Bijbel in Gewone Taal (BGT)
39

De priesterschort voor Aäron

391Er werd kleding gemaakt voor de priesters die in de tent gingen werken. Voor Aäron maakten de vakmensen speciale kleding, precies zoals de Heer tegen Mozes gezegd had. 2-3Ze maakten de priesterschort van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. Het gouddraad maakten ze van platgeslagen goud.

4Er werden schouderstukken aan de schort gezet die aan de achterkant aan elkaar vastzaten. 5De band van de schort was één geheel met de schort. De schort en de band waren van hetzelfde materiaal gemaakt. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

6De schort werd versierd met twee edelstenen. Die werden vastgezet in gouden randen. Daarna werden er namen op de stenen gezet, zoals je namen op ringen kunt zetten. Het waren de namen van de stammen van Israël.

7De edelstenen met de namen werden op de schouderstukken van de schort vastgemaakt. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd. Door die stenen zou hij steeds aan de Israëlieten denken.

De tas

8De vakmensen maakten ook de tas die op de schort gedragen zou worden. Ze maakten hem van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. De tas werd net zo mooi als de schort. 9Ze vouwden de stof van de tas dubbel, zodat de tas vierkant was: 25 centimeter lang en 25 centimeter breed.

10-13Op de tas kwamen vier rijen edelstenen, op elke rij drie stenen. Het waren allemaal stenen van verschillende kleuren. Elke steen werd in goud vastgezet. 14Het waren twaalf stenen, omdat Jakob twaalf zonen had. Op elke steen werd de naam van één van de twaalf stammen van Israël gezet.

15Op de tas kwamen ook gevlochten kettinkjes, van zuiver goud. 16En twee gouden ringen met een gouden rand erom. Die ringen werden vastgezet op de bovenste hoeken van de tas. 17De kettinkjes werden aan de ene kant vastgemaakt aan de ringen. 18Aan de andere kant werden ze vastgemaakt aan de gouden rand van de edelstenen op de schort.

19Daarna maakten de vakmensen nog twee gouden ringen. Die ringen zetten ze aan de onderste hoeken van de tas. Ze zetten ze aan de binnenkant, aan de kant die tegen de schort hing. 20Ook op de schouderstukken van de schort zetten ze twee gouden ringen. Die kwamen net boven de plek waar de schouderstukken aan de schort vastgezet waren, boven de band van de schort. 21Daarna haalden ze een blauw koord door de ringen van de tas en de ringen van de schort. Ze bonden de tas stevig vast op de schort, zodat hij er niet af kon schuiven.

De mantel voor Aäron

22De vakmensen maakten de mantel van blauwe wol. Die mantel kwam onder de priesterschort. 23In het midden van de mantel maakten ze een opening voor de hals. Rond die opening werd een stevige rand geweven, zodat de stof niet kon scheuren.

24Onder aan de mantel maakten ze een versiering van appeltjes. Die appeltjes maakten ze van fijn linnen en blauwe, paarse en rode wol. 25Ze maakten belletjes van zuiver goud. Die zetten ze tussen de appeltjes. 26Na ieder appeltje kwam een belletje.

Die mantel droeg Aäron, zoals de Heer tegen Mozes gezegd had.

De rest van de priesterkleding

27De vakmensen maakten voor Aäron en zijn zonen ook de rest van de priesterkleding. Dus de linnen hemden, 28de tulband, de mooie hoge mutsen en de broeken. Alles werd van fijn linnen gemaakt. 29Ten slotte maakten ze de geborduurde band die als riem gebruikt werd. Die band was van fijn linnen en blauwe, paarse en rode wol. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

30Ze maakten ook het gouden sieraad, het speciale sieraad van zuiver goud. Daarop werd geschreven: ‘Ik dien de Heer’. 31Ze maakten een blauw koord aan het sieraad. Zo kon het vastgemaakt worden aan de bovenkant van de muts.

De tent is klaar

32Toen was het werk aan de heilige tent klaar. De Israëlieten hadden alles precies zo gemaakt als de Heer tegen Mozes gezegd had.

33Daarna bracht het volk alles naar Mozes. Ze brachten de tent, met alles wat erbij hoorde: de planken en de haken, de dwarsbalken, de palen en de voetstukken. 34Ook de kleden om de tent af te dekken, één van rood leer en één van zwart leer, en het gordijn voor de allerheiligste ruimte werden bij Mozes gebracht.

35De heilige kist, de draagstokken voor de kist en het deksel werden bij Mozes gebracht. 36En de tafel, de voorwerpen die bij de tafel hoorden, en het offerbrood.

37De gouden kandelaar werd bij Mozes gebracht, en de olielampen die op de kandelaar gezet moesten worden, met alles wat bij de kandelaar hoorde, en de olie voor de olielampen. 38Ook het gouden altaar, de heilige olie en de wierook, en het gordijn voor de ingang van de tent.

39Het bronzen altaar werd bij Mozes gebracht, met het bronzen hek eromheen, de draagstokken voor het altaar, en alle voorwerpen die bij het altaar hoorden. Ook de waterbak en het onderstel van de bak.

