Bijbel in Gewone Taal (BGT)
37

De heilige kist

371Besaleël maakte de heilige kist van acaciahout. De kist werd 125 centimeter lang, 75 centimeter breed en 75 centimeter hoog. 2Hij bedekte de kist van binnen en van buiten met een laagje zuiver goud. Aan de buitenkant maakte hij een gouden rand om de kist. 3Hij maakte vier poten aan de kist, en aan elke poot een gouden ring.

4Besaleël maakte ook stokken van acaciahout, waarmee de kist gedragen kon worden. Ook die stokken bedekte hij met een laagje goud. 5Hij stak de stokken door de ringen aan de poten, zodat de kist gedragen kon worden.

Het deksel met de engelen

6Besaleël maakte voor de kist ook een deksel van zuiver goud. Het deksel werd 125 centimeter lang en 75 centimeter breed.

7-8Hij maakte twee engelen, ook van goud, één aan elke kant van het deksel. Ze vormden één geheel met het deksel. Er stond dus aan elke kant van het deksel een engel. 9De engelen stonden tegenover elkaar, met hun gezicht naar het deksel. Ze spreidden hun vleugels uit, zodat ze het deksel met hun vleugels beschermden.

De tafel voor het offerbrood

10Daarna maakte Besaleël de tafel van acaciahout. De tafel werd 1 meter lang, 50 centimeter breed en 75 centimeter hoog. 11Hij bedekte de hele tafel met een laagje zuiver goud. Hij maakte om de bovenkant van de tafel een gouden rand 12van ongeveer 8 centimeter breed. Die rand versierde hij met nog een gouden rand.

13Besaleël maakte vier gouden ringen. Die maakte hij vast aan de vier hoeken van de tafel, bij de poten. 14Die ringen zaten vlak onder de rand. Door de ringen deed hij stokken waarmee de tafel gedragen kon worden. 15Die stokken maakte hij van acaciahout, en hij bedekte ze met een laagje goud. 16Hij maakte ook voorwerpen voor op de tafel: schotels, schalen, kannen en kommen, allemaal van zuiver goud. Die konden gebruikt worden voor de offers.

De kandelaar

17-18Besaleël maakte de kandelaar van zuiver goud. De kandelaar kreeg een voetstuk en werd versierd met bloemen en knoppen. Hij had zes armen, drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alles werd één geheel.

19Besaleël versierde elke arm met drie bloemen van goud, met knoppen en bloemblaadjes. 20Ook aan de kandelaar zelf maakte hij vier bloemen, met knoppen en bloemblaadjes. 21Op de plek waar een arm uit de kandelaar kwam, maakte hij ook steeds een bloemknop. Dat deed hij bij alle zes de armen. 22De kandelaar werd één geheel, met de armen en de bloemen. Alles werd van één stuk zuiver goud gemaakt.

23Besaleël maakte ook zeven olielampen. En hij maakte gouden tangen om de lampen te doven, en gouden bakjes om de tangen op te leggen. 24Voor de kandelaar en alles wat erbij hoorde, gebruikte hij 30 kilo zuiver goud.

Het altaar voor de wierook

25Besaleël maakte ook het altaar voor het branden van wierook. Hij maakte het van acaciahout. Het altaar werd vierkant: 50 centimeter lang en 50 centimeter breed. Het werd 1 meter hoog. De hoeken werden extra hoog gemaakt. Het altaar en de hoeken waren één geheel. 26Het altaar werd helemaal bedekt met een laagje goud, ook de bovenkant, de zijkanten en de hoeken.

Om het altaar maakte Besaleël een gouden rand. 27En onder de rand maakte hij links en rechts een gouden ring. Door die ringen konden stokken gestoken worden om het altaar te dragen. 28Besaleël maakte draagstokken van acaciahout en hij bedekte ze met een laagje goud.

De heilige olie

29Besaleël maakte speciale olie met geurige kruiden, zoals een vakman die maakt.

38

Het grote altaar

381Besaleël maakte ook het grote altaar van acaciahout. Ook dat altaar werd vierkant: 2,5 meter lang en 2,5 meter breed. Het werd 1,5 meter hoog. 2De vier hoeken van het altaar werden extra hoog. Het altaar en de hoeken werden één geheel, en alles werd bedekt met een laagje brons. 3Besaleël maakte ook voorwerpen die bij het altaar hoorden: potten, scheppen, schalen, vorken en pannen. Al die voorwerpen werden van brons gemaakt.

