Bijbel in Gewone Taal (BGT)
40

Mozes moet de tent opbouwen

401De Heer zei tegen Mozes: 2‘Op de eerste dag van de eerste maand moet je de heilige tent opbouwen. 3Dan moet je de heilige kist in de tent zetten. En voor de kist moet je het gordijn ophangen. 4Zet daarna de tafel in de tent. En zet alle voorwerpen die bij de tafel horen, netjes op de tafel. Zet de kandelaar neer en steek de olielampen aan. 5Zet daarna het gouden wierookaltaar in de tent. Zet het voor de heilige kist. En hang het gordijn voor de ingang van de tent.

6Het grote altaar moet je voor de ingang van de tent zetten. 7En de waterbak moet tussen de ingang en het altaar komen te staan. Je moet de bak vullen met water. 8Dan moet je het plein rond de tent in orde maken. Hang ook een gordijn voor de ingang van het plein.

9Neem dan wat heilige olie, en giet wat olie over de tent en over alles wat erin staat. Zo wordt dat allemaal heilig. 10Giet dan wat olie over het grote altaar en over alles wat erbij hoort. Zo wordt het altaar heilig. 11Giet ook wat olie over de waterbak en over het onderstel van de bak. Zo wordt ook de waterbak heilig.

Aäron en zijn zonen moeten priester worden

12Laat dan Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tent komen. Daar moet je hen schoonwassen met water. 13Trek Aäron zijn speciale kleren aan. En giet wat olie over zijn hoofd. Dan is hij heilig en kan hij mij als priester dienen.

14Laat daarna de zonen van Aäron bij je komen. Trek ze de priesterkleren aan. 15Giet wat olie over hun hoofd, net zoals je bij hun vader gedaan hebt. Dan kunnen ze mij als priester dienen. Zij en hun nakomelingen zullen altijd mijn priesters zijn.’

Mozes bouwt de tent op

16Mozes deed alles wat de Heer gezegd had. 17In de eerste maand van het tweede jaar nadat de Israëlieten uit Egypte weggegaan waren, werd de heilige tent opgebouwd.

18Mozes liet de voetstukken neerzetten en hij liet de planken daarin zetten. De dwarsbalken werden geplaatst en de palen werden rechtop gezet. 19De grote tent werd over de eerste tent heen gespannen. En daaroverheen werden de grote kleden gelegd om de tent af te dekken. Alles gebeurde zoals de Heer het tegen Mozes had gezegd.

Mozes richt de tent in

20Mozes legde de stenen platen met de wet van God in de heilige kist. Hij stak de draagstokken door de ringen van de kist en deed het deksel op de kist. 21Toen zette hij de kist in de tent. Hij hing het gordijn ervoor om de kist apart te zetten. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

22Voor het gordijn zette Mozes de tafel. De tafel kwam aan de zijkant van de tent, aan de noordkant. 23Op de tafel zette hij het offerbrood voor de Heer. Zo had de Heer het tegen hem gezegd. 24Hij zette de kandelaar aan de zijkant tegenover de tafel, aan de zuidkant. 25En hij stak de olielampen voor de Heer aan. Want zo had de Heer het tegen hem gezegd.

26Daarna zette Mozes het gouden altaar voor het gordijn in de tent. 27Hij brandde geurige wierook, zoals de Heer tegen hem gezegd had. 28Hij hing het gordijn voor de ingang van de tent. 29Bij de ingang van de heilige tent zette hij het grote altaar. Hij offerde vlees en graan op het altaar. Want zo had de Heer het tegen hem gezegd.

30Daarna zette Mozes de waterbak tussen de tent en het altaar, en hij deed water in de bak. 31Met dat water konden Mozes, Aäron en de zonen van Aäron hun handen en voeten wassen. 32Dat deden ze als ze de tent in gingen en als ze naar het altaar gingen. Zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

33Mozes maakte het plein om de tent en het altaar in orde. En hij hing het gordijn op voor de ingang van het plein. Toen was hij klaar met het werk aan de tent.

De Heer komt naar de tent

34Op dat moment kwam er een wolk boven de heilige tent hangen. Het stralende licht van de Heer vulde de tent. 35Mozes kon niet naar binnen gaan, want de wolk van de Heer hing boven de tent. En het stralende licht van de Heer vulde de tent.

36Steeds als de wolk boven de tent omhoogging, reisden de Israëlieten verder. 37En als de wolk niet omhoogging, reisden ze niet verder. Dan wachtten ze tot de wolk weer omhoogging. 38Overdag zagen de Israëlieten de Heer in de wolk boven de tent, en ’s nachts zagen ze een vuur in de wolk.