40De schermen voor het plein om de tent werden gebracht, de palen met hun voetstukken, en het gordijn voor de ingang van het plein. Ook alle touwen en pinnen, en alles wat nodig was voor het werk in de heilige tent.

41Ten slotte werd ook de kleding voor het werk in de tent bij Mozes gebracht, de speciale kleding voor de priester Aäron en de kleding voor zijn zonen.

42De Israëlieten hadden alles zo gemaakt als de Heer het tegen Mozes gezegd had. 43Toen Mozes zag hoe goed ze het gedaan hadden, zegende hij hen.

40

Mozes moet de tent opbouwen

401De Heer zei tegen Mozes: 2‘Op de eerste dag van de eerste maand moet je de heilige tent opbouwen. 3Dan moet je de heilige kist in de tent zetten. En voor de kist moet je het gordijn ophangen. 4Zet daarna de tafel in de tent. En zet alle voorwerpen die bij de tafel horen, netjes op de tafel. Zet de kandelaar neer en steek de olielampen aan. 5Zet daarna het gouden wierookaltaar in de tent. Zet het voor de heilige kist. En hang het gordijn voor de ingang van de tent.

6Het grote altaar moet je voor de ingang van de tent zetten. 7En de waterbak moet tussen de ingang en het altaar komen te staan. Je moet de bak vullen met water. 8Dan moet je het plein rond de tent in orde maken. Hang ook een gordijn voor de ingang van het plein.

9Neem dan wat heilige olie, en giet wat olie over de tent en over alles wat erin staat. Zo wordt dat allemaal heilig. 10Giet dan wat olie over het grote altaar en over alles wat erbij hoort. Zo wordt het altaar heilig. 11Giet ook wat olie over de waterbak en over het onderstel van de bak. Zo wordt ook de waterbak heilig.

Aäron en zijn zonen moeten priester worden

12Laat dan Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tent komen. Daar moet je hen schoonwassen met water. 13Trek Aäron zijn speciale kleren aan. En giet wat olie over zijn hoofd. Dan is hij heilig en kan hij mij als priester dienen.

14Laat daarna de zonen van Aäron bij je komen. Trek ze de priesterkleren aan. 15Giet wat olie over hun hoofd, net zoals je bij hun vader gedaan hebt. Dan kunnen ze mij als priester dienen. Zij en hun nakomelingen zullen altijd mijn priesters zijn.’

Mozes bouwt de tent op

16Mozes deed alles wat de Heer gezegd had. 17In de eerste maand van het tweede jaar nadat de Israëlieten uit Egypte weggegaan waren, werd de heilige tent opgebouwd.

18Mozes liet de voetstukken neerzetten en hij liet de planken daarin zetten. De dwarsbalken werden geplaatst en de palen werden rechtop gezet. 19De grote tent werd over de eerste tent heen gespannen. En daaroverheen werden de grote kleden gelegd om de tent af te dekken. Alles gebeurde zoals de Heer het tegen Mozes had gezegd.

Mozes richt de tent in

20Mozes legde de stenen platen met de wet van God in de heilige kist. Hij stak de draagstokken door de ringen van de kist en deed het deksel op de kist. 21Toen zette hij de kist in de tent. Hij hing het gordijn ervoor om de kist apart te zetten. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

22Voor het gordijn zette Mozes de tafel. De tafel kwam aan de zijkant van de tent, aan de noordkant. 23Op de tafel zette hij het offerbrood voor de Heer. Zo had de Heer het tegen hem gezegd. 24Hij zette de kandelaar aan de zijkant tegenover de tafel, aan de zuidkant. 25En hij stak de olielampen voor de Heer aan. Want zo had de Heer het tegen hem gezegd.

26Daarna zette Mozes het gouden altaar voor het gordijn in de tent. 27Hij brandde geurige wierook, zoals de Heer tegen hem gezegd had. 28Hij hing het gordijn voor de ingang van de tent. 29Bij de ingang van de heilige tent zette hij het grote altaar. Hij offerde vlees en graan op het altaar. Want zo had de Heer het tegen hem gezegd.

30Daarna zette Mozes de waterbak tussen de tent en het altaar, en hij deed water in de bak. 31Met dat water konden Mozes, Aäron en de zonen van Aäron hun handen en voeten wassen. 32Dat deden ze als ze de tent in gingen en als ze naar het altaar gingen. Zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

33Mozes maakte het plein om de tent en het altaar in orde. En hij hing het gordijn op voor de ingang van het plein. Toen was hij klaar met het werk aan de tent.

De Heer komt naar de tent

34Op dat moment kwam er een wolk boven de heilige tent hangen. Het stralende licht van de Heer vulde de tent. 35Mozes kon niet naar binnen gaan, want de wolk van de Heer hing boven de tent. En het stralende licht van de Heer vulde de tent.

36Steeds als de wolk boven de tent omhoogging, reisden de Israëlieten verder. 37En als de wolk niet omhoogging, reisden ze niet verder. Dan wachtten ze tot de wolk weer omhoogging. 38Overdag zagen de Israëlieten de Heer in de wolk boven de tent, en ’s nachts zagen ze een vuur in de wolk.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]