4Om het altaar maakte Besaleël een hek van brons. Hij zette het vast op de onderste rand van het altaar. Vanaf de onderkant kwam het tot het midden van het altaar. 5Hij maakte vier ringen aan de hoeken van het hek. Daar konden stokken doorheen om het altaar te dragen. 6Besaleël maakte de draagstokken van acaciahout en bedekte ze met een laagje brons. 7Die stokken stak hij door de ringen aan de zijkanten van het altaar. Zo kon het altaar gedragen worden.

Het altaar werd van planken gemaakt. Het was hol van binnen.

De waterbak

8De waterbak en het onderstel dat erbij hoorde, werden gemaakt van brons. Besaleël gebruikte daarvoor de bronzen spiegels die vrouwen naar de tent gebracht hadden.

Het plein rondom de tent

9Rondom de tent maakte Besaleël een plein. Om het plein maakte hij een scherm van fijn linnen.

Aan de zuidkant kwamen schermen over een lengte van 50 meter. 10Besaleël maakte twintig palen voor de schermen, met bronzen voetstukken, en zilveren stangen en haken.

11Ook aan de noordkant kwamen schermen over een lengte van 50 meter, met twintig palen met bronzen voetstukken, en zilveren stangen en haken.

12Aan de westkant kwam 25 meter scherm, met tien palen en tien voetstukken, en met zilveren stangen en haken.

13-15De oostkant was ook 25 meter. Aan de oostkant kwam de ingang, met aan beide kanten 7,5 meter scherm, drie palen en drie voetstukken.

16Alle schermen rond het plein waren van fijn linnen. 17De voetstukken voor de palen waren van brons, en de stangen en haken waren van zilver. Ook op de bovenkant van de palen zat een laagje zilver.

18Voor de ingang van het plein kwam een gordijn. Het was 10 meter breed en 2,5 meter hoog, net als de schermen rond het plein. Het werd gemaakt van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. Het werd versierd met mooie figuren. 19Bij het gordijn voor de ingang hoorden vier palen met voetstukken van brons, en zilveren stangen en haken. De palen waren met een laagje zilver bedekt. 20Alle tentpinnen waren van brons.

Het materiaal dat gebruikt is

21Mozes wilde weten hoeveel materiaal er precies gebruikt was voor de heilige tent. Dat werd uitgerekend door de Levieten, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. 22Het werk voor de tent was gedaan door Besaleël, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 23Hij was geholpen door Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan. Oholiab kon weven en stof versieren met blauwe, paarse en rode wol, en met fijn linnen.

24In totaal was er voor de tent en alles wat erbij hoorde, 877 kilo goud gebruikt volgens het officiële gewicht. Dat goud hadden de Israëlieten gegeven. 25Ze hadden ook in totaal 3017 kilo en 750 gram zilver bij elkaar gebracht. Dat was gebeurd toen het volk geteld werd. 26Iedereen die geteld werd, had een zilverstuk betaald van 5 gram volgens het officiële gewicht. Alle mannen van twintig jaar en ouder waren toen geteld. Het waren er 603.550.

27Er was 3000 kilo zilver gebruikt voor de voetstukken van de palen van de tent, en voor de voetstukken van het gordijn voor de allerheiligste ruimte. Er waren in totaal honderd voetstukken, dus 30 kilo zilver voor elk voetstuk. 28De rest van het zilver, 17 kilo en 750 gram, was gebruikt om de bovenkant van de palen met een laagje zilver te bedekken. En ook om de stangen en de haken voor de palen te maken.

29De Israëlieten hadden 2124 kilo brons gegeven. 30Dat brons was gebruikt voor de voetstukken van de palen bij de ingang. Het was ook gebruikt voor het altaar met het hek eromheen, en voor alle voorwerpen bij het altaar. 31En het was gebruikt voor de voetstukken van de palen van het plein, en voor alle tentpinnen.

39

De priesterschort voor Aäron

391Er werd kleding gemaakt voor de priesters die in de tent gingen werken. Voor Aäron maakten de vakmensen speciale kleding, precies zoals de Heer tegen Mozes gezegd had. 2-3Ze maakten de priesterschort van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. Het gouddraad maakten ze van platgeslagen goud.

4Er werden schouderstukken aan de schort gezet die aan de achterkant aan elkaar vastzaten. 5De band van de schort was één geheel met de schort. De schort en de band waren van hetzelfde materiaal gemaakt. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

6De schort werd versierd met twee edelstenen. Die werden vastgezet in gouden randen. Daarna werden er namen op de stenen gezet, zoals je namen op ringen kunt zetten. Het waren de namen van de stammen van Israël.

7De edelstenen met de namen werden op de schouderstukken van de schort vastgemaakt. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd. Door die stenen zou hij steeds aan de Israëlieten denken.

