruzalem! Je krijgt je verdiende loon! Want je bent mij ontrouw geworden. We hadden beloofd dat we elkaar voor altijd trouw zouden zijn. Maar jij hebt je niet aan die belofte gehouden.

60Toch zal ik de belofte die we elkaar vroeger gedaan hebben, niet vergeten. Ik zal opnieuw een belofte aan je doen. Je mag weer bij me terugkomen, en dan zullen we voor altijd bij elkaar horen.

61Je oudste en je jongste zus zullen weer bij je terugkomen. En jij zult de baas over hen zijn, ook al heb je dat niet verdiend. Je zult terugdenken aan wat je vroeger gedaan hebt, en je zult je er diep voor schamen.

62Als ik die nieuwe belofte aan je gedaan heb, zul je begrijpen dat ik de Heer ben. 63Dan zul je terugdenken aan al je misdaden. En je zult je daar zo voor schamen, dat je niets meer durft te zeggen. Maar ik zal je alles vergeven wat je gedaan hebt. Dat heb ik, de Heer, besloten.’’