De tas

8De vakmensen maakten ook de tas die op de schort gedragen zou worden. Ze maakten hem van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. De tas werd net zo mooi als de schort. 9Ze vouwden de stof van de tas dubbel, zodat de tas vierkant was: 25 centimeter lang en 25 centimeter breed.

10-13Op de tas kwamen vier rijen edelstenen, op elke rij drie stenen. Het waren allemaal stenen van verschillende kleuren. Elke steen werd in goud vastgezet. 14Het waren twaalf stenen, omdat Jakob twaalf zonen had. Op elke steen werd de naam van één van de twaalf stammen van Israël gezet.

15Op de tas kwamen ook gevlochten kettinkjes, van zuiver goud. 16En twee gouden ringen met een gouden rand erom. Die ringen werden vastgezet op de bovenste hoeken van de tas. 17De kettinkjes werden aan de ene kant vastgemaakt aan de ringen. 18Aan de andere kant werden ze vastgemaakt aan de gouden rand van de edelstenen op de schort.

19Daarna maakten de vakmensen nog twee gouden ringen. Die ringen zetten ze aan de onderste hoeken van de tas. Ze zetten ze aan de binnenkant, aan de kant die tegen de schort hing. 20Ook op de schouderstukken van de schort zetten ze twee gouden ringen. Die kwamen net boven de plek waar de schouderstukken aan de schort vastgezet waren, boven de band van de schort. 21Daarna haalden ze een blauw koord door de ringen van de tas en de ringen van de schort. Ze bonden de tas stevig vast op de schort, zodat hij er niet af kon schuiven.

De mantel voor Aäron

22De vakmensen maakten de mantel van blauwe wol. Die mantel kwam onder de priesterschort. 23In het midden van de mantel maakten ze een opening voor de hals. Rond die opening werd een stevige rand geweven, zodat de stof niet kon scheuren.

24Onder aan de mantel maakten ze een versiering van appeltjes. Die appeltjes maakten ze van fijn linnen en blauwe, paarse en rode wol. 25Ze maakten belletjes van zuiver goud. Die zetten ze tussen de appeltjes. 26Na ieder appeltje kwam een belletje.

Die mantel droeg Aäron, zoals de Heer tegen Mozes gezegd had.

De rest van de priesterkleding

27De vakmensen maakten voor Aäron en zijn zonen ook de rest van de priesterkleding. Dus de linnen hemden, 28de tulband, de mooie hoge mutsen en de broeken. Alles werd van fijn linnen gemaakt. 29Ten slotte maakten ze de geborduurde band die als riem gebruikt werd. Die band was van fijn linnen en blauwe, paarse en rode wol. Want zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

30Ze maakten ook het gouden sieraad, het speciale sieraad van zuiver goud. Daarop werd geschreven: ‘Ik dien de Heer’. 31Ze maakten een blauw koord aan het sieraad. Zo kon het vastgemaakt worden aan de bovenkant van de muts.

De tent is klaar

32Toen was het werk aan de heilige tent klaar. De Israëlieten hadden alles precies zo gemaakt als de Heer tegen Mozes gezegd had.

33Daarna bracht het volk alles naar Mozes. Ze brachten de tent, met alles wat erbij hoorde: de planken en de haken, de dwarsbalken, de palen en de voetstukken. 34Ook de kleden om de tent af te dekken, één van rood leer en één van zwart leer, en het gordijn voor de allerheiligste ruimte werden bij Mozes gebracht.

35De heilige kist, de draagstokken voor de kist en het deksel werden bij Mozes gebracht. 36En de tafel, de voorwerpen die bij de tafel hoorden, en het offerbrood.

37De gouden kandelaar werd bij Mozes gebracht, en de olielampen die op de kandelaar gezet moesten worden, met alles wat bij de kandelaar hoorde, en de olie voor de olielampen. 38Ook het gouden altaar, de heilige olie en de wierook, en het gordijn voor de ingang van de tent.

39Het bronzen altaar werd bij Mozes gebracht, met het bronzen hek eromheen, de draagstokken voor het altaar, en alle voorwerpen die bij het altaar hoorden. Ook de waterbak en het onderstel van de bak.

40De schermen voor het plein om de tent werden gebracht, de palen met hun voetstukken, en het gordijn voor de ingang van het plein. Ook alle touwen en pinnen, en alles wat nodig was voor het werk in de heilige tent.

41Ten slotte werd ook de kleding voor het werk in de tent bij Mozes gebracht, de speciale kleding voor de priester Aäron en de kleding voor zijn zonen.

42De Israëlieten hadden alles zo gemaakt als de Heer het tegen Mozes gezegd had. 43Toen Mozes zag hoe goed ze het gedaan hadden, zegende hij hen.